Een knopenboom

Over meerstammigheid. Aflevering in een serie over bekende en onbekende bomen in Nederland.

Mensen schrijven brieven om me te attenderen op bijzondere bomen – bijzonder oud, bijzonder groot of bijzonder vreemd. Zo zou ik eigenlijk eens naar Rusland moeten om in de buurt van Kaliningrad bomen te zien die zich inderdaad (blijkens ingesloten foto’s) lijken los te rukken uit de aarde om op de vlucht te slaan. Maar ik heb natuurlijk mijn eigen bijzondere bomen.

Bijzonder boeiend vind ik het verschijnsel meerstammigheid. Dan heb je één boom die zich, door welke oorzaak dan ook, over meerdere stammen heeft verdeeld, of meerdere bomen die, door welke oorzaak dan ook, één groeiplaats delen. Dat laatste is duidelijk het geval als het verschillende soorten betreft. Ik weet bijvoorbeeld bij de Postbank een berk en een eik die van de voet tot de knie volledig met elkaar vergroeid zijn; er zit geen millimeter tussen. Als ik daar langsga, moet ik altijd aan een oudoom denken, die ons op zijn klompen liet staan en dan begon te lopen.

Hier zou de eik het kind zijn en de berk de oom. Maar het kan ook zijn dat de berk harder en brutaler gegroeid is, zodat juist de eik de oudste rechten zou hebben. Of misschien is wat hier vertoond wordt alleen maar mogelijk als ze precies tegelijk begonnen zijn.

Je staat daar te kijken en je vraagt je af hoe die de wortelruimte verdeeld hebben, die twee, en hoe ze hun systemen gescheiden hebben weten te houden, want berk en eik hebben verschillende manieren van hout maken, géén gedeelde bloedsomloop dus, géén Siamese tweeling. Maar dat de één valt als de ander valt, lijkt me zeker.

Zo ken ik, zij het minder spectaculair, ook combinaties van berk en beuk, beuk en eik, eik en grove den. Gewoon een beetje in het bos lopen en af en toe om je heen kijken.

De vreemdste boom op mijn vaste routes is wel een ongeveer negenstammige beuk in de bossen achter Rozendaal. Ja, dat is nu bos, maar hij heeft ongetwijfeld ooit als een baken in uitgestrekte heidevelden gestaan.

Deze beuk lijkt te zijn ontsproten aan een uitgesproken wanordelijk brein, of aan de pen van iemand die een oersaai telefoontje moest uitzitten. Hij lijkt op een droedel! Een stuk of negen stammen uit één stoel, die bovendien op wel twaalf plaatsen met elkaar verbonden zijn.

Je ziet wel eens een tak die al zo lang langs een naburige stam schuurt dat de schors helemaal is opgestroopt, zodat hij daar kan vastgroeien. Maar dan zit de verbinding aan de zijkant. Hier zie je takken die uit het midden van de ene stam zijn overgestoken naar het midden van de andere. En muurvast. Ik begreep er niets van.

Toen ben ik er eens heengelopen met een vriend, een echte bosman. Hij was me bijzonder erkentelijk. „Een knopenboom”, riep hij spontaan uit. Hij had zoiets ook nog nooit gezien, maar hij had erover gelezen. Naderhand stuurde hij me een fotokopie van een pagina uit een boek uit 1959.

Willy H. Heitling, De Achterhoek, kriskras langs Berkel en Slinge, uitgeverij De Tijdstroom, Lochem: „(...) maar even romantisch is vlak in de buurt een knopenlaantje, waar verliefde Vordenaren in jeugdige jaren knopen in takken legden, om later te ontdekken dat veel anderen dat ook hebben gedaan zodat men de eigen knoop niet terug kan vinden.”

Een oeroud, van oorsprong heidens gebruik moet dit zijn geweest. Bij mijn beuk moet je je dan voorstellen dat verliefde stelletjes, waarschijnlijk uit Rozendaal of Velp, die uit Arnhem zullen zo ver niet hebben hoeven gaan, de hei opgingen en twee boomtwijgen aan elkaar knoopten om uiting te geven aan de ernst en de natuurlijkheid van hun verbintenis.

De twijgen van de beuk moeten daarvoor op een bereikbare hoogte nog soepel genoeg zijn geweest. Dat zal algauw honderd jaar geleden zijn. Verliefde stelletjes van honderd jaar geleden – hun namen staan misschien op Heiderust nog samen in een steen gebeiteld, en in het bos staat nog een boom die de herinnering aan hun liefde bewaart.

Koos van Zomeren