Gezelschap

Alsof er nog niet genoeg mensen op aarde rondlopen, hangen ze in elke winkelstraat en springen ze tevoorschijn in etalages. Het wemelt van de mensen op flessen, bussen, bushokjes, vrachtwagens en tijdschriften. Musea hangen er vol mee. Ze staan zelfs in mijn ijskast en onder in mijn gootsteenkastje.

In de tearjerker Castaway uit 2000, een film waarin Tom Hanks op een onbewoond eiland aanspoelt, zag ik een scène waardoor ik iets meer begreep van de menselijke behoefte de eigen soort af te beelden. Tom Hanks levert elke dag een strijd om te overleven. Hij bouwt een hut, plukt bessen en vangt een vis. Maar er ontbreekt iets. Ik had niet eens begrepen dat hij eenzaam was, zo druk had Hanks het met het vergaren van voedsel. Maar toen hij een gezicht tekende, er gezellig bij ging zitten en er schuchter naar lachte, begreep ik pas hoe diep de afgrond was in deze man.

Ik weet niet meer precies waar Hanks het gezicht op tekende. Het was niet meer dan een smiley. Toch geeft het hem gezelschap en het stelt hem gerust. Ik weet niet meer of Hanks gered werd van het eiland, of hij het heeft overleefd. De aandoenlijke verhouding tussen de geharde man en de pop is het enige dat ik me echt herinner van de film.

Ik wist wel dat relaties voor een groot deel uit projectie bestaan maar ik had het nooit zo duidelijk verbeeld gezien. Ik zag een tijdlang in elk gezicht een smiley, en ik zie het soms nog steeds: wie is dat, die naar me staat te lachen? Is dit gezicht van de ander, of vul ik het zelf in? Deze vragen kun je je beter niet stellen wanneer je eenzaamheid wilt vermijden.

Frank Starik begeleidt ‘eenzame uitvaarten’. Hij zorgt dat mensen zonder vrienden of familie in elk geval een dichter bij hun kist hebben staan om de begrafenis wat op te vrolijken. Ik heb zelf eens bij een eenzame uitvaart een gedicht voorgedragen dat ik in opdracht van Starik voor de overledene had geschreven. Ik voelde me een beetje opgelaten, en vreesde dat ik me schuldig maakte aan ongewenste intimiteit. Wie weet hield de overledene helemaal niet van gedichten. Ik heb mijn gedicht tegen de kist aan gestameld en ging zo gauw mogelijk weer zitten.

Ik liet me aan de begrafenisleider ontvallen dat ik graag een gezicht van de overledene had gezien. „Het is vreemd een gedicht te schrijven voor iemand die je nooit hebt gezien”, legde ik uit. De begrafenisleider haalde prompt een fototoestel uit zijn binnenzak en zei me trots dat hij me het gezicht van de overlevende kon tonen. Hij had foto’s gemaakt van de man die na een sprong uit een brandend huis in het ziekenhuis was overleden. Ik raakte in paniek terwijl hij begon te zoeken naar de afbeelding in zijn camera. Bij het maken van het gedicht probeerde ik een gezicht te vormen van de enkele gegevens die me van de man bekend waren. Maar ik had geen enkel verlangen hem werkelijk te zien. Hoe kon ik dat uitleggen aan de begrafenisleider die mij zo ter wille was?

„Zou ik ze per ongeluk gewist hebben? Er staat geen enkele afbeelding meer op mijn camera”, zei hij en overhandigde me de camera om zelf te kunnen zoeken. Starik en ik hebben allebei vluchtig gekeken maar konden gelukkig niets vinden.

De begrafenisleider maakte zijn verontschuldigingen. „Een dode mus”, sprak hij teleurgesteld.

Pas veel later heb ik me afgevraagd waarom iemand die dagelijks mensen begraaft foto’s van ze maakt.