Rechtspraak is geen productiebedrijf

De middelmatigheid van rechters en officieren van justitie komt doordat het bedrijfsleven juristen beter betaalt, menenNico Schimmel en Ronny van de Water.

De voormalig voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, Bert van Delden, bevestigt dat bij de rechterlijke macht weinig briljante juristen instromen. Instroom van goede middelmaat volstaat (NRC Handelsblad, 15 december).

Voorzover wij hebben kunnen nagaan heeft deze opmerking tot weinig commotie in de Tweede Kamer geleid. Dit laatste is in feite net zo zorgelijk als de opmerking van Van Delden zelf. Het betreft hier immers niet een gewoon bedrijf, maar een instituut dat één van de drie pijlers is waarop ons democratisch staatsbestel rust. Gezien de belangrijke rol die de rechterlijke macht speelt in de steeds complexer wordende samenleving kan niet worden volstaan met rechters die gemiddeld genomen niet boven het juridische maaiveld uitkomen. Als scheidsrechter in geschillen tussen burgers onderling en tussen burgers en de overheid dient buiten twijfel te staan dat de kwaliteit van de rechterlijke macht op zijn minst gelijkwaardig is aan die van de topadvocatuur.

Sinds enige jaren is echter sprake van een tegenovergestelde ontwikkeling. Het lukt de rechterlijke macht – en overigens ook het Openbaar Ministerie – niet of nauwelijks om juristen aan te trekken (en soms te behouden) die qua juridische ervaring en kwaliteit boven het gemiddelde uitsteken. Dat een in verhouding tot het bedrijfsleven achterblijvende salarisontwikkeling daarbij een rol zou kunnen spelen, is tot op heden slechts door de voorzitter van het College van PG’s, mr. H.N. Brouwer, uitgesproken. Uit een recent onderzoek van de Raad voor de Rechtspraak is voorts gebleken dat de kwalitatieve instroom via de RAIO-opleiding, wellicht om dezelfde reden, nog meer zorgen baart.

Verder treden in de praktijk voornamelijk vrouwen toe tot de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie. Daar waar dertig jaar geleden nog sprake was van een bolwerk van mannen van gegoede komaf, is er thans sprake van een vrouwenbolwerk.

Deze ontwikkeling heeft op zich geen invloed op de kwaliteit van de rechtspraak, maar is wel onwenselijk, daar de rechterlijke macht een afspiegeling van de maatschappij dient te zijn. Deze ontwikkeling hangt ongetwijfeld samen met het gegeven dat de mannelijke kostwinner vanwege het inkomen veelal kiest voor een carrière in de advocatuur of bedrijfsleven boven toetreding tot de rechterlijke macht.

Deze ontwikkelingen zouden de Raad voor de Rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak (de vereniging voor rechters en officieren van justitie) grote zorgen moeten baren, maar beide lijken in deze ontwikkelingen te berusten. Deze berusting heeft waarschijnlijk te maken met een andere ontwikkeling: die van de steeds toenemende productiedruk.

Blijkbaar bestaat er bij het management meer behoefte aan gemiddelde ambtenaren die in staat zijn om braaf productie te draaien dan aan onafhankelijke kritische scherpzinnige juristen. Ook deze laatsten moeten overigens in staat zijn om efficiënt te werken en een normale productie te halen. Een terugkeer naar oude tijden waarin rechters soms maanden zaten te broeden op een vonnis wordt door ons zeker niet bepleit, maar op dit moment is de ervaring op de werkvloer dat het behalen van de productienormen van groter belang is dan kwalitatief goede rechtspraak.

Zo wordt bij sommige gerechtshoven en rechtbanken per rechter bijgehouden wat het percentage aangehouden zaken is. Wanneer een rechter een aanhoudingspercentage heeft dat boven het gemiddelde ligt, dan vindt hierover – zonder dat er belangstelling bestaat voor de redenen van aanhouding – een gesprek plaats. Veelal worden zaken aangehouden omdat het onderzoek niet volledig genoeg is geweest om tot een verantwoorde beslissing te komen. Als de rechter in dat geval kiest voor de kwaliteit van de rechtspraak heeft dat door de absurde financiering van de rechtspraak – waarbij de rechtbanken voornamelijk worden gefinancierd per uitgesproken vonnis – tot gevolg dat de inkomsten in dat jaar tegenvallen door teveel aangehouden zaken.

Door de beleidsmakers van de Raad voor de Rechtspraak wordt weliswaar met de mond beleden dat de kwaliteit van rechtspraak voorop staat, maar als tegen het einde van het jaar blijkt dat afgesproken productienormen niet worden gehaald, worden er bij veel gerechten extra zittingen gedraaid of worden er per zitting meer zaken afgehandeld. Aangezien het nu al de praktijk is dat zaken zelden beginnen op het geplande tijdstip doordat er regelmatig te veel zaken op één zitting worden gepland, is dat vanuit een klantvriendelijke werkwijze een zeer onwenselijke ontwikkeling. Dat een en ander de kwaliteit van de rechtspraak niet ten goede komt, behoeft geen toelichting.

Vanuit de advocatuur is met verwijzing naar Europese rechtspraak terecht gewezen op het feit dat in het strafrecht beslissingen ten aanzien van de voorlopige hechtenis bij gevoerde verweren beter moeten worden gemotiveerd. Als op een raadkamer gevangenhouding op één dagdeel echter geregeld meer dan twintig zaken worden behandeld – hetgeen regelmatig aan de orde is – ontbreekt de tijd om beslissingen die betrekking hebben op de voorlopige hechtenis naar behoren te motiveren. Vanaf begin 2008 zullen de strafrechters hun beslissingen beter en vooral uitgebreider moeten motiveren. Dat is uiteraard een goede ontwikkeling, maar ook hiervoor geldt dat er te veel zaken zijn en te weinig rechters (en griffiers) om dit kwalitatief goed uit te voeren.

Voorts lijkt de Raad bij haar streven naar kwaliteitsverbetering aan windowdressing te doen. Ter verhoging van de kwaliteit roept de Raad de gerechten op meer zaken meervoudig af te doen, maar stemt er vervolgens mee in dat zaken ‘meervoudig’ worden afgedaan door één rechter, terzijde gestaan door twee plaatsvervangers.

De rechterlijke macht (en het openbaar ministerie) maken op dit moment een zorgelijke ontwikkeling mee als het gaat om het leveren van kwalitatief goed werk. Het is op dit moment nog niet zo dat er sprake is van het afleveren van slecht werk, echter als we op deze weg voortgaan is dat nog maar een kwestie van tijd. Willen we het tij keren, dan is het (weer) binnenhalen van topjuristen een eerste stap. Van de Raad voor de Rechtspraak mag verwacht worden zich hiervoor in te zetten in plaats van de huidige berusting in de middelmaat.

Nico Schimmel is raadsheer sector Strafrecht Gerechtshof Amsterdam.Ronny van de Water is rechter sector Strafrecht Rechtbank Amsterdam.