Genadeloze hamerslagen

Al wordt in Strauss’ symfonische gedicht Tijl Uilenspiegel ter dood gebracht, toch klinkt daarna nog zijn lach. Zijn snaakse geest blijft leven. Dood, maar toch niet, dat is het mooiste in de muziek

De meeste niet-komische opera’s uit de negentiende ene twintigste eeuw eindigen met de dood van een of meerdere hoofdpersonen. En vrijwel altijd is het een niet-natuurlijke dood: moord met een dolkstoot, een pistoolschot, gruwelijk werkend gif en verwurging of waanzin, zelfmoord, oorlog, hongerdood door opsluiting, gekte, een duel, onthoofding, een fataal goddelijk oordeel, een gebroken hart, perversie, de brandstapel, de ondergang van de wereld.

Voor wie niet van opera houdt, is het vaak een aanleiding voor spot. Langdurig zingend sterven is onnatuurlijk en belachelijk, hoe lastig het ook in de praktijk is om iemand met onmiddellijk gevolg te doden. Toen de Zweedse koning Gustav III in 1792 door hovelingen tijdens een gemaskerd bal werd neergeschoten, duurde het dertien dagen voor hij dood was. In Verdi’s opera Un ballo in maschera duurt zijn sterfscène slechts rond de vijf minuten.

Voor de echte operaliefhebber is de dood het fundament voor het muziektheatrale drama. De dreiging van de dood en de manier waarop die gestalte krijgt in zingen en enscenering, brengt de spanning in de voorstelling, zet het drama op scherp. Dat leidt bij de toeschouwer tot bezinning op leven en dood, het overdenken hoe mensen met elkaar omgaan, ook nog lang na het verlaten van het theater.

In de meeste orkestmuziek uit de laatste twee eeuwen speelt de dood juist geen grote rol. Natuurlijk zijn er de dodenmarsen bij Beethoven en bij Mahler – maar dan aan het begin van sommige symfonieën, die later triomfantelijk eindigen. De dood is vergeten, overwonnen of leidt tot een gelukzalig vredig en eeuwig hemels leven. Zoals in Tod und Verklärung en Ein Heldenleben van Strauss. Gesterkt, opgewekt, positief toegerust voor het dagelijks leven verlaat men de concertzaal.

Uitzonderingen zijn er altijd. Zoals de Zesde symfonie ‘Pathétique’ van Tsjaikovski en de Zesde symfonie ‘Tragische’ van Mahler. Maar Rachmaninovs Dodeneiland, een zwaarmoedige muzikale verbeelding van het schilderij Toteninsel van Arnold Böcklin eindigt in etherische sfeer. En al wordt in Strauss’ symfonische gedicht Till Eulenspiegel de schelm ter dood gebracht, toch klinkt daarna nog zijn schalkse lach. Zijn snaakse geest blijft leven.

Geen van de symfonieën van Beethoven, Schubert, Schumann, Brahms, Bruckner, Prokofjev en Sjostakovitsj eindigt met de dood. En behalve Das klagende Lied en de ‘Tragische’, gaat bij Mahler alles opwaarts, van beneden naar boven, van de aarde naar de hemel of naar de oneindige kosmos. Ook in pianoconcerten, celloconcerten en vioolconcerten is de uitbeelding van de dood geen onderwerp. Het Vioolconcert van Alban Berg is ‘slechts’ een in memoriam, een herinnering aan het leven, een ‘memento mori’.

Waarom toch willen componisten en operabezoekers op het theaterpodium wat anders zien en meemaken, dan wat ze ondergaan in de concertzaal? Zelf zie ik graag ellende en dood in opera. Niets ergers dan een geforceerd happy end met een ‘deus ex machina’, een god die plots na onmenselijke beproevingen toch maar zijn hand over zijn hart haalt, zoals in Glucks Orfeo ed Euridice.

Zo wordt gelukkig tegenwoordig door regisseurs het vroeger als vrolijk beschouwde slot van Mozarts Cosí fan tutte gepresenteerd als tragisch. Het wederzijdse en dubbele overspel wordt niet langer weggewuifd, maar tekent de vier jongelui voor de rest van hun leven. Nooit meer zullen ze de illusie hebben dat liefde iets moois en puurs is. Nimmer zullen ze nog het vertrouwen hebben dat men een geliefde op zijn woord kan geloven. Ook dat is een soort dood: het definitieve einde van onbekommerde onschuld. Het meemaken daarvan is een levensles, de cruciale functie van kunst.

De klassieke orkestrale muziek is abstract, een esthetisch spel, in Beethovens ‘Pastorale’ een verbeelding van de schoonheid der natuur. Al ben ik een groot Mahlerliefhebber, na het horen van de Zesde symfonie, de ‘Tragische’, ben ik dat een tijd lang niet meer. De Zesde eindigt met doffe doodklappen van een houten reuzenhamer op een holle houten kist. Dood! Dood!! Een soort dood zonder hoop op een ander of nieuw leven.

Als muziek in de concertzaal zo aanschouwelijk morbide wordt als in de genadeloze hamerslagen in Mahlers ‘Tragische’, wordt orkestmuziek bijna even onverdraaglijk als het Dies Irae in de requiems van Berlioz en Verdi: de overdonderende en schrikwekkende aankondiging van de Apocalyps en van de eigen dood. Hoeveel liever luistert men niet naar het slot van de Vierde symfonie van Mahler: een lied over het hemelse luilekkerland en de mooiste engelenmuziek.