Debutantenbal 2007

Een zeker verlangen naar de rust van het platteland staat tegenover de onthechtheid van het stadsleven bij de debutanten van 2007. Wie zijn de blijvertjes? Of is dat niet te zeggen?

Aan alle debuten mankeert wel iets. Bij de ene schrijver zullen die zwakheden kinderziekten blijken, bij de ander ongeneeslijke aandoeningen die het schrijverschap tot de laatste dag belasten. Op dezelfde manier weet je niet of de sterke punten van een debutant steeds beter zullen worden, of dat iemand al bij het begin aan de toppen van zijn kunnen zit.

Het beste debuut van een jaar is niet per se het belangrijkste debuut of de entree van de beste schrijver. In 1999 maakten Jan Louter en Jessica Swinkels een documentaire waarvoor alle literaire nieuwkomers van dat jaar werden gefilmd. De grote blikvangers waren Pauline Slot (Zuiderkruis) en Erwin Mortier (Marcel). Inmiddels zijn die twee bijgehaald door andere debutanten, onder wie Yves Petry en Dimitri Verhulst.

De vraag wie het beste boek heeft geschreven is niet heel ingewikkeld, maar de vraag naar een rooskleurige toekomst is lastiger te beantwoorden. Wel zijn er aanwijzingen: jong zijn is een pluspunt (veel natuurtalenten kunnen niet wachten), ingewikkeld ook (teken van ambitie), maar autobiografisch niet (heeft de auteur ook nog een ander verhaal te vertellen)?

Die indicaties zeggen ook weer niet alles: A. Alberts was bij de verschijning van zijn debuut De eilanden (1952) niet jong, zijn boek was niet ingewikkeld en deels autobiografisch. Bijna een halve eeuw en een prachtig oeuvre verder zou hij de P.C. Hooftprijs winnen.

Wie wordt de debutant van 2007? Acht debutanten werden tot vandaag in deze krant besproken. Voor dit artikel zijn nog negen andere gelezen. Die laten zich globaal in twee groepen verdelen: zes boeken (Fabregas, Koppe, Wybenga, De Greef, Bleeker, Harmens) gaan over de dilemma’s van het moderne, onthechte stadsleven: (jonge) mensen die niet meer weten wat ze willen, geloven, moeten willen of moeten geloven. Drie andere (Snijder, Van de Coevering, Goikoetxea Langarika) zijn geworteld in belangstelling voor het oude, overzichtelijke bestaan, wat vaak samengaat met een hang naar het platteland en een zekere nostalgie. Die boeken doen ook wel denken aan het gevierde debuut Boven is het stil, dat Gerbrand Bakker vorig jaar publiceerde.

We beginnen met de nostalgici. Die zullen zich ongetwijfeld tegen dat etiket verzetten, maar de debuten van Philip Snijder en Ricus van de Coevering verwijderen zich nadrukkelijk van het jachtige moderne leven. Snijders Zondagsgeld speelt weliswaar in de grote stad, maar veertig jaar geleden. De korte roman beschrijft – ongetwijfeld autobiografisch – een jeugd in de jaren zestig op het Amsterdamse Bickerseiland. Nu is dat het mooiste yuppenreservaat van de stad, maar toen was het een straatarme uithoek. Iedereen was er familie van elkaar en een jongen kon er nog indruk maken door als eerste op een dempie te springen: eilandjes die in de gracht ontstaan doordat het afval dat erin is gekieperd, aan elkaar is gekoekt.

Tegen die achtergrond heeft Snijder (1956) een vrij conventionele roman geschreven, over een jongen die geleidelijk ontdekt hoezeer hij anders is dan de anderen. Knap beschrijft Snijder vooral het medelijden van de hoofdpersoon met zijn vader (Groningse import, met schoolopleiding) die een outcast is. Fijn om te lezen, maar geen boek dat het Bickerseiland ver ontstijgt.

Sneeuweieren van Ricus van de Coevering (1973) is een authentiek en eenvoudig plattelandsdrama, met een norse boer, een dromerige vrouw en een problematisch adoptiekind. Knap zet hij de groeiende weerzin tussen boer en vrouw neer. Nadat een dramatische gebeurtenis de familie uiteen heeft geslagen, beschrijft Van de Coevering de gevolgen met veel gevoel voor onuitgesproken zaken. Woest opwindend schrijft hij nooit, maar uit de roman spreekt een grote nieuwsgierigheid naar hoe mensen in elkaar zitten.

Twee debutanten zijn in Spanje geboren en vooral Kristina Goikoetxea Langarika (1971) is niet vrij van nostalgische neigingen. Ze overheersen zelfs het grootste deel van de roman die het verhaal vertelt van drie generaties Noord-Spaanse vrouwen. Vooral de in het verdere verleden spelende delen van Evamar volgen de clichés van de Spaanstalige dorpsroman: grote gezinnen en burgeroorlog. Pas als Goikoetxea Langarika het heden beschrijft, kom je aardige vondsten tegen, zoals een gesprek tussen twee elkaar amoureus aftastende studenten. Dat begint hoopvol, maar verzandt omdat de jongen het steeds maar heeft ‘over intertekstualiteit’.

De tweede Spaanse, Laia Fabregas, hoort eigenlijk niet bij de generatie 2007, want Het meisje met de negen vingers verschijnt officieel pas volgende week. Het boek gaat over twee zussen die proberen om te gaan met de gevolgen van de progressieve opvoeding door ouders die halve helden waren in het verzet tegen Franco. Om hun kinderen zo ver mogelijk te verwijderen van het katholieke conservatisme van de vijand besloten die tot een radicaal-liberale opvoeding waarin geen plaats was voor foto’s. Wel leren ze landschappen en taferelen minutieus in zich op te nemen. Daar nemen de zussen lang genoegen mee, maar hun latere zoektocht naar beelden op papier levert meer dan alleen leuke plaatjes op.

Fabregas schetst vaardig de politieke complicaties en ze stelt goede vragen over de kracht en de ontoereikendheid van de verbeelding. Het meisje met de negen vingers blijft langer in je gedachten dan menig ander debuut. Maar de roman is vlak geschreven. Dat kan met Fabregas’ afkomst te maken hebben, al hoeft dat niet: grote stilisten zijn zeldzaam onder debutanten.

Vervolg op pagina 2

wie zijn de blijvertjes?

Vervolg van pagina 1

Niet alleen Fabregas’ zusjes groeien op in de schaduw van babyboomers die zichzelf zo vrijgevochten hebben dat de nuance weleens uit beeld verdwijnt. Ook Rosiri, de hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Iris Koppe (1985), heeft het een en ander te stellen met haar ouders, die aan de revolutie vooral een zekere mate van onvolwassenheid hebben overgehouden. Zij groeit op als kind van gescheiden ouders die zichzelf in en uit (liefdes-)nesten werken, terwijl hun dochter zich laat ontmaagden door een 40-jarige man (een sukkel bovendien), verdacht wordt van mishandeling en ook anderszins verloren door Amsterdam zwerft.

Rosiri verscheen eerder als feuilleton in deze krant en dat lees je aan deze roman ook enigszins af. De hoofdstukken bevatten leuke, satirische passages, maar Rosiri is uiteindelijk niet meer dan een lange keten van gebeurtenissen. Een overkoepelend idee dat de roman tot een eenheid zou moeten maken, is niet te vinden.

Wat vóór Koppe pleit, is haar leeftijd. Net als Ebele Wybenga (1987) en Renske de Greef (1984) is ze voorin de twintig. Ze schreven ook alle drie voor het online magazine Spunk, dat jaren met NRC Handelsblad samenwerkte. Hun romans blijven aan de oppervlakte. Zelfkritiek lijkt niet de sterkst ontwikkelde kant van deze beginnende schrijvers. Bij Wybenga geldt dat evenzeer voor zijn hoofdpersoon, de student Mees die zichzelf vooruit probeert te ritselen in de conceptuele kunst. Verder is Mees een soort jongerenmanager bij wie men kan aankloppen als men voor een forum of andere gelegenheid verlegen zit om een archetypische jongere met modern-provocerende opvattingen. Aan het gegeven ligt het niet zozeer, maar de verdere ontwikkeling van Galerie Onvolmaakt mist een bite.

Van de drie ‘spunkboeken’ is Was alles maar konijnen van Renske de Greef (1984) het interessantst. Zij schrijft het beste en ze durft haar hoofdpersoon extravaganter en gekker te maken, wat de spanning ten goede komt. Sara belt ter bestrijding van de eenzaamheid met de regiopastor en andere willekeurige hulplijnen. Ze zwerft ’s nachts over straat en door parken, redt een gewond konijn (het dier uit de geweldige titel) uit een park, en probeert door te dringen tot haar dementerende grootvader. Het begin en het einde van de roman zijn uitstekend, maar in het geheel zit nogal wat lucht, terwijl Was alles maar konijnen ook nogal wat overlappingen bevat.

Hoofdpersoon Bibi van Amstel uit De walrus van Bregje Bleeker (1970) past zonder problemen in de rij bevoorrechte, jonge, mild-verveelde Amsterdamse hoofdpersonen van Wybenga en Koppe. Maar aan deze roman is wel te merken dat de schepper ervan ruim tien jaar ouder is. De losse, half naïeve toon waarop Bleeker vertelt hoe haar heldin haar hart verliest aan een veel oudere hasjhandelaar, is goed gevonden en goed uitgewerkt. Het portret van ‘de walrus’ is weliswaar niet erg diepgravend, maar geeft je wel een idee van de semi-huiselijke wijze waarop een hasjhandelaar tien jaar geleden de kost kon verdienen – en verliezen.

De laatste debutant uit de rij is in zekere zin de eerste. Erik Jan Harmens (1970) publiceert namelijk al jaren poëzie en is met zekere afstand de beste stilist van het gezelschap. In Kleine doorschijnende man is een man aan het woord die met een echte baan zin aan zijn leven wil geven. Bij een door hem geminachte oud-schoolgenoot peutert hij een ‘contract’ los voor werk op een kantoor. Wat volgt beschrijft Harmens humoristisch en verrassend, met gevoel voor alledaagse absurditeit.

Maar een goed geschreven roman is nog niet per se een geslaagde roman. Harmens hoort zichzelf (of eigenlijk zijn hoofdpersoon) wel erg graag praten. Zo kun je een pagina lang, steeds vermoeider, lezen over beroepstrots en het op alfabet zetten van jaarverslagen – krachtige zinnen, maar hetzelfde wordt te vaak gezegd. En dan ga je missen dat er op andere vlakken (plot, personages) weinig is wat je aan de roman bindt.

Kleine doorschijnende man is, ondanks de stijl, dus niet hét debuut van 2007. Het kwartet boeken dat er bovenuit steekt bestaat uit Van de Coeverings Sneeuweieren, Fabregas’ Het meisje met de negen vingers, Snijders Zondagsgeld en Bleekers De walrus. Bij die laatste twee krijg je het sterke idee dat deze schrijvers één verhaal te vertellen hadden, een verhaal over zichzelf. Of er dan nog een ánder verhaal inzit is de vraag. Andersom stemmen leeftijd en ambitie van Renske de Greef hoopvol over haar toekomst. De anderen hebben nog veel verder te gaan. Uit de eerder in deze krant besproken (en in het kader hieronder aangehaalde) debuten sprongen vooral Troost en de geur van koffie van Bianca Boer, Drie van Maarten Schinkel en De overtreder van Marente de Moor in het oog.

De meest belovende debuten van 2007 liggen qua niveau niet erg ver uit elkaar – en dat is meestal slecht nieuws voor een debutenjaar. Wie de primus inter pares zal blijken te zijn is geen eenvoudige voorspelling. Er zou zelfs nog een geheel ongemerkte debutant in de coulissen kunnen verblijven, zoals ook heel goed zou kunnen blijken dat 2007 de literaire geschiedenis ingaat als een jaar zonder grote nieuwelingen.

Voorlopig lijkt de wat boertige, gelaagde roman van Ricus van de Coevering de beste papieren te hebben. In sfeer sluit hij aan bij het nostalgische verlangen naar het platteland. Maar tegen die achtergrond toont hij zich een bijzonder nieuwsgierige schrijver die midden in het leven (van alle tijden) staat.

Ricus van de Coevering: Sneeuweieren. Van Gennep, 176 blz. € 17,90Philip Snijder: Zondagsgeld. Mouria, 160 blz. € 16,50Kristina Goikoetxea Langarika: Evamar. De Geus, 287 blz. € 19,90Laia Fabregas: Het meisje met de negen vingers. Anthos, 171 blz. € 17,95. Verschijnt 6 januariIris Koppe: Rosiri. De Bezige Bij, 139 blz. € 12,90Ebele Wybenga: Galerie onvolmaakt. De Bezige Bij, 192 blz. €16,50Renske de Greef: Was alles maar konijnen.Meulenhoff, 264 blz. €18,50Bregje Bleeker: De walrus. Meulenhoff, 174 blz. € 16,90Erik Jan Harmens: Kleine doorschijnende man. Nijgh & Van Ditmar, 240 blz. € 18,50