De vergelijkende trap-logica van pijn en leed

‘Mens, krijg kanker, dacht ik venijnig, dan heb je echt iets om je druk over te maken. Dan word je kaal en doorschijnend, dan dansen er stofwolken van huidschilfers om je heen, dan doen je kut, ogen, mond en neus zeer wegens kapot slijmvlies, dan heb je brandplekken van de bestraling, dan zitten voortaan al je jurkjes en T-Shirts scheef.’ Aldus Karin Spaink in haar column ‘Sunny en die verdomde onzekerheid’ in Lover van december. Spaink heeft genoeg van Bergmans ‘onvergelijktheid’, haar ‘zeurtoon’, het ‘klaaglijke over een rimpel hier of een kilootje daar.’ Ze vraagt zich af hoe het kan dat Bergman zich zo ‘bekreunt’ om iets dat Spaink ‘geen lor interesseert’. Als Sunny Bergman kanker zou hebben, zou ze pas écht weten wat ‘beperkt houdbaar’ inhoudt.

Over Spainks kankerverwensing heb ik niemand gehoord. Bij de laatste publieke kankerverwensing, die van Abdul-Jabbar van de Ven aan het adres van Geert Wilders, was er een mediaophef van jewelste. Misschien komt het omdat het staat in een feministisch blad met een kleine oplage. Of omdat Spaink haar kankerverwensing tussen aanhalingstekens zet, het denkt, en eraan toevoegt dat ze ook wel weet dat het ‘vals’ is van haar. Of misschien steekt de kankerverwensing gewoonweg wat ouderwets magertjes af bij de directere doodsbedreiging die, aldus Joost Zwagerman in zijn bundel Hollands Welvaren, zo ingeburgerd is geraakt in het huidige Nederland, dat je er nauwelijks meer van opkijkt.

Of het ‘vals’ is van Spaink? Dat is het zeker. Wie de redenering ‘zeur niet, mens, het kan erger’ hanteert, heeft altijd gelijk. Bridget Maasland kan met haar Dutchypuppy Foundation wel inpakken, want waarom zou je je druk maken over hondenleed als er vrouwen als Spaink met borstkanker rondlopen? Ethica Heleen Dupuis zou Spaink er op haar beurt erop kunnen wijzen dat ze niet moet zeuren, klagen, kreunen, want het kan nog zoveel erger! ‘Dementie is erger dan kanker’, liet ze in Volkskrant Magazine weten.

De vergelijkende-trap-logica duikt met grote regelmaat op. In Beauty, een nieuw blad over schoonheid en cosmetische chirurgie, vraagt schrijfster Nausicaa Marbe zich af of minister Plasterk niet een beetje overdrijft met zijn bezorgdheid om pornoficatie in Nederland? Is hij wel eens in Argentinië geweest? Marbe wel, en ze zag daar, in een land dat een ‘gekonfijte bimbo van vijftig’ tot President heeft gekozen, hoe ‘anorectische types daar in strakke glitterjurkjes lopen waaruit borsten knalden zo groot als een skippybal’. ‘Dát is pas ‘pornoficatie’ beste Plasterk’, schrijft Marbe triomfantelijk. Tja. Wie de hiërarchie van leed als argument hanteert, reduceert de gesprekspartner tot een kleinzielig wezen dat zeurt, niet mondiaal genoeg denkt en niet weet te relativeren.

Pijn, leed en ‘zeuren’: een van de meest inspirerende boeken die ik dit jaar daarover las, is geschreven door de historica Amanda Kluveld. In Pijn. De terugkeer uit het paradijs en de wens er weer uit te ontsnappen laat Kluveld zien hoe pijn deel uitmaakt van de manier waarop wij onszelf als mens definiëren. De hedendaagse mens wordt vooral gedefinieerd door een angst voor pijn (algofobie) en veel van de hedendaagse industrie is gericht op het zoveel mogelijk bestrijden van de pijn. Kluveld schrijft dat met name vrouwen vaak zeurpieten, klagers en watjes worden genoemd, omdat ze een lagere ‘pijndrempel’ zouden hebben. ‘De bijna triomfantelijke hilariteit over de zwakheid van vrouwen heeft ermee te maken dat wij mensen bewust of onbewust beoordelen op hun gevoeligheid voor pijn. We houden niet van aanstellers. Even doorzetten, even doorbijten. Flink zijn’. Pijnlijders, die menen dat anderen geen recht van spreken hebben omdat ze niet zoveel pijn hebben als zij, of niet zoveel pijn gezien hebben zoals zij, en dus niet zo flink zijn, eisen vaak triomfantelijk de ‘morele waarheid’ op.

Kluveld bespreekt ook de rol van performancekunstenaars die hun omgang met pijn tot kunst verheffen. Door openbare automutilaties of gedetailleerde beschrijvingen van hun pijn dwingen ze ons na te denken over onze moraal, onze uitgangspunten en onze gemeenschap. In zekere zin is ook Spaink zo’n performancekunsteaar. Van haar staan openhartige pijndagboeken op het internet waarin we gedetailleerd in kunnen lezen en zien over wat ziekten (MS, borstkanker) met je lijf doen. In 2006 deed een foto van Spaink met ontbloot bovenlijf – één borst, mager, ziek – op het omslag van Opzij veel stof opwaaien. Ik vond die foto choquerend, mooi, ontroerend, dapper, effectief. Trouw-columnist Sylvain Ephimenco vroeg zich af of hij dit wel wilde zien, en of hij nu ook de gemutileerde vagina van Ayaan moest zien. In een column in Het Parool gaf Spaink hem er destijds terecht flink van langs: ‘Borstkanker hebben is ook een cultureel en sociaal probleem, of preciezer: een genderprobleem’. Ze poseerde omdat ‘we er zo zelden iets van zien, niet in de media, niet op straat, niet in de sauna. Die afwezigheid van beelden vormt een culturele leegte die het eens zo moeilijk maakt je een voorstelling te maken van hoe het bij jou wordt, en bijgevolg: van hoe je verder moet en kunt zonder borst’. Ephimenco miste Spainks punt, namelijk dat het niet gaat over een individuele vrouw die zichzelf en haar pijn exhibitionistisch etaleert, maar om een maatschappijkritiek.

Met haar kankerverwensing aan het adres van Bergman, en het herhalen van woorden als ‘zeuren’, ‘klagen’ en ‘kreunen’, trapt Spaink in dezelfde val als Ephimenco destijds. Ze reduceert Bergmans documentaire tot een egodocument over een meisje dat zich zorgen maakt over rimpeltjes in plaats van het te beschouwen als een cultuurkritiek over de beeldvorming rondom vrouwelijkheid, waarin bepaalde beelden wél te zien zijn en andere niet. Juist Spaink, die met haar foto in Opzij als geen ander effectief een cultuurkritische pijnplek van de samenleving wist te raken, zou zich drie keer over haar hoofd moeten krabben voordat ze Bergman kanker toewenst.