Maar zijn het ook blijvertjes?

2007 was niet het beste debutantenjaar voor de Nederlandse literatuur.

Verlangen naar de rust van het platteland staat tegenover de onthechtheid van het stadsleven.

Aan alle debuten mankeert wel iets. Bij de ene schrijver zullen die zwakheden kinderziekten blijken, bij de ander ongeneeslijke aandoeningen. Zo weet je ook niet of de sterke punten van een debutant steeds beter worden, of dat iemand al bij het begin aan de toppen van zijn kunnen zit.

De vraag wie het beste boek heeft geschreven is niet heel ingewikkeld, maar de vraag naar een rooskleurige toekomst is lastiger te beantwoorden. Er zijn aanwijzingen: jong zijn is een pluspunt (veel natuurtalenten kunnen niet wachten), ingewikkeld ook (teken van ambitie), maar autobiografisch niet (heeft de auteur ook nog een ander verhaal te vertellen)? Maar die indicaties zeggen ook weer niet alles: A. Alberts was bij de verschijning van zijn debuut De eilanden (1952) niet jong, zijn boek was niet ingewikkeld en deels autobiografisch. Bijna een halve eeuw en een prachtig oeuvre verder kreeg hij de P.C. Hooftprijs.

Wie wordt de debutant van 2007? Acht debutanten werden al eerder in de NRC boekenbijlage besproken (zie inzet). Voor dit artikel zijn nog negen andere gelezen. Die laten zich globaal in twee groepen verdelen: enerzijds de dilemma’s van het moderne, onthechte stadsleven, anderzijds de belangstelling voor het overzichtelijke bestaan, wat vaak samengaat met een hang naar platteland en nostalgie.

We beginnen met de nostalgici. Die zullen zich ongetwijfeld tegen dat etiket verzetten, maar de debuten van Philip Snijder en Ricus van de Coevering verwijderen zich nadrukkelijk van het jachtige moderne leven. Snijders Zondagsgeld (Mouria, €16,50) speelt weliswaar in de grote stad, maar veertig jaar geleden. De korte roman beschrijft een jeugd in de jaren zestig op het Amsterdamse Bickerseiland. Nu is dat het mooiste yuppenreservaat van de stad, maar toen was het een straatarme uithoek. Tegen die achtergrond heeft Snijder (1956) een vrij conventionele roman geschreven, over een jongen die geleidelijk ontdekt hoezeer hij anders is. Fijn om te lezen, maar geen boek dat het Bickerseiland ver ontstijgt. Sneeuweieren (Van Gennep, € 17,90) van Ricus van de Coevering (1973) is een authentiek en eenvoudig plattelandsdrama, met een norse boer, een dromerige vrouw en een problematisch adoptiekind. Woest opwindend schrijft hij nooit, maar uit de roman spreekt een nieuwsgierigheid naar hoe mensen in elkaar zitten.

Twee debutanten zijn in Spanje geboren. Kristina Goikoetxea Langarika (1971) is daarbij niet vrij van nostalgische neigingen. Vooral de in het verleden spelende delen van Evamar (De Geus, €19,90) volgen de clichés van de Spaanstalige dorpsroman: grote gezinnen en burgeroorlog. Pas als Goikoetxea Langarika het heden beschrijft, kom je aardige vondsten tegen. Laia Fabregas schrijft over twee zussen die proberen om te gaan met de gevolgen van de progressieve opvoeding door ouders die halve helden waren in het verzet tegen Franco. Fabregas schetst vaardig de politieke complicaties en ze stelt goede vragen over de kracht en de ontoereikendheid van de verbeelding. Maar Het meisje met de negen vingers (Anthos, € 17,95) is vlak geschreven. Dat kan met Fabregas’ afkomst te maken hebben, al hoeft dat niet: grote stilisten zijn zeldzaam onder debutanten.

Ook Rosiri, de hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Iris Koppe (1985), heeft het een en ander te stellen met haar ouders, die aan de revolutie vooral een zekere mate van onvolwassenheid hebben overgehouden. Rosiri (De Bezige Bij, € 12,90) verscheen eerder als krantenfeuilleton en dat lees je aan deze roman ook enigszins af. De hoofdstukken bevatten leuke, satirische passages, maar Rosiri is uiteindelijk niet meer dan een lange keten van gebeurtenissen.

Zowel Koppe als Ebele Wybenga (1987) en Renske de Greef (1984) schreven alle drie voor het online magazine Spunk. Hun romans blijven aan de oppervlakte. Zelfkritiek lijkt niet de sterkst ontwikkelde kant. Bij Wybenga geldt dat ook voor zijn hoofdpersoon, de student Mees die zichzelf vooruit probeert te ritselen in de conceptuele kunst. Aan het gegeven ligt het niet, maar de verdere ontwikkeling van Galerie Onvolmaakt (De Bezige Bij, €16,50) mist een bite.

Van de drie ‘spunkboeken’ is Was alles maar konijnen (Meulenhoff, €18,50) van Renske de Greef het interessantst. Zij schrijft het beste en ze durft haar hoofdpersoon extravaganter te maken, wat de spanning ten goede komt. Het begin en het einde van de roman zijn uitstekend, maar in het geheel zit nogal wat lucht, terwijl er ook overlappingen zijn.

Hoofdpersoon Bibi van Amstel uit De walrus (Meulenhoff, € 16,90) van Bregje Bleeker (1970) past in de rij bevoorrechte, mild-verveelde Amsterdamse hoofdpersonen van Wybenga en Koppe. Maar aan deze roman is wel te merken dat de schepper ervan ruim tien jaar ouder is. De losse, half naïeve toon waarop Bleeker vertelt hoe haar heldin haar hart verliest aan een veel oudere hasjhandelaar, is goed gevonden en goed uitgewerkt.

De laatste debutant uit de rij is in zekere zin de eerste. Erik Jan Harmens (1970) publiceert al jaren poëzie en is de beste stilist van het gezelschap. In Kleine doorschijnende man (Nijgh & Van Ditmar, € 18,50) is een man aan het woord die met een echte baan zin aan zijn leven wil geven. Maar een goed geschreven roman is nog niet per se een geslaagde roman. Harmens hoort zichzelf erg graag praten. Zo kun je een pagina lang lezen over beroepstrots en het op alfabet zetten van jaarverslagen – krachtige zinnen, maar hetzelfde wordt te vaak gezegd. En dan ga je missen dat er op andere vlakken weinig is wat je aan de roman bindt.

Het kwartet debuten dat er bovenuit steekt, komen van Van de Coevering, Fabregas, Snijder en Bleeker. Bij die laatste twee vraag je je alleen wel af of er nog een ánder verhaal inzit. Andersom stemmen leeftijd en ambitie van Renske de Greef hoopvol over haar toekomst. De meest belovende debuten van 2007 liggen qua niveau niet erg ver uit elkaar – en dat is meestal slecht nieuws voor een debutenjaar. Wie de primus inter pares zal blijken te zijn is geen eenvoudige voorspelling. Voorlopig lijkt de wat boertige, gelaagde roman van Ricus van de Coevering de beste papieren te hebben. In sfeer sluit hij aan bij het nostalgische verlangen naar het platteland. Maar tegen die achtergrond toont hij zich een bijzonder nieuwsgierige schrijver die midden in het leven (van alle tijden) staat.

Rectificatie / Gerectificeerd

Agri Cult

De foto op het spandoek dat te zien is op de foto van Vincent Metzel bij het artikel Maar zijn het ook blijvertjes ? (vrijdag 28 december, pagina’s 24 en 25) is gemaakt door Desirée de Baar.