Moet ik dan alles uitleggen?

Moet ik dan alles uitleggen? Deze vraag bekroop mij toen ik de eerste bladzijde las van de oratie die George Harinck op 22 november uitsprak bij de aanvaarding van zijn professoraat aan de Vrije Universiteit. Het thema van zijn rede was: „Waar komt het VU-kabinet vandaan?”

Het VU-kabinet? Zo is het kabinet-Balkenende IV weleens genoemd, omdat premier Balkenende en beide vicepremiers, Bos en Rouvoet, alumni zijn van de Vrije Universiteit. Daar zal ik het verder niet over hebben en nog minder over „de traditie van het neocalvinisme”, zoals de ondertitel van Harincks oratie luidt.

Het is de opmerking die hij al in het begin van zijn oratie maakt, die bij mij de vraag deed rijzen waarmee deze column begint: „Je moet ons land behoorlijk kennen om de draagwijdte van het woord (VU-kabinet) te begrijpen.” Ja, het woord „veronderstelt een type kennis van de nationale cultuur dat ook onder autochtonen niet meer zo gangbaar is”.

Moeten wij dus, telkens wanneer wij het over de VU hebben, uitleggen dat daarmee de Vrije Universiteit bedoeld wordt, de universiteit op gereformeerde grondslag die Abraham Kuyper in 1889 heeft opgericht? En wie was Abraham Kuyper? Dat moeten we dan ook uitleggen. En zo zijn we bijna al aan het eind van het artikel voordat we aan het eigenlijke onderwerp ervan toegekomen zijn. En dezelfde behandeling moeten dan ook andere grootheden die een jonger geslacht niet meer kent, ondergaan: Thorbecke, Colijn, Drees. Zelfs Den Uyl, twintig jaar geleden overleden, is geschiedenis geworden.

Dit wat het eigen land betreft. Hoeveel te meer treft het lot der vergetelheid helden en boosdoeners uit het buitenland. Churchill, Eisenhower en Kennedy zijn meer bekend omdat lanen naar hen genoemd zijn dan om hun eigenlijke verdiensten. Misschien zijn de grote demonen eerder in het collectieve geheugen blijven hangen: Hitler, Stalin, Mao – zonder dat dit overigens precieze kennis impliceert.

Maar voordat de indruk ontstaat dat hier een oude mopperaar aan het woord is, wil ik bij mijzelf nagaan wat ikzelf op jonge leeftijd eigenlijk van onze nationale cultuur wist. Ik geloof dat ik, hoewel in Amsterdam opgegroeid, toen niet wist wat de VU was, en dat was niet alleen doordat de gereformeerden hun kracht in het isolement zochten.

Zelfs van het bestaan van gereformeerden was ik mij nauwelijks bewust. Mijn vader had een nicht die met een gereformeerde getrouwd was, door hem als „mijn gereformeerde neef” aangeduid, maar het prikkelde mijn nieuwsgierigheid niet. De VU werd pas een begrip voor mij toen studiegenoten van mij, na de sluiting van de Leidse Universiteit door de Duitsers in 1941, naar de VU gingen om af te studeren.

Merkwaardig genoeg, drong in mijn jeugd het bestaan van rooms-katholieken meer tot mij door, maar dat kwam, denk ik, door hun triomfantelijke kerken. Ook herinner ik mij de Graalbeweging nog goed – vrouwen die met brede hoeden, wapperende mantels en vanen waarin het paars overheerste, in optocht door de straten liepen. De gereformeerden waren minder ostentatief.

Omdat ik op een openbare school zat, ontmoette ik geen tijdgenoten uit die volksgroepen die hun eigen scholen hadden. Pas in mijn Leidse tijd kwam ik enkelen tegen, die van de pastoor dispensatie hadden gekregen lid van het corps te worden. (Ik had de indruk dat de adel die gemakkelijker kreeg dan anderen.) Gereformeerde medestudenten uit die tijd kan ik me niet herinneren. Zonder het te weten leefden we in een maatschappij die segregatie toepaste.

Het is vreemd, maar mijn ogen zijn pas open gegaan toen ik in 1969 het boekje van Godfried Bomans en Michel van der Plas In de kou las, waarin zij vertellen over hun roomse jeugd, die min of meer gelijktijdig was met de mijne. Toen ging ik beseffen dat er, om zo te zeggen: naast mij in dezelfde straat, een bloeiende cultuur had bestaan waar ik helemaal niets van wist.

Ook die cultuur maakte, net als die van de gereformeerden, deel uit van de nationale cultuur. Mijn kennis van die nationale cultuur was dus, op z’n best, zeer gedeeltelijk. Ja, eigenlijk wist ik, toen ik van het gymnasium kwam, meer van de Franse Revolutie en de Balkanoorlogen af dan van de geschiedenis van Nederland in mijn eigen en de negentiende eeuw.

Pas daarna ben ik mij er, en nog maar zeer geleidelijk, voor gaan interesseren. Op de redactie buitenland van de Nieuwe Rotterdamse Courant, waar ik mijn journalistieke loopbaan begon, werd enigszins neergekeken op wat er in eigen land gaande was. Dus dat was ook geen leerschool. Mijn belangstelling is gekomen toen ik, vier jaar in het buitenland wonend, daar Nederland aan buitenlanders moest proberen uit te leggen.

Terugblikkend verbaas ik mij erover hoe weinig ik in mijn jeugd van mijn eigen land wist. Amsterdammer, was ik vóór mijn twintigste nauwelijks ooit in Den Haag en Rotterdam geweest (steden waar ik later zou gaan wonen en werken), laat staan Groningen of Maastricht. Het was vóór het tijdperk van het massale autoverkeer en de televisie.

Uit die tijd dateert nog mijn nieuwsgierigheid naar iemands herkomst. Is hij / zij katholiek?, vraag ik nog weleens – tot ergernis van jongeren, die dit volslagen irrelevant vinden of er discriminatie achter zoeken. Vroeger zat er misschien nog iets in dit vermoeden. Nu is het belangstelling voor iemands socioculturele achtergrond of, zo u wilt, voor onze rijkgeschakeerde nationale cultuur.

Ik wil niet beweren dat wat ik sindsdien over eigen land te weten ben gekomen mij door zelfstudie heb eigen gemaakt. Het was geen systematische studie die ik ondernam. Het was meer door er, te hooi en te gras, over te lezen dat ik er een, nog zeer gedeeltelijke, kennis over vergaarde. Ik zal dus niet klagen over onze jeugd, die Thorbecke, Colijn, Drees e.t.q. niet kan plaatsen noch begrijpt wat er met een VU-kabinet bedoeld wordt. Maar jammer vind ik het wel.

Reageer op deze column via nrc.nl/heldring