Kolossale pianist met vederlicht spel

De Canadese jazzpianist Oscar Peterson was beroemd om zijn swing en vingervlugheid. Hij had een volkomen eigen techniek.

Hij was de grote hummende reus met de snelle vingers. Een pianist met een duidelijke signatuur: een vederlicht toucher en virtuoze, gemakkelijk lijkende solo’s met blues en gospelinvloeden. Door zijn timing van de strides (een uit de swingperiode acrobatische pianostijl voor de linkerhand) en de melodische passages met blokakkoorden kon hij zijn instrument iets meegeven van de blaassectie van een bigband.

De Canadees Oscar Peterson was één van de belangrijkste pianisten die de jazz heeft voortgebracht. Met zijn sterven, afgelopen zondag in aanwezigheid van zijn vierde vrouw en dochter in zijn huis in Mississauga, een voorstad van Toronto, is de belangrijkste generatie oude jazzgiganten verder uitgedund. Peterson leed aan een nierziekte en werd 82 jaar.

De pianist maakte in zijn leven honderden opnames. Ook nog na zijn beroerte in 1993, tijdens een concertserie in de jazzclub Blue Note in New York, waardoor zijn linkerhand verzwakte. Elf maanden later nam hij in New York alweer het album Side By Side op met violist Itzhak Perlman. En al deden Petersons vingers niet altijd meer wat hij wilde, de musicus bleef componeren.

Zijn stijl wortelde in de swingperiode en had invloeden uit de bebop. Peterson speelde graag eigen composities, van vroege jaren zestig-songs als Wheatland, Hymn to Freedom, zijn bekende, opgewekte Cakewalk tot de nieuwere tearjerker Requiem. Peterson componeerde het voor zijn ontdekker en impresario Norman Granz die in 2001 stierf.

Petersons vermogen om te swingen, de vingervlugheid en techniek waren van vergelijkbaar hoog niveau als dat van pianist Art Tatum, die hij erg bewonderde. Toch slaagde hij erin om een volkomen eigen individuele techniek te ontwikkelen, een stijl die door de jaren het midden bleef houden tussen bop, stride en swing. Zijn jazz bleef modaal en had een zekere amusementswaarde, die door critici werd afgedaan als ‘veilig en slap’. Ook werd hij verguisd om zijn veel te veel noten bevattende solo’s – hij had honderd noten waar anderen er misschien aan tien genoeg hadden.

Oscar Emmanuel Peterson, geboren op 15 augustus in Montreal, was het vierde kind in een gezin van vijf kinderen. Aanvankelijk interesseerde hij zich alleen voor de trompet, maar toen hij werd getroffen door tuberculose schakelde hij over op piano. Zijn vader, die kruier was op het station, gaf hem les, als hij er niet was nam zijn zus het over.

Peterson bleek een natuurtalent. Op zijn veertiende won hij een talentenjacht, waarna hij wekelijks op de radio was te horen. Met zijn boogiewoogie en swingstijl trok hij de aandacht.

Paul de Marky, een Hongaarse klassieke pianist, verscherpte Petersons techniek met klassieke oefeningen.

In 1947 richtte de pianist zijn eerste Canadian Trio op. Zijn doorbraak kwam twee jaar later in een verrassingsact in het New Yorkse Carnegie Hall. Het verhaal wil dat de Amerikaanse jazzpromotor Norman Granz Peterson op de radio hoorde in een taxi naar het vliegveld. Hij vroeg de chauffeur direct om te keren en naar de Alberta Lounge te rijden waar de live-opnames werden gemaakt. Granz lijfde de pianist in bij het Jazz at The Philharmonic-ensemble, maar moedigde hem later in zijn loopbaan ook aan zijn muziek over de wereld te laten klinken.

Vanaf 1950 werd Peterson door jazzmagazine DownBeat met regelmaat uitgeroepen tot beste pianist. Hij trad op met alle legendarische jazznamen, zoals Ella Fitzgerald, Count Basie en Dizzy Gillespie. Maar ook zijn tournees met bassist Ray Brown en gitarist Herb Ellis in de jaren vijftig waren artistieke hoogtepunten.

Rond 1979 werd Peterson succesvol als solo-artiest, aangemoedigd door Duke Ellington die hem adviseerde „de kaviaar van zijn talent te laten zien, zonder de eitjes en de uien.” Ellington noemde hem ‘de Maharadjah van het keyboard’.

Ook in Nederland trad Peterson regelmatig op. Eind jaren vijftig gaf hij, in navolging van Lionel Hampton, nachtconcerten in het Amsterdamse Concertgebouw. Dat was te danken aan de vermaarde impresario Lou van Rees die destijds veel moeite deed alle jazz-coryfeeën naar Nederland te halen. Ondanks de titel Oscar Peterson Live at the Concertgebouw, bevat de lp echter niet opnames daarvan, maar van een concert in het Chicago Civic Opera House.

Op zijn tachtigste, in 2005, was Peterson voor het laatst op het North Sea Jazz Festival. Hij bracht met zijn kwartet in een persoonlijk eerbetoon een aantal ballades aan hem ontvallen jazzmusici.

De oude kreunende grijsaard bewoog zich voort in een rolstoel, vanwege zijn artritis. Zijn komst was opzienbarend gezien zijn leeftijd, maar hij grossierde nog steeds in elegante solo’s met mooi secuur geplaatste noten. In de meer up-tempostukken koos hij voor de weg van minste weerstand. Zijn tomeloze energie was desondanks ontroerend.

Peterson bleef altijd een Canadees, ondanks zijn groeiende internationale reputatie. Hij ontving Grammy’s en kreeg in 2004 van de BBC een Lifetime Achievement Award.

In de Canadiana Suite verwerkte Oscar Peterson indrukken van steden en gebieden in zijn geboorteland tot jazzthema’s.

Meer informatie, beelden en muziek van Oscar Peterson op nrc.nl/kunst