Het Frans, dat zijn wij

Waarom worden alleen schrijvers uit de voormalige koloniën in Frankrijk weggezet als ‘francofoon’? Een radicaal pamflet draait de verhoudingen om.

Pour une littérature-monde. Sous la direction de Michel Le Bris et Jean Rouaud. Gallimard. 342 blz. € 20, –

Onlangs werd de Senegalese schrijfster Aminata Sow Fall, te gast aan de Universiteit van Witwatersrand in Zuid-Afrika, gevraagd waarom zij in het Frans schreef in plaats van in haar Afrikaanse moedertaal, het Wolof. Zij antwoordde dat er in 1963, toen ze begon te schrijven, nog geen volledige transcriptie van het Wolof in het Latijnse alfabet bestond. Ze had dus voor het Frans gekozen, een taal waarin ze zich ook thuis voelde.

In haar artikel in Courrier International van eind november grijpt de Ivoriaanse schrijfster Véronique Tadjo die uitspraak aan om een bijdrage te leveren aan het debat rond literatuur en de Franse taal dat al ruim een jaar woedt. Door in de koloniën het Frans op school verplicht te stellen, schrijft Tadjo, wilden de Franse kolonialisten een taalkundig en cultureel model opleggen dat op termijn tot assimilatie zou leiden. Maar het pakte anders uit. Het Frans werd de taal waarin Afrikanen hun eigen ambities en hun vrijheidsstrijd uitdrukken.

Daniel Maximin, schrijver en dichter uit Guadeloupe, zei het al: je moet taal en burgerschap niet met elkaar verwarren, het Frans beperkt zich niet tot Frankrijk. Het Frans, onderstreept Tadjo, is de uiting van verschillende identiteiten, van Congo tot Vietnam en Canada. Het Frans is de officiële taal van meer dan twintig Afrikaanse landen. ‘De vraag is dus niet waarom wij in het Frans schrijven, maar hoe’.

Tadjo’s uitspraak is de zoveelste bijdrage aan wat wel wordt aangeduid als het debat rond het einde van de francofonie en het begin van de ‘littérature-monde en langue française’. Salman Rushdie, Kiran Desai of Zadie Smith zijn nooit ‘anglofone’ schrijvers genoemd, ‘anglophonia’ is nooit een term geweest om het voormalig Engelstalige imperium aan te duiden. Surinaamse schrijvers hebben zich nooit tegen de Nederlandse literatuur afgezet, integendeel ze beklagen zich juist over de onzichtbare plek die ze er innemen. In de Franstalige wereld ligt dat onderwerp gevoelig. Hoe serieus deze discussie moet worden genomen bleek onlangs ook uit het verschijnen van Pour une littérature-monde bij uitgeverij Gallimard, een lijvig boek met stukken van 27 Franstalige auteurs, onder redactie van Jean Rouaud en Michel Le Bris.

Nirwana

De meest uitgesproken bijdrage komt van Alain Mabanckou, de in Congo geboren, in de VS docerende auteur die doorbrak met zijn roman Verre cassé. Het woord ‘francophonie’, stelt hij, heeft per definitie een politieke bijsmaak, want onderhands gaat het toch om een voortzetting van de Franse koloniale politiek. Bovendien is de ‘Franse literatuur’ met haar lange traditie en haar geprivilegieerde wereld van prijzen, Parijse uitgevers en machtige kritiek een gesloten bastion voor wie van elders komt. Parijs is het centrum en de perifere literaturen kunnen daar hoogstens verlangend omheen zwerven. Vanuit dat nirwana wordt er neerbuigend gekeken naar schrijvers die op de deur kloppen: een francofone auteur, of hij nu uit Québec of uit Haïti komt, bestaat pas als hij van Parijs een literair ‘paspoort’ heeft bemachtigd.

Het is bovendien merkwaardig, schrijft Tahar Ben Jelloun, dat schrijvers als Cioran, Beckett of Ionesco nooit tot de francofone schrijvers worden gerekend. Alleen de ‘métèques’, die met de vinger worden nagewezen, moeten zich rechtvaardigen en hun ‘papieren’ laten zien.

Mabanckou heeft bovendien genoeg van de veelgehoorde uitspraak dat ‘de francofone schrijver de Franse taal verrijkt’, haar redt van haar zogenaamde aderverkalking. Dat is helemaal geen compliment, briest hij, het onderstreept nog eens die ‘lien de subordination’, wijst op het gebrek aan autonomie van de francofone schrijver: hij bestaat alleen maar in relatie tot zijn collega de Fransman.

Daarmee moet het maar eens afgelopen zijn, vindt Mabanckou. Iedere schrijver die zich van de Franse taal bedient heeft tenslotte tot taak iets aan de wereld bij te dragen. De van oorsprong Afrikaanse auteur, zoals Mabanckou zelf, zou zich bijvoorbeeld moeten bevrijden van de ingesleten overtuiging dat literatuur per definitie ‘drinkt aan de bron van de gemeenschap’ en ‘de griffier van het verleden’ is. Het taboe van schrijven over een individu zou doorbroken moeten worden, het universele is immers ‘het lokale min de muren’. Mabanckou eindigt met een hartstochtelijk pleidooi voor een ‘littérature-monde en langue française’, waarbij de Franse taal alleen wordt beschouwd als een geërfd werktuig dat wordt ingezet om de wereld te verkennen en te duiden.

Om aan te haken bij de zinnige conclusie van Véronique Tadjo: hoe wordt er dan in het Frans geschreven? In ieder geval kleurrijk en geestig door Mabanckou zelf. In zijn vorig jaar met de Prix Renaudot bekroonde roman Mémoires de porc-épic verwoordt hij met humor en tederheid de legende die wil dat ieder mens een dierlijke dubbelganger heeft. In zijn soms hilarische roman loopt een stekelvarken zich het vuur uit de sloffen om een crimineel aangelegde nietsnut in zijn misdaden te ondersteunen. Fabel en realiteit, mythe en werkelijkheid lopen door elkaar heen.

Hoe anders is dat bij de Algerijnse schrijver Boualem Sansal, wiens vierde, indrukwekkende roman Harraga onlangs in het Nederlands verscheen, een kunststukje van de hand van vertaler Jan Versteeg. Als ingenieur en econoom bekleedde Sansal een hoge functie op het Algerijnse ministerie van Industrie, maar hij werd na zijn debuutroman, Les serments des barbares, in 1999 ontslagen.

Sansal neemt geen blad voor de mond, bespot de machtsbeluste politieke leiders, verafschuwt de fundamentalisten, verwoordt de angst van de burger, verbeeldt de chaos waarin zijn vaderland is beland. In Algerije waren er drie magnifieke talen, schrijft hij in Pour une littérature-monde, het Berbers, het Frans en het dialectisch Arabisch, ‘we gebruikten ze allemaal door elkaar, zonder probleem’. ‘Op een morgen zijn onze mooie talen ontbonden en vervangen door een taal die werd geïmporteerd door de handelaars in macht.’ Wat harmonie was werd kakofonie.

In Harraga, deels roman, deels poëzie, deels woedende beschouwing, kijkt Sansal naar Algerije door de ogen van een alleenstaande vrouwelijke arts, wier jongere broer een ‘harraga’ is geworden, een ‘straatslijper’, een gelukszoeker op weg naar een manier om naar Europa te emigreren. ‘Eigenlijk biedt het leven weinig keus, weggaan, blijven, vergeten, steeds aan hetzelfde denken. Wat je zou willen, is je fantasie laten gaan, het onmogelijke proberen, de duvel aan zijn staart trekken, de hele samenleving omver gooien, de maan met de handen grijpen, een nieuwe godsdienst stichten, de massa’s bevrijden, in een vlinder veranderen, naar de sterren reizen, weet ik veel.’

Tanden

Intens somber is de grondtoon van Sansals werk. ‘Duisterheid is vaak de enige manier te zeggen wat je denkt’, schrijft hij in de bundel, ‘en bovendien, is het wel zo gezond om je ideeën helder uit te spreken? Je zou eens moeten zien hoe helder je nog spreekt als je 32 tanden minder in je mond hebt. Spreken is gevaarlijk, schrijven is nog erger.’

Het zijn niet alleen de van oorsprong Afrikaanse schrijvers die een lans breken voor een wereldliteratuur in het Frans. De Frans-Canadese schrijfster Nancy Huston is van de partij, de in Boedapest geboren Eva Elmassy en de oorspronkelijk uit Azerbeidzjan afkomstige Chahdortt Djavann. Met Le dernier frère schreef de Mauritiaanse Nathacha Appanah weer een prachtig boek. Brina Svit, geboren in Ljubljana, publiceerde onlangs de wervelende roman Coco Dias ou La Porte Dorée, over een vrouw die, tussen Parijs en Buenos Aires, in ruil voor danslessen het leven van een Argentijnse tangodanser te boek stelt. De vrouw is ‘half Frans, half ik-weet-het-niet.’ Dat is ideaal voor een romanschrijver, schrijft Svit in Pour une littérature-monde, ‘een formule die ruimte laat voor een andere identiteit, voor een andere waarheid. Hij verwijst naar de openheid en de nieuwsgierigheid waar je bij het schrijven niet buiten kunt, suggereert dat je je ongemakkelijk voelt en wijst tegelijkertijd op vrijheid. Je plaatst je buiten de nationale literaturen. Je bent van niemand.’

Als deze bundel iets laat zien, is dat niet dat die Franstalige wereldliteratuur er zal komen, maar dat zij er al is.

Alain Mabanckou: Mémoires de porc-épic. Le Seuil, 229 blz. € 20,90Boualem Sansal : Harraga. Vert. Door Jan Versteeg. De Geus, 286 blz. € 22,50Brina Svit: Coco Dias ou La Porte Dorée. Gallimard. 246 blz. € 17,90