Oké, dan noemen we het een chanoekaboom

De monotonie die het debat over de islam het afgelopen jaar kenmerkte, is nog vermoeiender dan het steeds maar hameren op de Verlichting, vindt Jan Blokker.

Op 24 december 1895 onderbrak Theodor Herzl in zijn Weense woonhuis voor een ogenblik het werk aan een opzienbarend pamflet, om te doen wat hij zijn drie kinderen had beloofd: de kerstboom optuigen. Het was waarschijnlijk de laatste keer dat hij zich binnen het gezin met zoiets aardigs onledig heeft gehouden. In de jaren daarna is hij van z’n talloze propagandareizen voor de stichting van een Judenstaat niet vaak meer thuisgekomen. Midden in de gezelligheid werden ze gestoord door de onaangekondigde visite van de Oostenrijkse opperrabijn Moritz Güdemann – en Güdemann stond paf. Hij had bij geruchte vernomen dat zijn gastheer er revolutionaire ideeën op nahield over de terugkeer van alle joden ter wereld naar het land van hun aartsvaderen. Dat was zonder het fiat van de Messias al bedenkelijk genoeg. Maar wat hij hier zag sloeg alles: de zelfverkozen Mozes en bevrijder van de verdrukte joden, gewapend met een glazen kerstengeltje naast het christelijkste van alle christelijke symbolen.

Herzl heeft de scène in z’n dagboek opgetekend: de bittere reprimande van de godsdienstleraar, en zijn eigen weerwoord. „Ik laat me nergens toe dwingen”, had hij gezegd. „Maar als ik u er een plezier mee doe, noemen we het een chanoekaboom of een teken van de zonnewende.” De reactie van een liberaal en verlicht man. Dat was hij ook: een liberaal en verlicht man van 1895 welteverstaan. Naar beschaafde normen van 2007 was hij een autocraat, die de staat waarvan hij droomde, wilde laten inrichten door een elitaire joodse voorhoede die eerst kwartier moest hebben gemaakt vooraleer joodse middenstanders en arbeiders welkom waren.

Herzl had weinig anders dan minachting over voor de duizenden goeddeels armzalige, ongeassimileerde Oost-Europese joden die het zionisme al jaren zelf hadden gekoesterd, maar dan als een heilsverwachting. Op het eerste zionistische congres in Basel had de voorzitter handschoenen aangetrokken om niet door al die gettohanden te worden aangeraakt. Verlicht, maar in de blauwdruk van het joodse land sprak hij over niet-joodse bewoners voor wie hij over de grens werk zou laten zoeken; want men zou de vreemdelingen „in unserem eigenen Lande jederlei Arbeit verweigern”.

‘De’ Verlichting bestaat niet. De geschiedenis, en zeker de cultuurgeschiedenis, rekent altijd af met verschijnselen die we voor onveranderlijk houden. De geschiedenis kent geen constanten, geschiedenis is geen wiskunde, ze moet het zonder axioma’s doen. Roep Voltaire uit zijn graf, en hij zal een conservatieve oude zeur blijken wiens spirituele, 18de eeuwse humor door niemand meer wordt begrepen. Daarom alleen al is het zinloos om hem en de zijnen voortdurend als getuigen aan te roepen in een debat over de islam van de eenentwintigste eeuw.

Ik wilde het verder ook helemaal niet over Herzl hebben, wiens dode lichaam rust in een kille, zwartmarmeren sarcofaag op een weinig bezochte heuvel boven Jeruzalem. Maar de manier waarop de geschiedenis na 112 kerstavonden het beeld van een verlichte, liberale geest onschadelijk heeft gemaakt, leek me een passende introductie voor enige ergernis over het debat waarin ‘de’ Verlichting te pas en te onpas als argument is aangevoerd om aan te tonen dat moslims – tenzij ze zich bekeren en alsnog kennis nemen van de verzamelde werken van Kant, Locke, Voltaire en de Encyclopedisten – nooit zullen kunnen integreren in onze westerse samenleving, en als Fremdkörper eerder een potentieel gevaar zullen blijven vertegenwoordigen.

Over welke islam hebben de debaters het eigenlijk? Ik lees graag en vaak over de grote kalifaten van Bagdad en Damascus uit de negende en tiende eeuw, toen de Arabische beschaving een steeds weelderiger karakter kreeg, en er bijvoorbeeld ruimte werd geschapen voor de hoogliteraire vertellingen van Duizend-en-één-nacht waarin een vrouw de metafoor belichaamt van het menselijk vermogen om met fantasie de dood te trotseren en de onsterfelijkheid af te dwingen.

In die cultuur werd trouwens ook graag geluisterd naar het smakelijke verhaal van de rijke, drankzuchtige sultan die tweemaal per dag zijn bad liet vollopen met wijn, dus zich als het ware dronken waste. Toen hem op een dag werd verteld dat de koran het innemen van alcohol zo niet verbood dan toch sterk ontraadde, liet hij het kostbaarste exemplaar van het heilige boek komen, en liet zijn dienaren de desbetreffende soera’s er radicaal uitscheuren.

Waar is die kleurrijke, sprankelende, creatieve islam gebleven? Gestraft door God, is altijd de vrome verklaring geweest. Alles wat Mohammed aan gebod en verbod van de engel Gabriël ingefluisterd had gekregen, werd in die wellustige paleizen, en door het volk dat elkaar ontuchtige fabels voorlas, aan de laars gelapt.

De vernederende straf werd uitgevoerd door de Turken, die geen Arabieren waren. In de elfde eeuw smoorden zij de verbeelding die zo lang aan de macht was geweest. Ze maakten zich de godsdienst eigen, en een beetje de wellust. Maar Allah kon pas echt een zucht van verlichting slaken toen zich eeuwen later een soort kalief voordeed die onder de naam Khomeiny in een kaal gymnastieklokaal, zonder één vrouw in de buurt, alleen op een matje sliep.

Hebben Paul Cliteur, Afshin Ellian, Frits Bolkestein, nog een paar intellectuelen en in hun kielzog een Opinio-grootheid als Bart Jan Spruyt, zich ooit afgevraagd hoeveel mogelijke Scheherazades toch nog altijd schuil kunnen gaan onder een hoofddoek of in een boerka, en die er op een dag uit te voorschijn kunnen komen als in de tijd toen Haroen-al-Rashid nog leefde? Hun verlichtingsmantra was al bijna opgebruikt toen ze werd ontdekt door intellectuelen van de tweede categorie, die we als politicus in Den Haag aantreffen of als commentaarschrijver in de journalistiek. Daarmee begon het grote papegaaien. Wat wist Geert Wilders nou meer van de muzelmannen dan dat een paus van heel lang geleden de gelovigen had opgeroepen om hen allemaal dood te maken? Mevrouw Verdonk beschikte niet eens over een ambtenaar die haar had kunnen vertellen dat sommige imams nog zo vaak heimelijk aan Duizend-en-één-nacht denken dat ze vrouwen geen hand durven geven. Kamerlid Hirsi Ali ging naar een islamitische basisschool, en vroeg aan de kindertjes aan wie ze gehoorzamer moesten zijn, aan Allah of aan de Nederlandse Grondwet. Toen de kindertjes in koor ‘Allah!’ hadden geroepen, keerde ze zich triomfantelijk naar de camera. Het verlichtingsbewijs was wéér geleverd.

Het afgelopen jaar heb ik weinig meer over ‘de’ Verlichting gehoord. Het argument is, denk ik, aan zichzelf ten onder gegaan: uitgewrongen, gemeenplaats geworden, angel én belangstellend publiek kwijtgeraakt. Het heeft plaatsgemaakt voor iets dat eigenlijk nog veel vermoeiender en mantra-achtiger is, omdat het mechanisme omkomt in monotonie.

We hadden in 2007 Ehsan Jami, een jongen die een comité voor ex-moslims opricht en, ofschoon voor die partij lid van de gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg, geen steun krijgt van de PvdA. Schande, roepen om beurten (of liefst gelijktijdig) de columnschrijvers Sylvain Ephimenco, Theodor Holman, Max Pam en Joost Zwagerman.

Jami heeft zich nog niet teruggetrokken om een nog ‘ergere’ film te maken dan Submission, of Hirsi Ali, terug in Nederland, blijkt door Den Haag niet meer beveiligd te worden. Schande roepen – in weer hetzelfde bevlogen mensenreddersproza – Sylvain Ephimenco. Theodor Holman. Max Pam en Joost Zwagerman.

Korte stilte. Maar het volgende onrecht komt er alweer aan. De van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten afgestudeerde fotografe Sooreh Hera behoort tot de zeven gelukkigen van wie werk door het Haags Gemeentemuseum zal worden geëxposeerd. Als directeur Wim van Krimpen via een krant te weten komt dat op twee van haar foto’s de gezichten van twee homoseksuelen zijn ‘afgemaskerd’ met afbeeldingen van profeet Mohammed en neef Ali (dat zou de directeur zelf nooit ontdekt hebben), weigert hij ze op te hangen. Schande, roepen Ephimenco, Holman, Pam en Zwagerman – en hun uitroep is nog niet verklonken, of de echtgenoot van een moslima verhindert een arts zijn vrouw te onderzoeken, en het wachten is op de volgende column van de Leon de Winters van Trouw, Het Parool, de meeste andere dag- en weekbladen, en de Volkskrant.

Het zijn alle vier ongetwijfeld even weldenkende, liberale en verlichte geesten als Theodor Herzl was in 1895. Maar hoe verlicht zullen ze nog lijken als we vijf, tien, dertig, of 112 kerstavonden verder zijn?

Jan Blokker is columnist.