Eindelijk een echt leven leiden

Na jaren wachten kregen de families Evanaki en Nathani een verblijfsvergunning.

Maar hoe doe je dat daarna, een toekomst opbouwen?

Kun je zo intens naar iets verlangen dat je niet meer blij kunt zijn als je het ein-de-lijk krijgt?

Ja.

Angelo Nathani (16) uit Apeldoorn wachtte elf jaar op een verblijfsvergunning. Sinds een paar weken heeft hij het plastic pasje in zijn binnenzak. Als hij het anderen vertelt, kijkt hij erbij alsof hij zegt dat hij graag gebakken aardappelen lust. Je lacht er niet eens bij, zeggen ze tegen hem. Angelo zou best dolgelukkig willen zijn. „Ik denk dat ik aan het idee moet wennen”, zegt hij dan maar.

Lida Asmaili Evanaki (36) uit Groningen wachtte tien jaar op een verblijfsvergunning. Half oktober kreeg ze die. Een paar maanden terug dacht ze nog dat ze meteen een gigantisch feest zou geven. Ze had al een locatie in gedachten. In plaats daarvan ging ze vorige week naar de dokter voor antidepressiva. Daarmee was ze juist enkele maanden eerder gestopt. „Ik kan nu aan de toekomst bouwen”, zegt ze, „maar ik ben geestelijk kapot. Ik vind het moeilijk verder te kijken dan de dag van morgen.”

Begin dit jaar werd duidelijk dat Angelo (en zijn vader, moeder en zus) én het gezin van Lida (met man en dochter) hoogstwaarschijnlijk onder een generaal pardon zouden vallen. Angelo en zijn familie komen uit Liberia, Lida en haar man uit Iran. Beide gezinnen vertelden toen hoe ze, na jaren van onzekerheid als uitgeprocedeerde asielzoekers, weer hoop durfden te hebben. Angelo had al jaren lichamelijke (buikpijn, misselijkheid, zware hoofdpijn) en psychische problemen door de onzekere situatie.

Dunnia Martin, de moeder van Angelo, serveert de avondmaaltijd op een tafeltje van een vierkante meter in hun eenkamerwoning van vijf bij vijf meter. Het gezin woont in Apeldoorn, aan een park, in een grote villa van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). Dunnia voelt geen blijdschap om de verblijfsvergunning. „Ik voel helemaal niets meer”, zegt ze. Het klinkt niet wanhopig. Meer als een constatering. Ze slikt al jaren zware medicijnen. Antidepressiva. Ze kijkt rond in de propvolle kamer. De familie slaapt in een tweepersoonsstapelbed. Angelo boven, zijn ouders onder. Zenna (25), de oudere zus van Angelo, slaapt er zo min mogelijk.

„Eigenlijk”, zegt Dunnia, „wil ik hier blijven, in deze kamer.” In de afgelopen elf jaar verhuisde ze twaalf keer. Doordat er minder asielzoekers komen, sloten steeds meer centra. De familie Nathani woont sinds begin dit jaar in Apeldoorn. Angelo en zijn vader lachen om Dunnia. „Nou, dan laten we je hier achter”, grapt vader Gobind.

Een asielzoeker die afwacht of hij in Nederland mag blijven of niet, mag niets doen. Niet werken, geen opleiding volgen en geen Nederlands leren. Gobind heeft altijd geweigerd niets te doen. Hij deed het enige wat hij wel mocht: vrijwilligerswerk. Voor het COA. „Om bezig te zijn, om de gedachten niet te laten rondmalen”, zegt hij. Hij werkt als een soort huisbaas, verantwoordelijk voor de hygiëne, veiligheid en leefbaarheid. Het COA complimenteerde hem onlangs met de rust die sinds zijn komst heerst in het Apeldoornse huis.

Alleen asielzoekers die voor april 2001 asiel aanvroegen, kwamen in aanmerking voor het generaal pardon. Deze ‘pardonners’ wonen dus sowieso ruim zes jaar in Nederland, meestal veel langer. Na jaren van gedwongen nietsdoen begint met het verkrijgen van een verblijfsvergunning plotseling het echte leven. Asielzoekersgezinnen moeten op zoek naar een woning, naar werk, ze moeten een uitkering aanvragen, een burgerservicenummer, kinderbijslag en belasting gaan betalen. „Weet jij hoe dat moet”, vraagt Gobind. Het COA heeft wel een wekelijks informatie-uurtje, „maar de rij is lang”, zegt Gobind.

Lida Asmaili Evanaki brengt de Kerstdagen en Oud en Nieuw door in Noorwegen, zegt ze. Daar heeft ze familie. Het is voor het eerst dat ze het land gewoon kan verlaten. In 2008 gaat ze allereerst een baan zoeken, zegt ze. „Maakt niet uit wat, bedienen in een restaurant of zo. Het lijkt me zo heerlijk als er allerlei acceptgiro’s op de mat vallen die ik eens gewoon kan betálen.”

Verder dan dat denken is lastig. Lida is psychologe. Ze voltooide haar studie in Iran. Ze heeft geïnformeerd of ze aan de universiteit van Groningen die studie kan oppakken, zonder alles opnieuw te hoeven doen. Dat kon. „Ik vind het moeilijk, maar ik moet aan de toekomst werken, voor mijn dochter.” Voordeel voor Lida is dat zij, haar man en dochter Sogand (10) al die jaren in een gewoon huis woonden en niet in een asielzoekerscentrum. Verhuizen hoeft ze niet.

Haar dochter zit al op een gewone basisschool en niet op een school met alleen asielzoekerskinderen. Ze heeft veel vriendinnen in de buurt, die ze gewoon kan behouden. Lida heeft ook veel Nederlandse vrienden. Voor Sogand – een welbespraakt, springerig meisje – was terugkeer naar Iran nooit aan de orde, zegt Lida. „Haar leven is hier. Ze kan zich geen voorstelling maken van iets anders.”