Oude schaatsvorm heeft geen vedettes

Ronald Mulder en Mayon Kuipers wonnen het eerste NK kortebaan sinds 2003.

Maar heeft de oervorm van hardrijden op de schaats naast historie ook toekomst?

Tijdens het NK flitsen de toppers langs een lint liefhebbers, die hun eigen tocht rijden. Foto Michael Kooren Nederland, 22-12-2007, Biddinghuizen , NK Kortebaan op Flevonice . foto: Michael Kooren/ Utrecht Kooren, Michael

Piet de Boer (59) verhaalt grijnzend van de elf nationale titels die hij vanaf 1968 bij elkaar schaatste, op nog geen vijf meter van waar de starter de deelnemers aan het NK kortebaan 2007-2008 weg schiet. De veehouder uit het Friese Jellum werd met zijn recordaantal kortebaantitels zelfs Fries Sportman van de Eeuw, vóór grootheden als Abe Lenstra, Rintje Ritsma en Ids Postma. De huidige kortebaanrijders kunnen van een dergelijke status alleen maar dromen. Ronald Mulder (21) en Mayon Kuipers (19), die zaterdag de nationale titels wonnen, haalden niet eens teletekst.

In 2003 werd voor het laatst een NK kortebaan verreden. Sinds Thialf in 2001 letterlijk de deuren sloot, heeft geen kunstijsbaan in Nederland meer plaats voor een sprintwedstrijd over een recht stuk van 160 meter (mannen) of 140 meter (vrouwen). En natuurijs was er ook al nauwelijks. De unieke nieuwe kunstijsbaan van Biddinghuizen, met een traject van vijf kilometer, bood uitkomst. Vanaf dit jaar is het doorgaan van het NK kortebaan gegarandeerd.

„Het ijs kraakt niet”, mopperen oud-kampioenen langs de kant. „Nijelamer, dat was het echte werk.” In het Friese dorpje was vorige week de eerste kortbaanwedstrijd, op ‘echt’ natuurijs. Maar in Biddinghuizen doen ze er alles aan om het ideaal zo dicht mogelijk te benaderen. Tijdens het NK flitsen de toppers langs een lang lint van liefhebbers, die gewoon hun eigen toertocht rijden door de Flevopolder. „Een aparte sfeer met al die schaatsers eromheen”, zegt oud-kampioen Andries Kramer, nu lid van de sectie kortebaan/supersprint van de schaatsbond. „Daardoor heb je hier ook de gezelligheid die zo typerend is voor de kortebaan.”

In de kantine trekt Hedman Bijlsma uit een ouderwetse schaatsmuts de lootjes voor de ritindeling. Gegniffel als de Friese schaatshistoricus in de eerste ronde de broers Ronald en Michel Mulder aan elkaar koppelt. De Zwolse tweeling eindigde ooit op de 500 meter bij het NK sprint tot op de duizendste van een seconde gelijk en is favoriet voor de titel in Biddinghuizen. Ronald won een paar dagen eerder nog in Nijelamer. Echt belangrijk is de loting niet. De twaalf tijdsnelsten plaatsen zich voor de volgende ronde, de broers lukt dat moeiteloos.

„Kortebaan is in Nederland de oudste vorm van hardrijden op de schaats”, vertelt Bijlsma intussen. De auteur van de ‘kortebaan-bijbel’ Ien, twa, trije: fuort! (Fries voor ‘Een, twee, drie: start!’) geeft regelmatig lezingen over de bakermat van het schaatsen. „De oudste geschreven bronnen gaan terug tot 1780. In Friesland had je op kruisingen van waterwegen vaak herbergen. Om ook in de winter klandizie te trekken, begonnen kasteleins schaatswedstrijden te organiseren. Simpel, rechttoe rechtaan, niet te ver van de kroeg af om de klanten niet te verliezen. Geen gedoe met tijdwaarneming, gewoon man tegen man. Wie het eerst bij de streep was, had gewonnen. En via het afvalsysteem bleef uiteindelijk één winnaar over. Je ziet dan dat er geleidelijk vaste afstanden komen: 160 meter voor mannen, 140 voor vrouwen. De eerste rit van de kerk van het dorp af, de tweede rit naar de kerk toe.”

De status van de sport blijkt vooral uit het prijzengeld dat er al vroeg mee was gemoeid. „Een van de eerste hardrijderijen met veel publiek is een wedstrijd voor vrouwen in Leeuwarden in 1805”, vertelt Bijlsma enthousiast. „De winnares kreeg een oorijzer van goud, ter waarde van 105 zilveren guldens. Theatraal gezegd is dat het jaarsalaris van Marianne Timmer!” In de tweede helft van de negentiende eeuw zag je in de kranten aankondigingen van wedstrijden met een prijzengeld van 140 gulden. Terwijl een arbeider in die tijd hooguit zeven gulden in de week verdiende.

Volgens de schaatshistoricus was de kortebaan tot ver in de twintigste eeuw de populairste vorm van schaatsen. „De kortebaan was veel groter en belangrijker dan de langebaan. Pas in de jaren vijftig zie je dat plotseling omslaan. De radio berichtte over olympische successen van Kees Broekman en Wim van der Voort op de langebaan. Even later komt de televisie erbij, en de kunstijsbanen.”

Terwijl Ard Schenk en Kees Verkerk het langebaanschaatsen een miljoenenpubliek bezorgen, kwijnt de kortebaan in snel tempo weg. „Sommigen noemen het nu folklore maar dat gaat mij te ver”, zegt Bijlsma. „Vooral in Friesland werd het nog wel serieus genomen. Toen de kunstijsbaan van Heerenveen werd gebouwd, eiste het gewest dat er een extra poot werd aangelegd voor wedstrijden over 160 meter. Tot de renovatie in 2001, toen vond men het blijkbaar economisch niet meer rendabel. ‘De poot’ werd afgekapt. Ik zeg wel eens: daarmee heeft Friesland een deel van zijn schaatstraditie begraven. Kortebaan, dát was het Friese schaatsen.”

Historie genoeg, maar toekomst? „Dit NK in Biddinghuizen is pure promotie”, zegt Jelle Jan de Jong van de sectie kortebaan/supersprint van de schaatsbond. „Het leeft gewoon minder dan vroeger”, vindt oud-kampioen Mathijs Kuiper (1975 en 1981), broer van TVM-trainer Geert.

Sprinttalent Jesper Hospes (19), lid van Jong Oranje, komt speciaal voor het NK kortebaan terug van een trainingskamp in Berlijn. Vader Henk was ooit viervoudig nationaal kampioen bij de junioren. Toch redt Hospes het niet tegen Ronald Mulder, die in de finale afrekent met zijn tweelingbroer Michel. „Mijn nationale record is 13,50”, had de legendarische Piet de Boer al voor de finale gezegd. „Mijn snelste tijd is 13,51”, zei Kuiper. De winnaar in Biddinghuizen doet er bijna een seconde langer over (14,43 is het nieuwe baanrecord). „Respect”, zegt Ronald Mulder over de kampioenen van het verleden.