Mijn arrestatie

De andere morgen keert alleen de lokale politie terug. Waarom juist dat team het geschiktst is, geen mens zal het ooit weten. Het is politieagenten hier verboden informatie te verschaffen. Die regel wordt angstvallig nageleefd. De notaris kent zijn ambtsgeheim, de pastoor zijn biechtgeheim, de agent zijn zwijgplicht. Wie iets loslaat over een onderzoek of een strategie kan iedere promotie vergeten.

Het blijft gissen en roddelen, voorlopig.

Ik moet denken aan een zot voorval met de politie, een jaar of twee geleden.

Het was zondag, half zeven ’s avonds. Het haardvuur brandde. Een suffe dag liep doods ten einde. Ineens staat Beto voor mijn neus, de jongen die hier hout hakt, bomen snoeit, hengsels oliet en wat niet al. Alleen op zondag heeft hij hier niets te zoeken. De gendarme staat voor de poort, hijgt hij, drie man met een wapenstok. Ze komen voor mij.

Ik sla een sjaal om en loop naar de agenten toe. Wat op dit uur van de dag zo dringend mag zijn? Ze wijzen op hun auto. Of ik erin wil stappen. Ik ben gearresteerd.

Wat?

Een van de agenten toont me een formulier. Tussen duim en wijsvinger zwaait hij het voor mijn gezicht heen en weer. Er staat dat ze de opdracht hebben mij te arresteren. Zonder opgaaf van redenen. Het formulier beschikt niet eens over een vak voor ‘opgaaf van redenen’.

Nee, ik mag niet teruglopen naar mijn huis. Ik zou kunnen ontsnappen. Beto moet mijn paspoort maar ophalen.

De agenten gedragen zich schutterig, maar ze zijn onvermurwbaar. Hadden ze me niet even kunnen waarschuwen? Moet er geen tandenborstel of aspirine mee? Wie sluit het huis af? Wanneer ben ik terug?

Denken ze serieus dat ik op de vlucht zal slaan?

Stilzwijgen, schouderophalen.

Ik mag op de achterbank zitten, met een agent rechts en een agent links. Ze glimlachen zuurtjes. De agent aan het stuur rijdt ons naar het politiebureau in het hart van de gemeente waar Niemandsdorp onder valt, zes kilometer verderop. Ik ben blij dat het donker is en zondagavond en dat de straten zijn uitgestorven. Ik voel me geen lafaard vanwege die blijdschap dat niemand me ziet.

Waar zou men mij niet allemaal van verdenken, als ik me zelf al afvraag waar ik me van verdenk?

Van het politiebureau ken ik alleen de receptie. Ik heb daar ooit een gevonden voorwerp ingeleverd dat ik zelf niet wilde houden. Ik leer nu ook het cellencomplex kennen. Het bestaat uit twee cellen. In een ervan word ik uitgenodigd plaats te nemen.

Allervriendelijkst. Maar nog steeds zonder uitleg.

De kleinste en minst snuggere agent van het drietal blijft een poosje in mijn buurt. Wil hij me echt niet vertellen waarom ik hier zit? Hij heft zijn handen ten hemel, of hij het zelf niet weet. Wil hij dan misschien een pakje sigaretten voor me halen en twee blikjes cola, in het café aan de overkant? Ja, dat wil hij wel.

Echt gezellig wordt het niet. Ik schijn op het laatst toch nog in slaap te zijn gevallen, want ze moeten me wekken. Het trio staat in vol ornaat voor mijn cel. Het is half vijf in de ochtend.

Gerrit Komrij