Tábor, een horde in de migrantenestafette

Ze sparen voor een appartement in hun geboorteland. Een jong paar uit Mongolië trok naar Tsjechië om te werken in een fabriek. „Je kunt hier maar beter niet ziek worden.”

Zij heet Bolorlkham Batsuuri, wat zoiets betekent als ‘sterk kristal’. Maar in de Tsjechische fabriek waar ze nu een jaar werkt, vinden ze die naam veel te moeilijk. Dus hebben ze haar een andere naam gegeven: Petra. Geen mooie naam, vindt ze. Maar alles went.

Hij heet Gombosureh Jargalsaikhan, ‘geluksmaan’. Hij is net uit Mongolië aangekomen. Hij staat pas vijf dagen achter de naaimachine. Een andere roepnaam heeft hij nog niet gekregen. Hij is anoniem.

Dat ze eigen namen hebben, dat ze van ver komen, dat ze dromen van een eigen huis – dat is allemaal niet belangrijk. Batsuuri en Jargalsaikhan zijn hier in Tábor om te werken. Met hun handen en een klein beetje met hun hoofd.

Het gaat goed met Tábor, een pittoresk hussietenbolwerk in een lelijk harnas van blokflats en industrieterreinen, ten zuiden van Praag. Niet zo lang geleden werd het stadje (36.000 inwoners) geplaagd door grote werkeloosheid en stille armoede. Maar de trek van Tsjechische gelukszoekers naar het westen, juist nu de lokale economie aantrekt, heeft in Tábor tot een schreeuwend arbeidstekort geleid.

Hana Vrbatová wordt elke dag gebeld door radeloze werkgevers die hun productiecijfers niet halen door gebrek aan personeel. Ze werft werknemers in Tsjechië, Polen en Oekraïne. Maar ze moet de arbeidskrachten van steeds verder halen. Tot uit Oezbekistan en Mongolië. Vrbatová heeft nu veertig Mongolen onder contract, staan. In februari zijn dat er naar verwachting zes keer zoveel. „Dit is het begin van een migratiegolf”, zegt ze met de glimlach van een ondernemer die tevreden is.

Vrbatová stuitte bij toeval op het nieuwe arbeidspotentieel. Vorig jaar klopte een Mongoolse dame op de deur van haar uitzendbureau Euromontec in Kladno, nog zo’n radeloos stadje vlakbij Praag. De vrouw vroeg of ze haar familie in Mongolië kon laten overkomen. Vrbatováhapte onmiddellijk toe. Tsjechische werknemers kon ze niet meer krijgen. Oekraïense gastarbeiders werden steeds minder gewild. Vrbatová, met designbril: „Die willen te vaak naar huis.”

De Mongoolse familieleden kwamen over, en daarna de vrienden van de familie, en daarna de familie van de vrienden. In oktober sloot Vrbatová een contract met een Mongoolse branchegenoot. Ze reisde er speciaal voor naar Mongolië. Op haar pc laat ze de kiekjes zien die ze daar schoot: van haar gastheren, het folkloristische tentenmuseum en alle hotelkamers waar ze sliep.

En het einde is nog niet in zicht. „In Mongolië wonen maar 2,9 miljoen mensen. Als we daar klaar zijn, gaan we naar China voor personeel.”

Als Batsuuri (23) uit haar raam kijkt, kan ze de fabriek zien liggen: een grijs gebouw waarop in sobere letters ‘Fauricia’ staat. Met haar zus deelt ze twaalf vierkante meter in een arbeiderspension, vijf verdiepingen hoog, waar de tijd sinds de val van het communisme heeft stilgestaan. Faurecia (omzet 11,6 miljard euro) is een van de grootste toeleveranciers van de Europese auto-industrie. In Tábor produceert het bedrijf autostoelen. Batsuuri maakt stoelbekleding. Acht uur per dag, soms zeven dagen per week, zit ze achter de naaimachine.

Jargalsaikhan (22) gaat in Tábor de neksteunen doen. Het uitzendbureau zoekt voor hem nog een kamer. Voorlopig huurt hij een matras, voor omgerekend 130 euro per maand. Het ligt op tien kilometer van de stad, in een kleine ruimte die hij met zes anderen deelt. Het liefst wil hij zo dicht mogelijk bij Batsuuri wonen, want ze zijn verloofd.

Ze sparen voor een appartement in Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië. Batsuuri legde het afgelopen jaar 2.800 dollar opzij, een klein vermogen in Mongolië. Maar dat is nog steeds veel te weinig. Een vierkante meter appartement kost in Ulaanbaatar 500 dollar. In een nomadentent willen ze niet wonen. Batsuuri en Jargalsaikhan willen beton onder hun voeten. En uitzicht op de kale bergen van Mongolië.

Hij kon niet eerder komen: door de papiermolen en omdat ze een jaar geleden alleen geld hadden voor haar reis. Om naar Tsjechië te komen moest hij vijftienhonderd dollar neerleggen: de helft voor de treinreis, de rest voor visa, vertalingen, bemiddeling en postzegels. „Elke stap heeft een prijs”, zegt Jargalsaikhan. Tienduizend kilometer, tienduizend stappen, tienduizend keer betalen.

Jargalsaikhan kwam in Tábor aan met een vreselijke kiespijn. Hij was nog niet verzekerd, dus hij moest zelf betalen. „De tandarts zei: ‘het trekken kost 1.800 kroon, de verdoving 100’, vertelt Jargalsaikhan. „Ik liet mijn lege portemonnee zien, maar dat maakte geen indruk. ‘Doe dan alleen de verdoving maar’, zei ik.”

Batsuuri haalt een kistje uit de kast, gevuld met glinsterende kraaltjes. Ze grabbelt en toont het tangetje waarmee ze oorbellen maakt. „Daarmee heb ik zelf mijn kies getrokken”, zegt Jargalsaikhan. „Het heeft me 1800 kroon bespaard.” Het Mongoolse paar schiet in een daverende lach. Maar een ogenblik later zegt Batsuuri, ernstig: „Je kunt hier maar beter niet ziek worden.”

Op de schrijftafel van Vrbatová staan tientallen pasfoto’s van Mongoolse migranten. Ze zijn jong en kerngezond. Tsjechië eist van elke gastarbeider een doktersverklaring.

Mongoolse werkzoekers zijn voorlopig de laatste lopers in de migrantenestafette die van oost trekt naar west. Eerst trokken de Tsjechen en Polen naar West-Europa. Hun plaatsen werden ingenomen door Oekraïners en Wit-Russen. Nu volgen de Aziaten. Tot voor kort liepen ook de Noord-Koreanen in de estafette mee. Maar na groeiende kritiek kwam aan die praktijk snel een einde. De arbeiders werden geschaduwd door een Noord-Koreaanse overheidsfunctionaris die ook hun salarissen in ontvangst nam. Daarbij was de tewerkstelling in strijd met sancties van de Verenigde Naties tegen het communistische Noord-Korea.

Werkgevers zijn sindsdien boos. Ze voelen zich gebrandmerkt als ‘slavendrijvers’. „Als we met journalisten willen praten, nemen wij zelf het initiatief wel”, zegt een zegsman van Faurecia. De slagboom van de fabriek blijft dicht. Ook de brancheorganisatie voor Tsjechische textielbedrijven geeft geen informatie over buitenlandse naaistertjes. „Dat is bedrijfsgeheim.”

Volgens het Tsjechische ministerie van Arbeid vormen de Oekraïners met 57.000 in Tsjechië de grootste groep arbeiders van buiten de Europese Unie. Ze wonen op zeven uur rijden van Tsjechië. Meteen op de tweede plaats staan de Mongolen: met 5.500 arbeiders. Moldaviërs staan derde.

Maar de Tsjechische bedrijven hebben meer werknemers nodig, vooral in de bouw en de textiel. Daarom introduceert Tsjechië volgend jaar een greencard, die werk- en verblijfsvergunning combineert. Die moet arbeidsmigratie vereenvoudigen. In buurland Polen overweegt de overheid om duizenden Chinese arbeiders aan te trekken. In 2012 is Polen gastland voor het EK voetbal. De Chinezen moeten helpen bij het bouwen van nieuwe stadions.

In de entreehal van het arbeiderspension is een loket, waar een vriendelijk gezicht bovenuit steekt. Batsuuri moet haar paspoort laten zien. Ze staat elke dag voor dit loket, al een jaar lang, maar de conciërge herkent haar niet. Hij noteert vriendelijk haar gegevens. Even ontstaat paniek, Jargalsaikhan is zijn paspoort vergeten. Na enig aandringen mag hij binnen, als hij ook maar tijdig weer vertrekt: voor tienen.

Jargalsaikhan zet een dvd op met alle grote successen van Boldbaatar, de ster van de Mongoolse popmuziek. Boldbaatar zingt in feeërieke bossen, op eindeloze vlaktes en vanaf steile rotsen en altijd in het gezelschap van mooie vrouwen. In een van zijn videoclips zit een veldslag met woeste krijgers. Dzjengis Khan is nooit ver weg, ook niet in Tábor.

Batsuuri en Jargalsaikhan stellen zich aanvankelijk wantrouwend op. Buiten de fabriek heeft Batsuuri nog nooit met een Tsjech gesproken, laat staan met iemand uit een ander Europees land, in haar eigen tijd gesproken. Het contact met de buitenwereld verloopt via tolken van Euromontec, en anders met handen en voeten. Maar eigenlijk praat ze alleen met Mongolen. Of ze praat niet.

Ze is eigenlijk visagiste, vertelt Batsuuri. Een jaar geleden had ze nog mooie handen. Haar moeder heeft een handeltje in levensmiddelen, waar Batsuuri zo terecht kan. Maar zij droomt van een eigen beautysalon. Boven het bed van haar zus hangen familiefoto’s, boven het andere idyllische vergezichten van een kalender. En een foto van een Tsjechische pornoster. „Van de vorige bewoners”, zegt Batsuuri. „Achter die vrouw zit een lelijke vlek op de muur.” De intieme delen heeft ze afgeplakt.

Op een andere muur, boven een commode, hangen bladzijden uit een kooktijdschrift, met plaatjes van dampende Tsjechische gerechten. „Dat is onze keuken.”

In het oude Tábor is een restaurant waar Mongoolse biefstuk op het menu staat. Batsuuri en Jargalsaikhan zijn er één keer geweest om zijn aankomst te vieren. Maar behalve de naam was er weinig Mongools aan het gerecht. „Wij eten thuis schapenvlees.”

In Ulaanbaatar gingen ze graag naar Trans, een discotheek met harde housemuziek. Maar dat soort verzetjes kunnen ze zich in Tábor niet veroorloven. Hun maandsalaris is netto 8.000 kroon (302 euro), exclusief overwerk. Zonder tussenkomst van Euromontec zouden ze meer verdienen. Veertig procent van het uurloon gaat naar het uitzendbureau. Maar zonder Euromontec zouden ze verloren zijn.

Jargalsaikhan moest bij aankomst eerst naar de lokale vreemdelingenpolitie en het stadshuis van Tábor, altijd met een tolk. Daarna moest hij in de fabriek een examen afleggen, achter de naaimachine. Hij kreeg een 8 en werkt nu drie maanden op proef.

Ze kennen de verhalen van Mongolen die huis en haard verkochten om in het buitenland te werken en teleurgesteld terugkeerden. Maar zij zijn anders, ze zijn jong, ze hebben ambities. Nog liever zouden ze in Canada of Zwitserland zitten. „Daar is het beter dan in Tsjechië”, zegt Jargalsaikhan. „Dat heb ik op internet gezien.” De migrantenestafette holt door.