Als ik op de berg maar kan bellen

René Heijnen (48) is cameraman. Hij maakt kans op een Oscar.

Elke vrijdag een gesprek over hoe iemand zich ontspant en weer oplaadt.

De kans dat René Heijnen een Oscar krijgt, is opeens een stuk groter geworden. Voor zijn gevoel althans. René Heijnen staat op de longlist voor de Oscar voor beste documentaire-cameraman. Op de dag van dit interview is hij erachter gekomen dat hij niet hoeft te concurreren met ‘de cameralui van Hollywoodspeelfilms’, mocht hij doorgaan naar de shortlist.

René Heijnen (48) verzorgde het camerawerk van de documentaire Buddha’s Lost Children. De film volgt de Thaise monnik Phra Khru Bah. Die zegde een vorig leven als muai thai-bokser vaarwel, om zich te ontfermen over weeskinderen in de door drugsbaronnen geteisterde grensregio tussen Thailand en Birma. De Nederlandse kritieken over de film waren niet juichend. Toch draaide de documentaire maandenlang in de zalen. En in het buitenland werd hij overladen met prijzen.

Naast zijn werk voor Nederlandse documentaires werkt René Heijnen als freelance cameraman, onder meer voor de NPS en Discovery Channel.

Een documentaire filmen in het buitenland, hoe gaat dat?

„Ik heb inmiddels veel ervaring met filmen in het buitenland, dus toen ik aankwam ben ik eigenlijk na een paar dagen al begonnen met filmen. Bij documentaires is er altijd wel een soort plan. Maar dat is meer een A-viertje met situaties die je hóópt tegen te komen. In werkelijkheid loopt het altijd anders. Ook in dit geval. De hoofdpersoon, Phra Khru Bah, viel al op de eerste dag van zijn paard. Al het vervoer daar vindt plaats te paard. En het was de bedoeling dat we de monnik wekenlang zouden volgen. Ik was daar speciaal voor op paardrijles geweest.

Maar de monnik kon niet meer paardrijden, dus het hele plan lag in duigen. De eerste gedachte is dan: we kunnen wel naar huis. Maar we zijn hem toch blijven volgen. Daardoor is in de film veel meer nadruk komen te liggen op de kinderen die hij onder zijn hoede neemt.”

Dat was een spannend moment.

„Ja, zeker binnen de groep. Ikzelf lig daar niet snel wakker van, omdat ik altijd wel kan werken. Als de film zou zijn afgeblazen, had ik wel een andere klus gevonden.”

En het boeddhisme?

„Ik ben geen boeddhist – en ik ben het daar ook niet geworden. We zaten in een gevaarlijk gebied, waar bendes de handel in heroïne controleren. Van de monnik kregen we een amulet om ons tegen de kogels te beschermen. Die doe ik niet meer af, ik heb hem nu ook om. Waarom weet ik eigenlijk niet. Baat het niet dan schaadt het niet.”

Een paar weken in het oerwoud?

„We zaten heel erg in de middle of nowhere, ja. Ik vond het moeilijk dat ik geen contact had met de buitenwereld: je kon niet bellen. Soms zat ik op een heuvel met bereik, dan stroomden er allemaal sms’jes binnen. Ik heb drie kinderen, ik wil weten hoe het thuis is. Als ik even gebeld had, kon ik er weer tegenaan. Zeker op momenten dat er niets gebeurde. Je hebt dagen dat je van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat bezig bent, maar er zijn dagen dat je niets te doen hebt. Je houdt elkaar ook op de been met humor. Dat kunnen hele domme dingen zijn. Elke keer als we een goede scène hadden gedraaid, zeiden we: ‘Ik heb weer aandelen Boeddha gekocht, volgens mij gaat hij stijgen’. Dat mis ik wel als ik weer voor een Amerikaanse productie werk.”

Terug in eigen land draait de wereld weer door?

„Eigenlijk wel. Ik ga door met mijn andere werk, voor televisie bijvoorbeeld. Soms ervaar ik een cultuurshock, maar ik kan me goed aanpassen. Ik denk trouwens niet dat iedereen dit werk kan doen, als het op karakter aankomt. Je moet flexibel zijn. Dat is niet gegroeid. Sterker nog, het wordt moeilijker naarmate je ouder wordt. Toen ik nog geen kinderen had, hoefde ik over hen niet in te zitten. Voor televisie werken is heel vertrouwd. Het is een soort routine, maar dat kan heel prettig zijn. Soms denk ik dat ik wel eens een tijdje naar hetzelfde kantoor zou willen gaan. Mijn werk is altijd anders.”

En toen de documentaire uitkwam?

„Je bent natuurlijk benieuwd wat hij gaat doen. Na afloop van een speciale eerste viewing was er een staande ovatie van het publiek. Er werden allerlei vragen gesteld in de zaal. Ze begonnen ook over het camerawerk, dat was grappig. Ik heb na afloop een half uur handtekeningen staan uitdelen, dat had ik nog nooit meegemaakt. Het is erkenning en waardering die ik voor mijn televisiewerk eigenlijk nooit krijg. Meestal draai ik iets, het wordt een keer uitgezonden en je hoort nooit meer wat. Dit blijft maar doorgaan.”

Buddha’s Lost Children stond op de Oscar-longlist, maar ging niet door naar de shortlist. Was de teleurstelling groot?

„Ja, dat vind ik wel jammer. God, ja. Ik ben ambitieus genoeg om het leuk te vinden een Oscar te winnen.”

Maar u bent zelf nog in de race voor uw camerawerk.

„Dat is waar. En ik hoorde vandaag dat er een speciale categorie is voor filmers van documentaires. Dat maakt de kans een stuk groter. Als er maar één categorie voor camerawerk zou zijn, zou ik moeten concurreren met de cameramensen van alle Hollywoodproducties.”

Stel, u wordt het?

„Ik heb geen idee wat er dan gebeurt. Aan de ene kant zou je bepaalde projecten kunnen krijgen die je anders niet krijgt. Maar aan de andere kant kan het tegen je werken. Het is vaak gebeurd dat mensen die een grote prijs wonnen, daarna een jaar zonder werk zaten. Klanten die hen anders hadden gebeld, hebben dan zoiets van: ‘Die heeft een Oscar gewonnen, die durf ik niet meer te bellen voor mijn filmpje’. Maar ik voel me absoluut niet te goed voor welk filmpje dan ook.”

Daar bent u bang voor?

„Ik zou die prijs heel graag winnen, maar ik zou er niet wakker van liggen als ik hem niet krijg.”

Maar nu eerst met vakantie.

„Ja, dan denk ik even helemaal niet aan film. Soms moet ik me er echt toe zetten om de kinderen te filmen. Daar heb ik dan helemaal geen zin in.”

De documentaire Buddha’s Lost Children wordt morgen uitgezonden van 22.45-24.15 u. op Nederland 2.