De volwassenheid is afgeschaft

Alle commentaren en illustraties bij de sprookjes van Andersen staan nu op een rij. En dan wil je meteen zijn proza weer lezen.

Maria Tatar: The Annotated Hans Christian Andersen. W.W. Norton, 416 blz. €33,–

Wat is een sprookje? Een verhaal waarin geen echte gebeurtenis of persoon voorkomt en waarin onmogelijke dingen gebeuren zonder dat erbij verteld wordt dat ze onmogelijk zijn. De meeste sprookjes hebben geen schrijver, geen jaartal, ja zelfs: geen specifieke taal. De lieflijke sprookjes van de Franse Moeder de Gans werden in de 17de eeuw opgeschreven door Charles Perrault. De grimmige sprookjes uit Duitsland werden in de 19de eeuw opgeschreven door de gebroeders Grimm.

Veel schrijvers hebben geprobeerd om een sprookje te schrijven. Bij ons deden dat bijvoorbeeld Godfried Bomans, Simon Carmiggelt, Marten Toonder en Louis Couperus. Maar in de hele wereld is er maar één schrijver die nu al anderhalve eeuw bekend staat als DE sprookjesschrijver. Het is waar dat de Deen H. C. Andersen wel eens bestaande volksvertellingen gebruikte, maar hij gaf daar dan altijd een eigen stijl en draai aan.

In het boek van de Amerikaanse Maria Tatar worden voor 24 creaties van Andersen uitvoerig, bijna uitputtend, maar niet vervelend, alle commentaren en interpretaties uit de laatste anderhalve eeuw opgelepeld en besproken. Vaak heel aardig om te lezen. Maar als je daarna het sprookje waar het over ging leest, dan merk je dat Andersen zelf je toch met zijn eigen pen meer meegeeft dan welke commentator dan ook. Andersens sprookjes zijn voor kinderen. Als je boven de kinderleeftijd bent lees je ze minstens zo graag omdat je door het lezen zelf een kind wordt. Andersen schaft de volwassenheid af.

Maria Tatar maakt een onderscheid tussen echte kindersprookjes en fantasieverhalen die vooral voor volwassenen bestemd zijn. Ik betwijfel of dat onderscheid echt voor alle 156 vertellingen te maken is, maar Tatar heeft in haar dikke boek slechts twee dozijn van de dertien dozijn producten van Andersens fantasie opgenomen. Eerst twaalf die ze ‘Verhalen voor kinderen’ noemt, en daarachter twaalf die ze ‘Verhalen voor volwassenen’ noemt. De twaalf, meestal korte, kindersprookjes beslaan met haar commentaren en illustraties 240 pagina’s, dus 20 bladzij per sprookje. De twaalf, meestal lange, volwassenenverhalen beslaan, met toelichtingen en tekeningen, 120 bladzijden, dus 10 pagina per verhaal. Het lijkt mij onmogelijk om die tweedeling te maken voor alle verhalen van Andersen, maar voor Tatar was het natuurlijk handig.

Onderbroek

Als u geïnteresseerd bent in wat Freud, Derrida en alle filosofen na 1835 uit de sprookjes van Andersen menen te kunnen halen, dan moet u dit boek lezen. Als iemand probeert om alleen die filosofische commentaren te lezen, dan zal hij merken dat hij, net als mij overkwam, toch op den duur alleen het magnifieke proza van H.C. Andersen gaat lezen.

Er staan in het boek heerlijk veel illustraties van allerlei artiesten. Eentje staat er niet in, misschien omdat hij niet bestaat. In oktober 1882 schreef Vincent van Gogh aan zijn jeugdige vriend Anthon van Rappard over een ‘plaats waar de asmannen het vuilnis etc. heenbrengen. Sapperloot, wat was dat prachtig [...] iets voor een sprookje van Andersen, die collectie afgedankte emmers, manden, ketels, soldatenmenage, keteltjes, oliekannen, ijzerdraad, straatlantaarns, kachelpijpen [...]. Vind je Andersens sprookjes niet prachtig? Ik ben er zeker van dat hij ze ook illustreert’.

Laten we eens het misschien wel allerbekendste sprookje van Andersen nemen: ‘De nieuwe kleren van de keizer’. Als u deze krant leest bent u geen analfabeet en dan kent u dat sprookje. Als u wel analfabeet bent dan kunt u extra genieten door het iemand te laten voorlezen. Ik prijs mij gelukkig dat dit mij in 1940 gebeurde.

De nieuwe kleren zonder een grammetje textiel worden de keizer aangemeten en aangetrokken door twee zwendelaars, die er overigens evenveel tijd aan besteden als echte couturiers. De stof is zo dun dat een gewoon mens denkt dat zijn ogen er niet verfijnd genoeg voor zijn. De keizer wordt ermee aangekleed en paradeert erin door de stad.

Jaretelles

Is de keizer spiernaakt of heeft hij ondergoed aan? Andersen zegt het ons niet en hier komen de illustratoren van pas, die verplicht zijn om te kiezen. W. Heath Robinson trekt hem een onderbroek aan. Harry Clarke geeft hem een lang hemd en kousen met jarretelles. Edmund Dulac laat de keizer naakt lopen, maar hij draagt een scepter in de ene en een rijksappel in de andere hand. De appel verbergt zijn edel deel. Arthur Rackham tekent hem naakt maar in silhouet. Tom Eyzenbach tekende hem, in de schitterende Nederlandse vertaling van alle Andersen- sprookjes die Annelies van Hees ons in 1991 schonk, naakt voor een spiegel staande zodat zijn gezicht in de spiegel en zijn billen op de achterkant van de spiegelkijker te zien zijn. In de eerste volledige Nederlandse vertaling van Andersens sprookjes, zestig jaar eerder vervaardigd door W. van Eeden, gaf Lydia Postma hem een lange onderbroek aan.

Is dit sprookje een bespotting van het koningschap, van ijdelheid, van de angst om naakt gezien te worden, of een eerbetoon aan kinderen die de waarheid spreken? De laatste zin van het sprookje is niet de schreeuw van het jongetje ‘Hij heeft niets aan’, maar vertelt dat de keizer besluit om gewoon trots naakt door te lopen, terwijl de pages zijn sleep, die er niet is, achter hem aan blijven dragen.

In ‘De prinses op de erwt’ is het belangrijkste ding, namelijk de erwt, onzichtbaar onder een stapel matrassen. Die erwt belandt later in een museum en de enige tekening van de erwt die ik ken is te zien op de tekening van Heath Robinson.

Het derde verhaal waarbij je nieuwsgierig wordt naar wat Vincent van Gogh, Armando of Rob Scholten erbij geschilderd zouden hebben is ‘De schaduw’. Andersen schreef in 1847 geen sprookje maar een schaduw van het gelijknamige verhaal van Adelbert Chamisso uit 1814. Hoe teken je een schaduw die zich heeft losgemaakt van zijn schaduwwerper? Kay Nielsen werpt een mensenschaduw, misschien de schaduw van de schaduwpersoon, op een gevangenismuur. In het boek van Annelies van Hees bouwt Fiel van der Veen de schaduwman op uit korte streepjes.

De keizer zonder kleren, de erwt en de schaduw bewijzen dat schrijvers dingen kunnen beschrijven die schilders niet altijd kunnen schilderen.

Alleen al voor de vele schilderijen en tekeningen moet elke Andersenfanaat dit boek hebben. Eigenlijk hoeft geen enkel sprookje van Andersen uitgelegd te worden. Ja, dat het meisje met de zwavelstokjes primitieve lucifers verkocht, en eigenlijk gewoon een bedelares was, is interessant. Maar het talent van de lelijke eend die Andersen heette is nu juist dat hij nog vele eeuwen en in vele talen gelezen en bewonderd zal worden als de Zwaan uit Odense.