Jan Blokkers ommezwaai

Terwijl Jan Blokker het vroeger opnam voor Salman Rushdie, zouden kleinere geesten nu de bedreigingen aan zichzelf te danken hebben. Schande, vindt Joost Zwagerman.

In de apotheek bij ons in de buurt werken drie jonge moslima’s met hoofddoek. Iedere keer als ik er ben, verlaat ik opgewekt het pand. De theorie mag zijn dat de integratie faalt, maar in de dagelijkse praktijk verloopt die veelgesmade integratie zo slecht nog niet. De drie hebben gestudeerd, hebben voorzover ik kan zien veel plezier in hun werk, en dat plezier werkt altijd aanstekelijk. Ik heb er een lief ding voor over om de godsdienstvrijheid van deze drie en alle andere Nederlandse moslims te blijven verdedigen, en in gelijke mate benadruk ik het recht van weer ándere moslims om vrijelijk van hun geloof te vallen. Dit laatste maakt mij, en ook Max Pam, Theodor Holman en Sylvain Ephimenco, in de beleving van Jan Blokker „voorspelbaar” (Opiniepagina, 24 december). Wie het opneemt voor afvallige moslims die in de knel raken door bedreigingen aan hun adres, is in Blokkers ogen iemand die voorspelbaar ‘schande!’ roept.

Ik wil niet voor de andere drie spreken, maar ik vond het een merkwaardige observatie van iemand die gerust de moeder aller ‘schande’-roepers mag heten. Die reputatie vestigde Blokker in 1989, toen hij zijn verontwaardiging uitte over de fatwah die ayatollah Khomeiny over Salman Rushdie had uitgesproken.

Blokker maakte zich kwaad over diegenen die begrip opbrachten voor de gekwetstheid van moslims: „Waarom zou ik begrip moeten hebben voor mohammedanen die (...) op de maat in woede uitbarsten, zinloze heilige oorlogen uitvechten, boeken verbranden?” En in het tv-programma Diogenes sprak Blokker de galmende woorden: „De Derde Wereldoorlog zal misschien gaan tussen de gelovigen en de ongelovigen, tussen de schrijvers en de schriftgeleerden.”

Het zal best fijn geweest zijn om Rushdie zo te verdedigen. Wie opkomt voor de vrijheid van meningsuiting van een voortreffelijk schrijver, loopt de kans dat diens voortreffelijkheid ook een beetje op jezelf afstraalt. Lastiger wordt het voor Blokker om die vrijheid te verdedigen als mensen hier aanspraak op maken die hij toevallig iets minder voortreffelijk vindt.

Neem Ayaan Hirsi Ali. Zij is door Jan Blokker vanaf het ogenblik van de eerste doodsbedreigingen consequent getypeerd als een over het paard getild Somalisch kruidenvrouwtje.

Blokkers ommezwaai bleef ook in deze krant niet onopgemerkt. Redacteur Paul Steenhuis schreef: „Min of meer gewichtige niet-moslimmannen als (...) Jan Blokker waren er als de kippen bij om Hirsi Ali de mond te snoeren.” Dit volgens Steenhuis onder het mom: „Vrouwtje moet haar mond houden. Vrouwtje weet niet waar ze het over heeft.” Dit was de conclusie van Steenhuis: „De verkettering van Hirsi Ali is niet alleen in moslimkringen (...) in volle gang, maar breidt zich ook uit tot de leden van ongelovige linkse kerk. En dat is bedenkelijk.”

Bedenkelijk? Niet voor Blokker cum suis. Want na Hirsi Ali kwam daar die vervelende, middelmatige Ehsan Jami. Ook hij werd door Blokker gekleineerd. Vooral maakte hij zich vrolijk over de bedreigde Jami als ‘adoptiekind’ van leden van een steuncomité.

Voor Jan Blokker zijn Hirsi Ali, Jami en Sooreh Hera kleine mensjes in vergelijking met de Grote Gestalte van Rushdie. En als die kleine mensjes, met de dood bedreigd worden om redenen die – he, wat jammer nou – toevallig wél identiek zijn aan de afvalligheid en godslastering van Rushdie, dan is het verdedigen van hun vrijheid van meningsuiting volgens Blokker niets dan „een gemeenplaats”.

Jan Blokker is niet de enige die deze intellectuele klassejustitie toepast. Ook bij Bas Heijne vind je diezelfde dubbele standaard terug. Net als Blokker maakte Heijne zich destijds boos over de kwestie rond Rushdie. En ook hij wond zich op over degenen die kritiek hadden op de persoon van Rushdie. Zo kapittelde Heijne in 1989 de islamoloog K. Wagtendonk die had geconcludeerd dat Rushdie precies wist wat volgens de islam wel en niet kon, en dat hij dus om moeilijkheden had gevráágd.

Opmerkelijk is wat de Bas Heijne van 1989 erover beweerde: „Rushdie heeft ‘om moeilijkheden gevraagd’. Daar lijkt mij niets verkeerds aan, sterker nog, als een schrijver vandaag de dag een taak heeft, dan is het om moeilijkheden vragen.”

Ik begrijp het. Een schrijver van het formaat van Rushdie heeft bij uitstek de taak om om moeilijkheden te vragen, maar Sooreh Hera mag vanwege diezelfde intenties worden weggezet als een onbetekenende aandachttrekster die deze taak vanzelfsprekend niet goed genoeg aanwendt.

Maar het wordt nog krasser. Heijne liet zich in 1989 neerbuigend uit over de toenmalige minister van Justitie F. Korthals Altes. In een interview had Korthals Altes laten weten dat hij Rushdie in een televisieoptreden „niet erg sympathiek” vond overkomen. Dat had hij niet mogen zeggen. Heijne veegde de vloer aan met de minister: „Die ‘arme’ Rushdie heeft er met zijn arrogante kop toch min of meer om gevraagd. Niet door het boek dat hij had geschreven, maar door de indruk die hij op televisie wekte.”

Deze week waren Heijne en ik gasten in een aflevering van Buitenhof (die door de moord op Bhutto is uitgesteld). En wat bleek? De Bas Heijne van nu had de broek aangetrokken van de Korthals Altes van toen. Heijne deed meesmuilend over de fotoserie van Sooreh Hera. Ach, die foto’s mochten heus wel ergens aan de muur hangen, maar hadden wij dan niet gezien wat de kunstenares op de Vlaamse televisie had verklaard? Nee? Nou, daar had ze gezegd dat Mohammed naar hedendaagse maatstaven een niet zo frisse figuur was. Waarmee Bas Heijne maar wilde zeggen dat Sooreh Hera heus wel wist wat ze deed en dat ze toch maar mooi om moeilijkheden had gevraagd.

Je ziet dat wel vaker bij publicisten: zonder dat ze er zich bewust van zijn, veranderen ze vroeg (Heijne) of laat (Blokker) in precies dat type dat zij zelf vroeger afkeurden op grond van hun morele benepenheid.

Op dezelfde dag dat Jan Blokker zich in deze krant vrolijk maakte over de voorspelbaarheid van schrijvers die zich inzetten voor andermans in de knel geraakte vrijheid, zei Blokkers leeftijdgenoot Harry Mulisch in Trouw over het islamdebat: „In Nederland bestaat vrijheid van meningsuiting en expressie. Dat wil ik graag zo houden, maar uit de incidenten rond de islam van de laatste tijd blijkt dat die vrijheid er niet meer is. Zodra een museumdirecteur geen foto’s durft op te hangen (...) is er geen vrijheid van meningsuiting meer. De jure wel, de facto niet.”

Ik las het en wist: ergens in de Amsterdamse grachtengordel turen nu twee publicisten zenuwachtig naar de krantenpagina van Trouw. Besmuikt vragen ze zich af hoe ze Mulisch’ uitspraak kunnen bagatelliseren als een ‘voorspelbare’ klacht en hoe ze Mulisch kunnen afserveren als wéér een nieuwe aanjager van een ‘media-hype’.

De islam mag volgens Ayaan Hirsi Ali een Voltaire nodig hebben, sommigen onder ons hebben kennelijk (weer) een Rushdie nodig teneinde net als Harry Mulisch de hoofdzaak te kunnen scheiden van bijzaken. Hoewel: in de kern hebben Heijne en Blokker natuurlijk hun oude Zelf nodig. Maar die zijn ze in de loop van de jaren kwijtgeraakt. Dat mag gerust een persoonlijke tragedie heten.

Joost Zwagerman is schrijver.

Het artikel van Jan Blokker is na te lezen op nrc.nl/opinie