Jan Wolkers was zoals wij onszelf het liefst zien

Jan Wolkers: Dagboek 1976. De Bezige Bij, 228 blz. € 18,50

‘Ik sta er niet bij stil of mijn werk zal beklijven’, zei Jan Wolkers eens. ‘Daar moet je realistisch in zijn. Zelfs de piramides zullen ooit als gemalen nootmuskaat ter aarde liggen.’ De berustende woorden van Wolkers waren misschien een oefening in valse bescheidenheid. Per slot van rekening zal de schrijver van veertig jaar oude evergreens als Terug naar Oegstgeest en Turks fruit op z’n minst gedacht hebben dat hij in 2047 nog gelezen wordt. Maar hij zou in zijn stoutste dromen niet hebben kunnen voorzien wat voor een stroom aan emoties zijn dood, op 19 oktober, in Nederland heeft losgemaakt.

Het is een tot de verbeelding sprekend toeval dat de nationale knuffelbeer Jan Wolkers is overleden in het jaar dat de discussie over de Nederlandse identiteit een hoogtepunt bereikte. Want Wolkers belichaamde de ideale Nederlandse identiteit. Hij was zoals wij onszelf het liefste zien: vitaal, wijs, gastvrij, humoristisch, natuurminnend, diervriendelijk, tolerant, vaderlijk maar niet autoritair, viriel maar trouw aan zijn grote liefde, belezen zonder daarmee te koketteren, getalenteerd zonder het contact met de maatschappij te verliezen.

In dat licht hoeft niemand zich te verbazen over het succes van Wolkers’ dagboeken, die uitgeverij De Bezige Bij de afgelopen jaren op de markt bracht. Want juist in die onopgesmukte verslagen van ‘een jaar uit het leven van Jan’ toont zich het Hollandse rolmodel op zijn best. Neem het meest recente deel, postuum verschenen, over het jaar 1976, waarin de schrijver werkt aan zijn Indonesië-roman De kus, waarin de beeldhouwer de voorbereidingen treft voor zijn Auschwitzmonument, en waarin de levensgenieter zich overgeeft aan zijn volkstuintje en zijn vrouw Karina.

Compositorisch stellen de aantekeningen niet veel voor, en een zekere eenvormigheid kan ze niet ontzegd worden. Maar wat een Mensch rijst eruit op: een fanatiek wandelaar en tuinier, een belangstellend voetbalkijker, een gedisciplineerd auteur en niet te vergeten een potente minnaar die op zijn 50ste ‘de ladder naar lust’ nog dagelijks beklimt. En passant zien we hoe de kiem wordt gelegd voor zijn latere romans De doodshoofdvlinder en Brandende liefde.

Wolkers’ Hollands welvaren komt misschien wel het mooist tot uitdrukking in de maaltijden die hij bereidt – niet voor niets was dat hetgene dat Karina Wolkers tijdens de uitvaartplechtigheid verkoos te memoreren. Wat we in Dagboek 1976 voorgeschoteld krijgen is de goed-Hollandse keuken, met hoogstens een Indisch tintje: tarbot, asperges en haring, maar ook hutspot, kerriesoep, pannekoeken en varkenshaasjes in kerriesaus. De wijnen zijn Frans en goed, en het scheelt niet veel of er is alle dagen champagne. Hierin was Wolkers een trendsetter. Zoals hij in de jaren zestig met zijn boeken voorop liep en een hele generatie bevrijdde van de knellende invloed van het calvinisme door te onderstrepen dat het geloof der vaderen niet de waarheid in pacht had, zo liet hij door zijn manier van leven zien dat je Nederlander kon zijn en toch van het leven kon genieten.

Misschien moeten we niet te veel zeggen over Wolkers als gedroomde Nederlander. Het staat iedereen weliswaar vrij om Wolkers te vereren als de typische Nederlander. Maar we mogen nooit vergeten wat voor schrijver achter dat ideaalbeeld schuilging: een niet te evenaren stilist die in zijn essays zelfs leken enthousiast wist te maken voor de poëzie van Keats, de portretten van Hals, de plaatjes van Verkade en de spieren van Johnny Weismuller; en een baanbrekend romancier wiens beproefde titels ook toekomstige generaties lezers zullen blijven boeien.

Pieter Steinz