Liever koelak dan tsaar

De Noorse journalist Karsten Alnaes schreef een mammoetwerk over Europa’s geschiedenis. Waarom begint hij pas in de 15de eeuw?

Karsten Alnaes: De geschiedenis van Europa. Vertaald door Kim Snoeijing en Lucy Pijttersen. Vier delen. Ambo/Standaard. I (1300-1600), 725 blz; II (1600-1800), 802 blz; III (1800-1900), 832 blz; IV (1900-heden), 854 blz. € 39,95 per deel

Aardrijkskundig gesproken berust het Europa dat wij van de kaart kennen op een half-en-half politieke afspraak. De Russische historicus en cartograaf Vasily Tatitsjev (1686- 1750) vond in de 18de eeuw algemene bijval voor z’n voorstel om de Oeral aan te wijzen als de natuurlijke scheidslijn tussen Europa en Azië – dan waren hij en zijn verlichte Europese tijdgenoten meteen van het praatje af dat zij als bewoners van het reusachtige continent dat zich uitstrekte van de Mongoolse steppen tot de Hollandse weilanden, eigenlijk Aziaten waren.

Zo had het beschaafde avondland zich ook op de atlas veilig geïsoleerd van gewesten waar niemand Grieks sprak, dus waar iedereen volgens de antieke traditie een barbaar mocht heten. De Europese politieke en culturele elite is steeds op distinctie uit geweest. Tot en met Charles de Gaulle hebben de Fransen, generaties lang, volgehouden dat je in Afrika was zodra je de Pyreneeën had overgestoken. Een zekere reserve tegenover Groot-Brittannië dat tenslotte (over natuurlijke grenzen gesproken) achter de Noordzee en het Nauw van Calais lag, moet op eenzelfde soort eenkennigheid worden teruggevoerd. En beroemd is de uitspraak van Metternich, die zei dat Azië zich aandiende aan het eind van de Weense Landstrasse. De ‘Europese idee’ is altijd meer een kwestie geweest van het kleinste gemene veelvoud dan van de grootste gemene deler.

Herodotus

Wanneer begon het idee? In z’n vroegste gedaante natuurlijk in de oudheid, toen de (mythische) naam wel al bekend, maar nog niet dominant was. Herodotus vroeg zich af waarom de wereld die hij kende naar drie godinnen vernoemd moest worden: Asia, Libia en Europa. Het was toch één wereld, waar je met één taal terecht kon, en waar overal dezelfde goden werden vereerd? De vader van de geschiedschrijving was geboren in het Ionische Halikarnassos, het tegenwoordige Bodrum. In Azië dus.

Het Europa van de Romeinen reikte nog lange tijd tot in Syrië, Egypte en het land van Hannibal. In hun Aziatische provincie Palestina zou zonder dat ze er erg in hadden (maar Pilatus was misschien niet zo’n erg oplettende procurator) zelfs nog een Verlosser het licht zien die op een dag hun hele theogonie omver wierp. De Aziaat Jezus van Nazareth zou het schild en het zwaard worden van het derde Europa dat we kennen: het kleine, karolingische Europa van Karel de Grote. Europa blijkt telkens opnieuw, en telkens weer anders herboren te zijn.

Waarom liet de Noor Karsten Alnaes Europa pas beginnen in de 15de eeuw, toen de wereld dus al ten minste drie onderscheiden Europa’s achter de rug had?

De geschiedenis van Europa heet zijn cyclus in alle eenvoud. De vier delen, die hij in een haast onbegrijpelijk hoog tempo – amper een paar jaar – moet hebben voltooid, behelzen in de Nederlandse vertaling meer dan drieduizend bladzijden, wat er als ik goed heb geteld op neerkomt dat hij elke dag, inclusief zon- en feestdagen, vakanties niet uitgezonderd, vier à vijfhonderd woorden moet hebben zitten tikken. Dat vraagt al om veel discipline en doorzettingsvermogen. Maar ter voorbereiding moet hij ook nog honderden boeken zo niet allemaal gelezen, dan toch met zorg uitgeplozen hebben, om vervolgens duizenden notities en citaten onder te brengen in een vertelstructuur waarop weinig valt af te dingen. Nijvere, curieuze systematicus. Hij schijnt in vrije uurtjes ook romans te schrijven. Ik had nog nooit van hem gehoord, terwijl hij toch al zeventig is.

Erenaam

Waarom liet hij de Europese geschiedenis niet bij de Grieken, niet in de dagen van Augustus en niet in het Aken van Charlemagne beginnen? Als startpunt koos hij mei 1453 – het moment dat het Oost-Romeinse, christelijke Constantinopel in handen viel van de islamitische Turken. Vóór die tijd, schrijft hij, komen we het begrip Europa in schriftelijke bronnen nog maar zelden tegen. ‘Na 1453 had Europa steeds vaker het karakter van een erenaam die werd gebruikt voor het christelijke, ontwikkelde deel van de wereld, in tegenstelling tot het barbaarse en heidense Azië’.

Er zit wat in. Maar waarom dan niet 732, toen Karel Martel – grootvader van De Grote – de Saracenen bij Poitiers tot staan bracht en op die manier de verdere islamisering van Europa (Spanje was al verloren) stuitte? Poitiers was misschien minder spectaculair dan Constantinopel, maar het was zeven eeuwen eerder al het symbool geweest van hetzelfde: Europese christenen tegen Aziatische muzelmannen.

Had Alnaes, zo nadrukkelijk op het spoor van die tegenstelling, met goed fatsoen de Kruistochten, mogen overslaan? Als elke geschiedschrijver had hij natuurlijk het recht om uit alle mogelijke opties zijn eigen variant te kiezen. Maar je zou als lezer hebben gewild dat die keuze niet alleen steviger was verantwoord dan met het aanvechtbare argument dat Europa z’n zelfbewustzijn had te danken aan de Ottomanen, maar dat hij de keuze in de rest van z’n verhaal ook zou hebben laten doorwerken. De werkelijkheid is dat we in deel I (ongeveer van de 14de eeuw tot aan 1600) en deel II (1600-1800) over Constantinopel en de Turken nauwelijks meer iets horen. Dat versterkt de argwaan dat het jaartal 1453 toch iets willekeurigs had.

De Nederlandse uitgever vergelijkt Alnaes’ werkwijze in een loffelijk kort flaptekstje met die van Geert Mak en Emmanuel Le Roy Ladurie. Dat laatste lijkt me alleen al te veel eer, omdat Alnaes in tegenstelling tot de Fransman louter boeken, en geen directe bronnen heeft bestudeerd. Maar je kunt je bij de associatie met Ladurie wel iets voorstellen. Alnaes heeft een Annales-achtige belangstelling voor sociaal-culturele, economische en kunsthistorische ontwikkelingen in de geschiedenis. Zijn misschien amateuristische kennis van vooral de schilderkunst levert behalve mooi en adequaat illustratiemateriaal (dat in de Nederlandse editie onbekrompen is overgenomen) ook kleine, met veel empathie geschreven kunstenaarsprofielen op. Maar daar blijft het niet bij. Het dagelijks leven, ziektes, veranderende omgangsvormen, de progressie in de medische wetenschap, de geschiedenis van de voedselketen – dat zijn de onderwerpen waaraan hij de institutionele processen van politiek, diplomatie, oorlog en vrede graag ondergeschikt maakt.

Hij houdt die voorkeur vier delen lang consequent vol, van 1300 tot bijna de dag van vandaag. Altijd liever een portret van Samuel Pepys en diens dagboeken, dan stap voor stap de 17de-eeuwse geschiedenis van de Britse relatie met de Nederlanden, Spanje of Lodewijk XIV volgen. Altijd liever een beeld van de Russische koelak, dan nog eens het verhaal van alle tsaren tussen Ivan en Catharina. Altijd trouwens liever iets over Ilja Repin en zijn beroemde Wolgaslepers dan over het autocratische beleid van de laatste Romanovs. En liever Freud, Marx en Darwin als individuele cultuurdragers, dan de psychoanalyse, het communisme en het 19de- eeuwse vooruitgangsgeloof als sociaal-politieke verschijnselen.

De vergelijking met Geert Mak kan alleen maar voor beider werkwijze opgaan. In één opzicht lijken ze op elkaar: ze wagen zich geen van tweeën aan een eigen, eigengereide en interpreterende geschiedopvatting. Ze zijn navertellers. Alnaes is breder, schrijft ook aangenamer, zonder de wat zalverige vader-des-vaderlandstoon die Mak zich, gehoord het commentaar in de veelbekeken televisieserie naar zijn Europese boek, langzamerhand eigen heeft gemaakt. Maar allebei lopen ze bij gebrek aan eigen historisch houvast het risico om over het nieuwe, dus ook het oude Europa in politieke platitudes te schrijven.

Vandalen

In het briljantste geschiedenisboek dat in de afgelopen decennia aan Europa is gewijd – ik bedoel: Europe, a History van Norman Davies (Pimlico, 1997) – vraagt de auteur zich af hoe de inwoners van Rome hun ondergang, het einde, de ineenstorting van hun grote imperium kunnen hebben beleefd, en dan citeert hij Boethius (480-525), die de ‘vandalen’ had zien binnenkomen, en die ergens schreef: ‘De ongelukkigste vorm van ongeluk is ooit gelukkig te zijn geweest’.

Weemoed over verloren geluk is voor de geschiedenis van Europa waarschijnlijk even karakteristiek als het elan om nieuw geluk aan te boren. Aan het begin van de 21ste eeuw lijkt een zekere zwaarmoedigheid te overheersen. De ‘global village’ waarin we nu leven, is ooit exclusief een ‘European village’ geweest, merkte Eric Hobsbawm op in een essay uit 1996. ‘But the global village’, vervolgde hij, ‘has swallowed the European’. De Oeral is niet meer de vestingmuur waarachter we ons superieur en veilig kunnen voelen.

De reusachtige vertelling van Alnaes laat zich lezen als de melancholieke terugblik op een eeuwenlange, rijke geschiedenis. Het wachten is op het moment dat Europa voor de zoveelste keer herboren wordt.