Geluk is voor de dommen

Verhalen hebben geen happy end nodig om troost te kunnen bieden. Zo’n einde neemt een loopje met de waarheid. Drie filosofen over geluk en ongeluk in films en romans. ‘Het is onvoorstelbaar hoeveel leed een mens kan verdragen.’

IIt’s a Wonderful Life, The Sound of Music, Sleepless in Seattle, About A Boy, Alles is Liefde.... Het aantal films dat goed afloopt is ontelbaar. Er is ook niets fijner dan, terwijl het buiten sneeuwt en de zwervers onder hun kartonnen dozen wegkruipen, binnen behagelijk op de bank een traantje weg te pinken terwijl de hoofdpersonen elkaar in de armen vallen.

Maar waarom kijken we hier zo graag naar? Films met een happy end hebben een verdovende werking, meent filosoof en psychiater Gerrit Glas (1954). „Je kan het enigszins vergelijken met het grijpen naar de fles.” De Leidse hoogleraar zit ook wel eens een hele avond ‘te buizen’. „Maar dat betekent niet dat ik de wereld niet kan verdragen, dat is overdreven.” Ons verlangen naar een happy end komt volgens Glas voort uit het besef dat ‘het ergens ooit zo heeft kunnen zijn’. „In de psychologie noemen we dat paradijsfantasieën.”

Samuel IJsseling (1932), emeritus hoogleraar in de moderne en hedendaagse wijsbegeerte aan de universiteit van Leuven, gaat niet zo vaak meer naar de bioscoop. „Dat is voor mij te ver weg.” IJsseling, die ooit nog colleges volgde bij de Duitse filosoof Martin Heidegger, meent dat verhalen met een happy end ons vooral hoop bieden. „Ze stellen ons in staat om te overleven. Maar dat geldt niet alleen voor verhalen die goed aflopen maar ook voor de verhalen die over het lijden gaan.”

Maarten Coolen, universitair docent filosofische antropologie en cultuurfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam, kijkt geregeld naar romantische komedies. De laatste die hij dit jaar in de bioscoop zag was de Nederlandse hit Alles is Liefde. „Maar ik vraag me wel eens af: waarom kijk ik hier zo graag naar? Het heeft denk ik te maken met het gevoel dat je de wereld soms even niet aankan.”

Coolen heeft wel een verklaring voor het feit dat rond Kerst altijd een paar feelgood movies in de bioscoop verschijnen. Volgens hem kijken mensen juist in deze periode graag naar films met een happy end. „Met Kerst wordt het hebben van ‘een thuis’ ineens belangrijk.”

Opvallend aan verhalen met een happy end is dat ze erg op sprookjes lijken. „De hoofdpersonen moeten een aantal hindernissen nemen voordat ze hun doel kunnen bereiken. Maar uiteindelijk komen de prins en de prinses terecht waar ze horen. Vervolgens ‘leven ze nog lang en gelukkig’. En het grappige is, daarna gebeurt er ook niets meer. Je kan het sprookjesboek met een gerust hart dichtklappen en wat anders gaan doen.”

Alles is liefde is een goed voorbeeld van zo’n modern sprookje, meent Coolen. „Typerend voor zo’n verhaal is dat alles naadloos in elkaar past. Uiteindelijk vindt iedereen zichzelf en komen ze ook allemaal op de juiste plek terecht. Daan Schuurmans ontdekt wie zijn vader is en degenen die een affaire hebben, keren uiteindelijk terug bij hun echtgenoten.”

Zo’n verhaal is fijn, het biedt

troost, maar reëel is het niet. „In de werkelijkheid worden we vaak geconfronteerd met verschillende conflicterende waarden. Je kan verliefd zijn op de buurvrouw maar je gezin niet willen verlaten. En welke keuze je dan ook maakt, het zal pijn doen. Het is nooit zo dat mensen totale harmonie vinden.”

Toch is die hunkering naar zo’n volmaakte wereld een existentieel verlangen. „Het zit in ieder mens”, meent Coolen. „Het heeft te maken met de heimwee naar een plek die we ooit zouden hebben gehad.” Coolen noemt dit besef iets waar vooral de ‘moderne mens’ mee worstelt. „Vroeger wisten we beter waar we thuis hoorden.”

In zijn inleidende colleges cultuurfilosofie heeft Coolen dit wel eens geïllustreerd door te refereren aan de Odyssee, het epos van de Griekse dichter Homerus (800/600 voor Chr.) „Het verhaal van Odysseus wordt vaak verkeerd uitgelegd. Tegenwoordig beschouwt men de Odyssee als een avonturenroman. Maar in feite is dit een verhaal over terugkeer. Odysseus weet waar hij thuishoort: namelijk bij zijn vrouw Penelope op het eiland Ithaca. Hij verlaat haar, trekt ten strijde, wordt zelfs verliefd op de nimf Calypso. Maar hij kan dit slechts doorstaan omdat hij weet dat hij zal terugkeren naar Penelope. Zijn hogere waarheid schuilt in het besef dat hij die bestemming heeft.”

De moderne mens heeft volgens Coolen deze traditionele bestemming verloren. „Door allerlei ontwikkelingen in de wetenschap en de filosofie is de positie van de mens in de wereld veranderd. We zijn niet langer opgenomen in een goddelijke orde.” Met het wegvallen van God en de daarbij behorende religieuze overtuigingen zijn we op onszelf teruggeworpen. Het gevolg is dat we ons eigen leven moeten invullen. Dat maakt de mens onrustig, meent Coolen. „We zoeken telkens naar iets anders: een andere baan, een leuker huis of een nieuwe relatie.”

De socioloog Helmuth Plessner heeft het met betrekking tot dit probleem over ‘de grondwet van de utopische standplaats’. „We zijn altijd op zoek naar een laatste houvast”, zegt Coolen. „Maar we kunnen het niet vinden. Plessner noemt dit ‘utopisch’ omdat we die plek niet kunnen vinden: utopie betekent: geen plaats.”

Samuel IJsseling kan zich wel vinden in de opvattingen van Coolen. Maar Das Unheimliche – het gevoel nergens thuis te zijn – hebben we volgens hem altijd al gekend. „Het onbehagen niet verzoend te zijn met de eigen situatie is niet alleen een modern gevoel maar ook een oude ervaring. In de middeleeuwse christelijke wereld heeft men zich misschien wel thuis gevoeld in de goddelijke orde. Maar sinds dit is weggevallen weten we niet waarom we er zijn. Dat gevoel van leegte hoort bij de mens.”

Verhalen zijn volgens IJsseling ‘spiegels waarin we kunnen ontdekken wie we zijn’. In 1994 publiceerde hij de studie Apollo, Dionysos, Aphrodite en de anderen. Daarin verbindt hij de Griekse godenverhalen met grote menselijke thema’s zoals de dood, de liefde en het geluk. „Die fascinatie voor de klassieke oudheid kreeg ik in de hongerwinter. Mijn vader vertelde in die tijd vaak verhalen uit de Griekse mythologie.” Volgens IJsseling lopen de grote verhalen uit de Westerse traditie over het algemeen niet goed af. „Neem de mythe van Oedipus, Medea of Antigone. Of de negentiende eeuwse romans zoals Madame Bovary van Flaubert of Anna Karenina van Tolstoj. Al die verhalen lopen niet goed af maar toch genieten mensen ervan. Dat is geen leedvermaak, integendeel.” De functie van de tragedie of van de moderne roman is volgens IJsseling dat ‘het verdriet wordt geobjectiveerd’. „Het feit dat hier groot lijden wordt voorgesteld geeft de lezer of toeschouwer kracht. Deze verhalen kan je zien als een vorm van troost en een mogelijkheid om met het eigen lijden om te gaan.”

Verhalen met een happy end hebben eveneens een troostende werking. Maar er wordt wel een loopje met de waarheid genomen. „De uitdrukking: hoop doet leven, bestaat niet voor niets”, zegt IJsseling. „Maar het is wel belangrijk om je te realiseren dat die hoop een illusie is. Uiteindelijk loopt het met ons allemaal slecht af.”

Veel romans houden ons voor

dat het leven geen lolletje is. En er zijn ook heel wat films die ons wijzen op de schaduwkanten van het bestaan. Neem de klassieker Gone With the Wind (1939) of denk aan het dramatische einde van Casablanca (1942). Desondanks blijft men in Hollywood erg gesteld op verhalen met een goede afloop.

In 1988 werd van de roman Het Gouden Ei van Tim Krabbé door George Sluizer een Nederlandse film gemaakt met de titel Spoorloos. De film bleek een succes en de regisseur kreeg het verzoek van deze film ook een Amerikaanse versie te maken, The Vanishing. Maar wel onder één voorwaarde: er moest een happy end komen. In de Amerikaanse film werd het slot ingrijpend gewijzigd. Hollywood vond het ontoelaatbaar dat de mannelijke hoofdpersoon, Rex Hofman, hetzelfde dodelijke lot zou ondergaan als zijn acht jaar tevoren spoorloos verdwenen geliefde Saskia Ehlvest.

Tim Krabbé reageerde destijds in het Parool met de woorden: „Ze kopen mijn verhaal en gooien het vervolgens weg. Het zijn lafaards. Ze hebben daar een handboek liggen waarin staat dat slechte eindes niet kunnen en dus doen ze het niet. Dat is echt Amerikaans, echt Hollywood, waar volgens mij nooit een fatsoenlijke film vandaan is gekomen. Het is een fabriek van dromen.”

Hier zegt Krabbé iets waar IJsseling ook op wijst. „De bioscoop wordt niet voor niets een ‘droomfabriek’ genoemd. Het is net als met sprookjes. De meeste sprookjes die we nu aan onze kinderen voorlezen zijn gecensureerd. Het originele verhaal was vaak veel gruwelijker.” Zo was de jaloerse moeder van Sneeuwwitje in het originele verhaal van de gebroeders Grimm niet haar stiefmoeder maar haar biologische moeder. IJsseling vindt het jammer dat die gruwelijkheid is afgezwakt want deze heeft volgens hem een functie. „Vaak worden kinderen in sprookjes verlaten door hun ouders. Dat zoiets wordt verwoord geeft het kind de mogelijkheid om iets te doen met zijn impliciete, onverwerkte fantasieën. Door dit soort nare gedachten hardop uit te spreken, valt een deel van de spanning weg, het heeft een kanaliserende werking. Hetzelfde geldt voor volwassen. Wanneer ze bijvoorbeeld hun problemen aan een ander vertellen, draagt dit voor een deel al bij aan de oplossing.” Sprookjes hebben, kortom, een belangrijke psychologische werking. „Het maakt dat kinderen zich bewust worden van zichzelf en van hun omgeving.”

Het vergroten van die zelfkennis is ook een van de belangrijke functies van verhalen. En dit zelfbewustzijn groeit naarmate we meer beseffen dat we niet in een perfecte wereld leven. Opvallend is dat de meeste romans, in tegenstelling tot films, niet goed aflopen. Net als tragedies vormen ze een imaginaire ruimte die tijdelijk inzicht biedt in kwesties waar we in het normale leven gek van zouden worden. Brute moorden, vreselijke geestelijke of lichamelijke kwellingen, grote morele dilemma’s – alles kan op een veilige afstand worden opgenomen. Vooral de waarheid die J.C. Bloem weergeeft in het gedicht Insomnia is moeilijk te bevatten:

Denkend aan de dood kan ik niet slapen,En niet slapend denk ik aan de dood,En het leven vliedt gelijk het vlood,En elk zijn is tot niet zijn geschapen.

Maar betekent dit dat romans die ‘goed aflopen’ of ‘hoop bieden’, zoals de boeken van Jane Austen of Dostojevski’s Misdaad en straf ons voor het lapje houden en slechts verblinden?

In Misdaad en straf begaat de hoofdpersoon Raskolnikov een vreselijke misdaad. Hij slaat het hoofd in van een oud vrouwtje. Maar daar blijft het niet bij. Raskolnikov krijgt last van zijn geweten en gekweld door vreselijke wroeging komt hij tot inkeer. Je kan dit een ‘happy end’ noemen zonder dat het de roman verpest. Het einde geeft de lezer namelijk niet het idee dat hij het boek met een gerust hart kan dichtslaan en verder kan dromen over een onschuldige, conflictloze wereld.

„Raskolnikov doet iets onvoorstelbaars”, zegt Gerrit Glas, „en vervolgens omarmt hij zijn schuld. Daardoor wordt hij een soort Christusfiguur. In de tragedie bestaat de menselijke schuld niet, je bent slachtoffer van het noodlot. Het leed dat je ondergaat heb je niet aan jezelf te danken. Maar romans, zoals De gebroeders Karamazov of Misdaad en Straf, tonen de lezer de onvermijdelijkheid van de eigen schuld.”

Door dit soort verhalen begrijpen we dat het leven voor een groot deel wordt bepaald door foute keuzes en mislukkingen. Maar de essentiële vraag blijft volgens Glas: wat durven we onder ogen te zien? „Het moeilijkste voor de mens is om te erkennen dat hij zelf heeft bijgedragen aan zijn eigen ongeluk.”

Dat komt bijvoorbeeld

tot uitdrukking in het oer-verhaal van Genesis. „Doordat Eva de vrucht van de boom plukt wordt de band tussen mens en God verbroken”, zegt Glas. „Maar als God vervolgens aan Adam vraagt waarom hij en Eva allebei van de boom hebben gegeten, geeft Adam de schuld aan Eva en Eva de schuld aan de slang die haar verleidde. Het gevolg is dat de mens van zichzelf en van de ander vervreemdt en dat ze zich voor het eerst voor elkaar gaan verbergen. Er staat dat hun ogen werden geopend en dat ze zich realiseren naakt te zijn. Ze voelen zich onbeschermd en onveilig.”

Volgens Glas is het een van de merkwaardige wetten van de psychologie dat het menselijk geluk diepte krijgt door de nabijheid van het ongeluk. „Geluk krijgt meer reliëf als het tegendeel op de achtergrond voelbaar blijft. Onverdeeld geluk is slechts een enkeling gegeven, en die noemen we dan naïef. Naarmate we meer besef van onszelf krijgen, gaat het ongeluk een grotere rol spelen.”

Veel van de verhalen uit het Nieuwe Testament gaan over deze thematiek. Het wordt in verband gebracht met de menselijke schuld. „En niet alleen dat. De mens beseft dat hij zijn ellende aan zichzelf te danken heeft. Tegelijkertijd hoopt hij toch dat het kwaad niet het laatste woord heeft.”

Die hoop is volgens Glas een ingewikkelde kwestie. „Zeker als je kijkt naar het lijdensverhaal en de opstanding. God ziet het menselijk tekort niet door de vingers maar zoekt ‘recht’. Jezus moet eerst lijden maar staat uiteindelijk op uit de dood. Dit impliceert dat door de diepste vernederingen te ondergaan dingen kunnen worden rechtgezet. Bij de volgelingen van Jezus zijn lijden en ongeluk onlosmakelijk verbonden met hun bestaan.”

Uit het Nieuwe Testament blijkt dat het kwaad groter is dan de mens. „Maar anders dan in de tragedie laat het zien hoe het kwaad uiteindelijk wordt overwonnen.” Of dit moet worden opgevat als een happy end betwijfelt Glas. „Ik vraag me af of ons lijden niet vaak te groot is. Het is soms onvoorstelbaar hoeveel leed een mens kan verdragen. Maar ik denk dat in de hoop, in het geloof in het goede, een religieuze kracht schuilt. Die hoop is niet alleen maar een overlevingsmechanisme. Die reikt veel verder dan alleen maar het voorkomen van pijn.”

Hoeveel verder die hoop reikt, wordt op een eenvoudige manier verwoord door Prior Walton (Justin Kirk) in Angels in America (2003). In deze televisieserie speelt Kirk een aidspatiënt die, na een vreselijk ziekbed, in de hemel belandt, waar hij de keuze krijgt te blijven of terug te gaan naar aarde. Zonder enige vorm van twijfel legt hij aan een hemels comité uit waarom hij terug wil. „Ik wil verder leven. Ik kan het niet helpen [...] Misschien is het moediger om te sterven, maar het leven is mij vertrouwd.” Uiteindelijk, hoezeer we ook hechten aan een happy end, is de onvolmaakte wereld aanlokkelijker dan de hemel.