De baard kan er nu af

De Maastrichtse toneelgroep Het Vervolg was ruim twee maanden op tournee met ‘King Lear’. Al die tijd trokken de auteurs bijna dagelijks met elkaar op, maar met de laatste voorstelling, in Purmerend, is het ineens afgelopen. Een reportage over een ‘dernière’: „Deze groep komt niet meer terug.”

Purmerend is het einde. Als de tien acteurs vanavond om kwart over elf naast elkaar gaan staan om te buigen voor het slotapplaus, hebben ze er 38 voorstellingen op zitten. Ze begonnen met deze King Lear op 11 oktober in Heerlen, waar een paar dagen later ook de première is gespeeld, en sindsdien waren ze bijna elke avond ergens anders: van Hoorn tot Venray, van Drachten tot Roermond, van Middelburg tot Zwolle. En nu is het 18 december, de laatste datum op de speellijst: theater De Purmaryn in Purmerend. „Ik ben m’n hele leven altijd al blij geweest als het weer afgelopen was”, zegt hoofdrolspeler Rik van Uffelen. „We hebben het goed met elkaar, maar ik blijf het zwaar vinden, zo’n tournee. Met al die files verlies je zoveel tijd. Het reizen is voor iedereen dodelijk.”

King Lear is een productie van toneelgroep Het Vervolg in Maastricht. Maar alleen Mieneke Bakker en Hans van Leipsig zijn vast aan het gezelschap verbonden en wonen daar. De andere acht werden gecontracteerd op freelance basis.

Ze spelen de Shakespearetragedie, van de koning die zijn land verdeelt over twee dochters en daardoor de derde – die hem eigenlijk het liefst is – tot zijn vijand maakt, in een regie van Léon van der Sanden. De technische ploeg is vanochtend in alle vroegte naar Purmerend gereisd, met de vrachtwagen vol decorstukken en rekwisieten. Op het toneel is intussen een decor gebouwd dat het meest op een onttakelde feestzaal lijkt. In dit toneelbeeld heeft Van der Sanden de voorstelling geënsceneerd.

Bakker en Van Leipsig zijn ‘s middags al tegen tweeën in zijn auto uit Maastricht vertrokken. Ongeveer om diezelfde tijd is Bram de Win in zijn Vlaamse woonplaats Lier in de auto gestapt om collega Van Uffelen op te halen uit Antwerpen. De rest woont in Amsterdam en hoeft vandaag dus niet ver te reizen. Pas om een uur of vier stapte Lotte Verbeek in de auto bij Dic van Duin. „Toch weer in een file gestaan,” bromt Van Duin als hij vlak na vijven arriveert in het Thaise restaurant Arissa Noo-Di, om de hoek van De Purmaryn, waar ze hebben afgesproken.

Eva van der Gucht, Tibor Lukács en Martin de Smet nemen op station Amsterdam Amstel de trein van kwart voor vier naar Amsterdam Centraal. Als ze daar overstappen op de stoptrein van 16.03 uur naar Purmerend, voegt Rutger le Poole zich bij hen. Het kantoor van Het Vervolg heeft hun de treintijden doorgegeven. Blauwbekkend van de kou, maar ook een beetje uitgelaten – de laatste voorstelling! – begroeten ze elkaar. In de coupé bekijken ze alvast wat geprinte velletjes papier met de menukaart van Arissa Noo-Di. Doorgaans bedenken ze met ze elkaar waar ze die dag zullen eten; er is altijd wel iemand die in stad X of IJ een geschikt restaurantje weet. „De vraag is elke dag: hoe reizen we en waar eten we?” vertelt Le Poole. „Veel bellen en sms’en dus.” Maar vandaag, aan het slot van de tournee, heeft Het Vervolg de maaltijd voor de acteurs en technici geregeld. De menukaart is vooraf aan iedereen gemaild.

„Zo’n laatste keer is altijd

een mengeling van weemoed en opluchting”, peinst Eva van der Gucht in de trein. „Je weet natuurlijk van tevoren dat het op 18 december ophoudt. Maar toch geeft het een dubbel gevoel. Je weet dat je met deze combinatie van mensen nooit meer zult werken. Met een páár collega’s zul je waarschijnlijk wel weer eens in een ander stuk staan, maar deze groep komt niet meer terug. Dat kan ik me nu nog niet voorstellen. We hebben dit najaar eerst acht weken gerepeteerd in Maastricht; toen waren wij als Amsterdammers met z’n vijven in één huis ondergebracht. Je kent daar verder niemand, dus dan ben je erg op elkaar aangewezen. Ook als er in die tijd heftige dingen in je privéleven gebeuren, wil je dat spuien – en de mensen die je op dat moment om je heen hebt, zijn je collega’s.”

Martin de Smet: „Het werk eist dat je eerlijk en open met elkaar omgaat. Je laat je masker al snel zakken. Dat maakt het intensief.”

Tibor Lukács: „Het schept een grote mate van verbondenheid. In het begin is het altijd aftasten, maar al gauw leer je elkaar tamelijk goed kennen. Je leeft met elkaar mee. Maar tegelijkertijd moet je jezelf niet wijsmaken dat iedereen meteen een vriend van je wordt. Na de laatste voorstelling houdt het op.”

Op station Purmerend stappen

de vier Amsterdammers uit. Eva van der Gucht loopt voorop met een eveneens door Het Vervolg toegestuurd plattegrondje. Na een kwartiertje wandelen staan ze voor de Thai. Daar komen langzaam maar zeker ook de anderen binnen. Dic van Duin pakt zijn mobieltje en leest een sms’je voor van een collega: „De laatste! Wat moet dat heerlijk zijn! Succes!”

Mieneke Bakker, na ruim drie uur rijden gearriveerd uit Maastricht („Ja, files”), stelt vast dat het eind van een tournee ook nog een praktisch voordeel heeft: „Je wordt zo dik van dat reizen. De voorstelling niet meegerekend, kom je heel weinig in beweging. Elke dag zit ik meer dan zes uur lang in de auto. Tja, en dan stop je ‘s nachts, op weg naar huis, bij een tankstation, want je hebt toch eigenlijk nog trek om iets te eten – en dan kijk je in die rekken met Marsen en Twixen en Bounties, en je denkt: nou nee. Je ziet chips en Croky’s en hoe die dingen heten, een driehoekige sandwich in het koelvak waarvan je weet dat die daar al sinds gisterochtend ligt, ook maar niet, en dan loop je tenslotte toch maar weer met een rolletje drop naar de auto.”

Niettemin blijkt ook zij vandaag met gemengde gevoelens te kampen. „Toen ik net in dit vak was begonnen”, zegt ze, „heb ik er erg aan moeten wennen dat het contact met zo’n groep collega’s opeens afgelopen is. Je hecht je aan die mensen. Aanvankelijk voelde het bijna als ontrouw om zomaar uit elkaar te gaan. Nu weet je dat het zo is, en toch gaat het nooit helemaal vanzelf.”

Als de bestellingen zijn geplaatst, halen diverse acteurs een declaratieformulier uit hun bagage. Ze vullen nog wat reis- en verblijfkosten in en plakken er treinkaartjes en nota’s van restaurants bij. Het is makkelijker die vanavond in te leveren, dan het later per post te moeten doen. Eva van der Gucht heeft een rolletje plakband meegenomen, maar dat is snel op. Een plakbandhouder uit de keuken van het restaurant biedt uitkomst. Terwijl zijn collega’s zich over deze administratie buigen, haalt Hans van Leipsig een stukje papier uit zijn binnenzak. Het is een lijstje met de aantallen verkochte kaarten per avond. „Purmerend 222”, leest hij voor. Zakelijk directeur Brigitte van Eck, die eveneens is aangeschoven, heeft een nog recentere stand. Het zijn er intussen 230, deelt ze mee. Lang niet gek voor een toneelstuk als King Lear, vindt iedereen.

Van Eck is vanochtend al per trein uit Maastricht gereisd, om met De Purmaryn te praten over de datum waarop de grote reisvoorstelling van volgend jaar naar Purmerend zal komen. Dat hier dit jaar de dernière wordt gespeeld, is puur toeval. „Dat komt dan zo uit”, verklaart ze. „Je maakt een planning, gebaseerd op het aantal voorstellingen dat je aan de theaters hoopt te verkopen, en dan probeer je dat ook een beetje per regio te doen, zodat je niet voortdurend van de ene hoek van het land naar het andere hoeft te reizen. Maar daarna zijn er ook weer veel verschuivingen. Zodat het uiteindelijk altijd weer een verrassing is waar je eindigt.”

Na de maaltijd, kort na zevenen,

lopen de acteurs één voor één naar De Purmaryn, elk met een eigen timing en met eigen rituelen ter voorbereiding van de voorstelling. Voor de grap, om de acteurs bij deze bijzondere gelegenheid aan het lachen te maken, is de plaats waar Lear straks zijn sterfscène zal spelen, ditmaal niet gemarkeerd door een kruisje van tape. Vanavond prijken daar de contouren van een liggende figuur – zoals de krijtschets waarmee de politie aangeeft waar het lijk lag. Rik van Uffelen is niet geamuseerd. „Ik houd daar niet zo van”, zegt hij. „Waarom zou je vanavond grappen moeten maken? Het publiek heeft er toch niets mee te maken dat dit onze laatste voorstelling is?”

Bijna vier uur later, als de koning is gestorven en de acteurs bloemen hebben gekregen tijdens het slotapplaus, gaat Van Uffelen onmiddellijk in een stoel in de grote kleedkamer zitten, tegenover een van de spiegels. Eva van der Gucht zet de tondeuse op zijn hoofd en snoeit de eerste haarslierten die over zijn oren hangen. Daarna begint ze de Lear-baard uit te dunnen. Maar het gaat Van Uffelen niet snel genoeg. Tibor Lukács neemt de tondeuse van haar over. Terwijl alle anderen hem aanmoedigen, scheert hij alle haar eraf. Een minuut of tien later staat Van Uffelen stralend op. De scheerbeurt heeft hem minstens tien jaar jonger gemaakt. Na twee Duvels in de foyer omhelst hij iedereen ten afscheid. De terugreis naar Antwerpen gaat nog meer dan twee uur duren en bovendien moet hij de volgende ochtend alweer heel vroeg in een vliegtuig naar Berlijn zitten. „Op dit moment kan ik het me volstrekt niet voorstellen”, grijnst hij, „maar morgen ben ik Oom Wanja aan het repeteren, in het Duits”.

Tegen half 1 maken ook de andere acteurs aanstalten om te gaan. Voor degenen die per trein zijn gekomen, heeft Het Vervolg een busje terug naar Amsterdam geregeld. Aan boord begint Lukács over de Onkel Wanja die Van Uffelen de komende maanden in de Sophiensäle in Berlijn gaat spelen. „Het probleem is dat het contact altijd weer verwatert,” zegt hij. Zou het daarom geen goed idee zijn om dit voorjaar met z’n allen naar Berlijn te gaan om die voorstelling te zien? Ja leuk, reageren zijn collega's, daar moeten ze nog maar eens over bellen.

Daarna wordt geopperd om gezamenlijk in Amsterdam nog ergens wat te gaan drinken. Maar als blijkt dat de chauffeur van het busje bereid is iedereen dicht bij huis af te zetten, komt het daar niet meer van. „Hoe lang gaan jullie de tekst nog onthouden?” vraagt Lukács. „Oh”, zegt Le Poole meteen, „die ben ik volgende week kwijt”.