Literatuur als wereld en als leefwijze

Wie de literatuur uít wil vluchten, vliegt er net zo snel weer in. Althans bij de onweerstaanbare Enrique Vila-Matas.

Enrique Vila-Matas: Bartleby & Co. Vertaald door Adri Boon. De Bezige Bij, 189 blz. € 18,50

Bartleby (geen voornaam bekend) is de hoofdpersoon uit een verhaal van Herman Melville over een kantoorbediende die erin slaagt eerst op het werk en vervolgens in zijn hele leven volstrekt niets te doen. Met enige fantasie heeft de Spaanse schrijver Enrique Vila-Matas diens naam omgevormd tot een soortnaam: voor schrijvers die er op een vroeg of laat moment in hun carrière voor hebben gekozen de pen neer te leggen en er het zwijgen toe te doen.

In Bartleby & Co geeft Vila-Matas een (noodzakelijkerwijs onvolledig) overzicht van de bartleby’s die de wereldliteratuur rijk is. Hun gezelschap varieert van de Zwitserse schrijver Robert Walser (die óók als kantoorbediende werkte) tot de mysterieuze Spaans-Amerikaanse auteur Felipe Alfau, van de opiumschuiver De Quincey tot de in armoede vervallen Oscar Wilde, van de overbekende Hölderlin tot de volstrekt onbekende Roberto Moretti. Onbekend in dit geval om de best denkbare reden: in een interview verklaarde Vila-Matas te midden van alle schrijvers en titels die zijn boek bevolken een vijftal spookauteurs te hebben verstopt.

De redenen waarom al deze schrijvers besloten te zwijgen en zich te bekeren tot de ‘literatuur van het Nee’, zoals Vila-Matas het noemt, lopen al evenzeer uiteen. Van uitbrekende waanzin tot gebrek aan succes, van uitblijvende inspiratie tot angst voor de roem, van verdriet en depressie tot het overlijden (bij de Mexicaan Juan Rulfo) van zijn ‘oom Celerino’ die hem altijd de plots van zijn verhalen influisterde.

De obsessie – even bekend aan dwangmatige lezers als aan schrijvers – om in alles een roman of literaire verwijzing te zien, heeft Vila-Matas enkele jaren geleden al beschreven in zijn roman De waan van Montano. Het in het Spaans eerder al verschenen maar pas nu vertaalde Bartleby & Co, waarin het gaat om de vlucht uit de literatuur, is daar als het ware het negatief van. Maar daarmee blijven beide boeken niettemin gevangen in eenzelfde claustrofobie, waarin de literatuur en het lezen langzamerhand de hele wereld heeft vervangen.

Vila-Matas lijkt met deze twee boeken dan ook het literaire antwoord te hebben gegeven op de beroemde uitspraak van de Franse filosoof Derrida: Il n’y a pas de hors-texte (Er is niets buiten-tekstueels). Verkeerd begrepen als die woorden meestal werden, geeft Vila-Matas er in Montano en Bartleby een letterlijke wending aan. In deze boeken lijkt er niets anders meer te bestaan dan literatuur, schrijvers, boeken – en de angsten die dat met zich meebrengt.

Niet verwonderlijk duikt ook de Argentijnse aartsvader van de wereld-als-boek, Jorge Luis Borges, regelmatig op deze bladzijden op. Hoewel zijn stijl en toon volstrekt verschillend zijn, betoont Vila-Matas zich daarmee misschien wel diens trouwste en meest verwante erfgenaam. Verwanter in ieder geval dan de talloze auteurs wier boeken zich op hun eigen omslag plichtmatig aanduiden als de nieuwe Borges, Eco of Zafón – die laatste zelf al een epigoon.Wat Vila- Matas in ieder geval met Borges gemeen heeft is het feit dat hij nauwelijks een verhaal vertelt. Veeleer rijgt hij anekdotes, verwijzingen en literaire weetjes aan elkaar – zoals hij dat ook al deed in boeken als Voorbeeldige zelfmoorden en Dada uit de koffer, die ruim tien jaar geleden in het Nederlands zijn vertaald. Dat leverde hem het etiket van een writers’ writer en misschien nog wel meer een lieveling van literatuurwetenschappers op.

En inderdaad valt er in deze boeken heel wat te ontrafelen en uit te puzzelen. Welke zijn precies de vijf fantasieschrijvers die Vila-Matas zijn boek zegt te hebben binnengesmokkeld? Is er wel een boek dat ‘Het Pierre Menard Instituut’ heet? (Antwoord: nee – maar er is wel een verhaal van Borges over een zekere Pierre Menard, ‘schrijver van de Quichot’).

Bijeengehouden worden al die mini-essaytjes en beschouwingen door het verhaal van een man van wie we, omgekeerd als bij Melville’s Bartleby, niet de achternaam maar wèl de voornaam horen. Ook deze Marcelo is een kantoorklerk en ook hij bekent zich tot de literatuur van het Nee: volgens hem de enige die nog toekomst heeft. Maar hoe ziet zo’n negatieve literatuur eruit? Om daar achter te komen, volgt hij het spoor van alle bartleby’s die hij vinden kan. Uit de verzameling van die aantekeningen bestaat het grootste deel van dit boek – af en toe onderbroken door een enkele mededeling over Marcelo’s wel en wee.

Bartleby & Co is dan ook, meer nog dan De waan van Montano, een ondefinieerbaar boek. Geen roman, geen essay, geen studie en al helemaal geen ‘geschiedenis’. Op het schutblad blijft het onder de titel dan ook leeg. De lezer moet zelf uitmaken wat voor boek hij in handen heeft – en wat hij zal aanvangen met deze verzameling literaire arabesken en capriolen. Eens te meer maken zij duidelijk hoe speels de literatuur kan zijn, als verzameling boeken maar ook als fenomeen, als leefwijze, als wereld.

Eindeloos verfijnt zich het zoekplaatje dat Vila-Matas de lezer voorhoudt, en van de spitse vertakkingen waarvan deze na één keer lezen nog maar nauwelijks het begin heeft kunnen ontwaren. Barstend van de literaire spitsvondigheid en terloops ontdekte eruditie overtuigt dit boek de lezer er tenslotte van dat er helemaal niets meer ‘buiten de tekst’ hoeft te zijn.