Een ‘failed state’ mét de Bom

Pakistan is na de moord op Benazir Bhutto een failed state mét de Bom.

Bijna tien jaar geleden hield een gekozen regering de eerste atoomproef. Daarna ging het snel bergafwaarts. In 1999 greep generaal Pervez Musharraf de macht, en kwam de zeggenschap over het ultieme wapen rechtstreeks aan de militairen – hoge officieren die traditioneel nauw verbonden zijn met de politiek en religieus meest extreme kringen van het land.

Die nauwe band ontstond in de loop der jaren door het conflict met India over Kashmir, maar zij omsloot intussen ook het buurland Afghanistan, waar de door Pakistan op de been gebrachte godskrijgers van de Talibaan een regime van de onverzoenlijken hadden gevestigd.

De beslissende test voor Musharraf kwam op 11 september 2001, de dag waarop volgelingen van Osama bin Laden een einde maakten aan de machtssymbolen van het door hem gehate Amerika. De generaal kreeg de keus voorgelegd het lot van Afghanistan te delen dan wel de trouwste bondgenoot van Washington te worden in de regio.

Tot afgrijzen van zijn aanhang in de strijdkrachten en fundamentalistische groeperingen koos Musharraf voor het laatste. Sindsdien loven president Bush en diens getrouwen de generaal als een bondgenoot waarop zij staat kunnen maken. Sindsdien ook stond het Pakistaanse kernwapen min of meer onder Amerikaanse controle.

In feite werd Musharraf ongewild het symbool van de tang waarin de VS zichzelf gevangen houden. Opeenvolgende Amerikaanse regeringen hebben er nooit moeite mee gehad om regimes te steunen die in hun bestuurlijke praktijk een aanfluiting waren van alles waarvoor Amerika zegt te staan: democratie, rechtsstaat, burgerrechten.

In het ruim veertig jaar durende conflict dat als Koude Oorlog de geschiedenis is ingegaan, werd zelfs in het spraakgebruik een categorie ‘autoritaire regimes’ ingevoerd die, ter onderscheiding van vijandige ‘totalitaire regimes’, de Amerikaanse zaak diende. De folterende en moordende Argentijnse junta en de Chileense generaal-dictator Pinochet mochten zich in de jaren zeventig dankzij die voor politieke opportunisten profijtelijke indeling tot de krijgsmakkers van de VS rekenen.

In 2000 kwam Bush jr. in Amerika aan de macht. De doctrine van de ‘creatieve vernietiging’, een begrip uit de economische wetenschap, werd door hem en zijn neoconservatieve achterban verabsoluteerd tot een geloofsbelijdenis die op alle niveaus van binnenlandse en buitenlandse politiek haar zegenrijke invloed zou laten gelden.

Voortaan zouden landen langs de meetlat van de Amerikaanse democratie worden gelegd. Wanneer die landen niet voor het examen zouden slagen, zou dat ten koste gaan van hun soevereiniteit. Preventieve oorlogvoering werd niet alleen een theoretische mogelijkheid, maar in Irak toegepast als een noodzakelijk instrument in de verdediging van Amerika en zijn bondgenoten.

Het enthousiasme in Washington voor dergelijke neoconservatieve gedachtenspinsels was gedurende Bush’ eerste termijn zo groot dat jarenlang door Amerika in stand gehouden ‘autoritaire’ regimes als dat van Mubarak in Egypte en de emiraten en koninkrijken langs de Golf, hun nervositeit niet langer wisten te verbergen. Amerika ging nu werkelijk voor democratie, zo leek het, ook al zou de democratische uitkomst niet zijn wat in Washington wenselijk werd geacht.

Inmiddels halen de ‘autoritairen’ al weer opgelucht adem. De meeste ‘neocons’ hebben Washington moeten verlaten en ‘good old diplomacy’ blijkt ten langen leste nog steeds van machtsverhoudingen en kaal eigenbelang af te hangen. Maar er zijn ook bedenkingen gebleven.

Stel dat een bevolking in opstand komt (we hebben gezien wat het lot van de sjah van Iran was), hoe wordt voorkomen dat Amerika’s vijanden de macht overnemen, en wat zou dat betekenen in een land met een eigen kernwapen? Het werd tijd voor een nieuw stuk op het bord, iemand als Benazir Bhutto, een vrouw die volksmassa’s in beweging weet te brengen, zonder dat zij van revolutionaire, Amerikavijandige denkbeelden kan worden beticht.

Bhutto meldde zich in oktober jongstleden terug aan Pakistans politieke front. Zij was daarin overtuigend genoeg. Maar interessant was de reactie van Musharraf. Hij liet haar binnen terwijl een andere rivaal, de acht jaar geleden door hem afgezette premier Nawaz Sharif, aanvankelijk de deur werd gewezen. Bhutto had de steun van de Amerikanen, niet alleen van die Amerikanen die haar altijd al ter zijde hadden gestaan, maar van officieel Washington, dat meende via haar charisma het regime van Musharraf én het groeiende verzet daartegen zover te kunnen verzoenen dat een machtsgreep der extremen kon worden voorkomen.

De moord op Bhutto is een groot succes voor de ultra’s. In één klap hebben zij hun gevaarlijkste tegenstander uitgeschakeld en blokkeerden zij de Amerikaanse strategie in Pakistan annex Afghanistan. Want de explosie en de schoten van Rawalpindi echoën verder: het Pakistan van de ultra’s is het rust- en bevoorradingsgebied van de moslimstrijders in Afghanistan. Bhutto aan de macht in Pakistan had voor hen een beslissende tegenslag betekend. Met haar verscheiden is dat gevaar geweken. Haar bindende kracht zou het land een nieuwe kans hebben gegeven. Nu is Pakistan met recht een failed state, een staat in ontbinding. De regio zal de gevolgen daarvan ondervinden.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.