Nog steeds boer, in een ander universum

Online bevochten ze demonen in opdracht van nietsvermoedende internetgamers uit Europa. Maar Feng Pengfei zocht ander werk. En Jing Shasha is terug in haar boerendorp. De virtuele werkelijkheid van de Chinese cyberindustrie verdroeg zich niet met de realiteit.

De lijn kraakt gestaag. Het is winter in China en zelfs de telefoon voelt klam en koud. Wanneer ze kuchend opneemt, lijkt de hoorn condenswolkjes uit te wasemen. Alsof ze zit te rillen.

Ik heb Shasha aan de lijn!

Haar bereiken was niet gemakkelijk. Het belletje verliep via Liu Dongyang in Zhengzhou naar Wang Facheng in Neixiang, via Wang Honglei in Peking, Dong Mi in Canton en ten slotte Feng Xiaohong in Zhumadian. Een reisje door de Chinese ether van zo’n vierduizend kilometer, met een haastige spurt van Xiaohong langs de visvijvers en de kippenhokken van hun boerderij in Zhumadian aan het einde.

Jing Shasha mocht dan wel een nietsontziende orc zijn geweest, een monster met bovenmenselijke krachten in dienst van de heersers van het virtuele universum dat World of Warcraft heet, maar gewoon even simpel bellen was er niet bij.

„Ik ben terug in Zhumadian”, verontschuldigt Shasha zich direct.

Zhumadian. Vorig jaar in Zhengzhou had het nog een magische klank gehad. Alsof de naam van het boerendistrict stond voor al het goede in de wereld. En de miljoenenstad Zhengzhou, op zeshonderd kilometer van Peking, voor al het kwaad. Zhengzhou was lawaaiig. Zhengzhou was vol. En de mensen waren er nog geen stuiver waard. „In Zhumadian bestaat tenminste vertrouwen”, had Shasha destijds gezegd. Haar verlangen lag duidelijk ergens anders. Maar in Zhengzhou was werk, in Zhumadian niet. In Zhengzhou had dromen nog zin, in Zhumadian niet.

En dus was Shasha samen met haar grote liefde Feng Pengfei naar de stad vertrokken, op zoek naar werk.

Ze belandden bij Liu Dongyang in een donker hol op de eerste verdieping van een internetcafé in een buitenwijk van Zhengzhou. Ze werkten in de ‘opwaarderingsindustrie’ zoals dat zo cryptisch heette: spelers van online computergames naar een hoger spelniveau werken. Of in de woorden van Shasha: rond de klok computerspelletjes doen in opdracht van mensen die er geen tijd of zin in hadden.

Ze hadden destijds vrij ongelovig op de advertentie van Dongyang gereageerd: „Spelers van het spel World of Warcraft gevraagd, tussen de 18 en 25 jaar, mannen en vrouwen, 600 renminbi [60 euro] per maand, inclusief kost en inwoning.”

Het klonk te mooi om waar te zijn, verdienen met het spel dat ze thuis in Zhumadian in het dichtstbijzijnde internetcafé wel eens hadden gespeeld. Als orcs en nachtelfen, gnomen en tauren, trollen en undead, of ‘gewoon’ als mensen. Vliegen op vogels met havikskoppen en leeuwenlijven, boottochten maken naar onbekende regio’s. In een wereld van glooiende heuvels en groene wouden. In een wereld waar je kon schitteren.

Met zo’n spel geld verdienen, dat wilden ze wel.

Maar de werkelijkheid was niet mooi. De dagen waren lang en de betaling bij nader inzien slecht. Bovendien was het leven in het gemeenschappelijk slaaphonk, met zijn grauwe maaltijden en de met stront besmeurde badkamer, niet de droomwereld waar Shasha en Pengfei naar op zoek waren.

En zo moest Zhengzhou er tijdens een avondwandeling door het drukke centrum uiteindelijk aan geloven. Shasha liet haar weerzin tegen de stad en haar inwoners de vrije loop. „Hier wil ik niet zijn’’, zei ze met uitzicht op de neonzee die het centrale plein van Zhengzhou is. „Ik wil terug naar Zhumadian. Met Pengfei. Ik wil daar zijn waar mensen nog wat voor elkaar over hebben. Ik wil naar Zhumadian.”

En nu was ze dan in Zhumadian. Maar gelukkig klonk ze niet. Aan de telefoon wisselde het kraken van de slechte lijn zich af met de gedempte tonen van haar stem. Van plannen maken was voorlopig geen sprake: de twintigjarige Jing Shasha was pas moeder geworden. Het was alweer een half jaar geleden dat ze Zhengzhou had verlaten. En Feng Pengfei, de vader van haar zoon, was nu alleen op zoek naar werk.

Zhumadian bleek haar niet te bieden waarop ze had gehoopt. En al helemaal niet onder de omstandigheden waarin ze nu verkeerde, als jonge moeder zonder geld. Maar in de stad wilde ze ook niet zijn. Het was een duivels dilemma waaraan ze voorlopig geen gedachten vuil wilde maken. Eerst moest ze de koude winter door met Fengjing, het kindje dat naar hun beiden was genoemd.

Shasha leerde ik kennen in de late zomer van 2006. Voor de hand lag die kennismaking niet, want mensen zoals zij werkten ondergronds. Shasha was een ‘goudboer’ zoals dat in het jargon heet, iemand die virtueel geld – goud – oogst.

Haar werk bestond uit het spelen van het computerspel World of Warcraft in opdracht van klanten uit het Westen. Spelers uit de Verenigde Staten of Europa, miljoenen waren het er inmiddels, die om de een of andere reden niet van plan waren hun spel van begin tot eind zelf te spelen en die het daarom maar hadden uitbesteed.

The New York Times had er als eerste over bericht. Ik vond het merkwaardig. Hoe bestond het dat er mensen waren die een spel kochten, eraan begonnen, en op een zeker moment besloten anderen te gaan betalen om het voor hen te spelen?

Het antwoord op die vraag was snel gevonden, maar daardoor niet minder vreemd. World of Warcraft bleek door de fabrikanten zo gemaakt dat het vooral heel veel tijd kostte om alle spelniveaus te doorlopen. Pas in de hogere niveaus konden de spelers volop gebruik maken van hun virtuele machten. Spelers betaalden abonnementsgeld om deel te kunnen nemen aan handelingen en acties met andere spelers, en hoe langer ze daarover deden, hoe beter dat was voor de game-industrie.

Veel ervaren spelers lieten het geploeter door de lagere niveaus van het spel daarom liever over aan anderen. En terwijl ze overdag zelf hun geld verdienden op kantoor lieten ze aan de andere kant van de wereld, in lage lonen landen zoals Roemenië, Mexico, Indonesië en met name China, gespecialiseerde bedrijfjes het vuile werk doen.

Dat jonge Chinese boeren zich als gold farmers lieten inzetten door de internationale cyberindustrie vond ik te bizar voor woorden. De hardwerkende boeren van communistisch China bleken niet langer de Gele Aarde te ploegen, maar virtuele grond. Ze waren nog altijd boer, maar in een ander universum!

Online lieten de Chinese cyberboeren zich nog wel traceren. De tussenstations voor hun handel waren de openbare marktplaatsen op het internet. Maar in de echte wereld lieten ze zich niet zien. Voor die geheimzinnigheid hadden die Chinese bedrijven zo hun redenen.

De game-industrie, met een omzet van een miljard dollar per jaar, stond de handel in virtuele goederen niet toe. Het geld dat daar omging, verdienden de fabrikanten liever zelf. Maar belangrijker: in China had het hele internet een slechte naam. In de ogen van de communistische overheid was het een bron van subversieve informatie, en raakte de jeugd er aan verslaafd. En dus werden er met steeds grotere regelmaat internetcafés gesloten, werd er een minimumleeftijd voor gebruikers ingevoerd, en werd de tijd die er achtereen gespeeld mocht worden aan banden gelegd.

Chinese gold farms liepen geen gevaar omdat ze handelden in verboden virtuele goederen, maar omdat ze 24 uur per dag operationeel waren.

Liu Dongyang, in wiens internetcafé Shasha en Feng Pengfei onderdak hadden gevonden, zwichtte waarschijnlijk vooral voor de aandacht. Hij was ijdel. Zelf een arbeidsmigrant en aan zijn leren polstasje en zijn hemden met Burberry-motief te zien, niet onsuccesvol. In zijn ogen was hij een weldoener. Hij gaf jonge boeren een kans, voorkwam dat ze in de bouw belandden, en hij leverde hun nog kost en inwoning ook. „Ik houd ervan mensen te helpen”, zei hij, en hij meende het.

Via Dongyang leerde ik Shasha kennen. Elke dag vond ik haar en veertig van haar collega’s in het donkere hol achter het blauwrode schijnsel van hun beeldschermen. Ze speelden zestig niveaus in twaalf dagen. Geheimtaal voor de leek, maar aan het vermoeide gelaat van de spelers te zien een hele prestatie.

In gesprekken met het personeel van Dongyang viel Shasha meteen op omdat zij anders was dan haar collega’s. Allemaal hadden ze het land verlaten op zoek naar werk. Allemaal waren ze tot hun eigen verbazing terechtgekomen in de cyberindustrie. En stuk voor stuk droomden ze van het echte stadse leven: een huis met centrale verwarming, een wc om op te zitten, en, het ultieme bewijs dat ze het platteland hadden losgelaten: een kind dat nooit met zijn voeten in een akker hoefde te staan.

Maar Shasha was anders. Zij wilde na gedane zaken in Zhengzhou het liefst weer terug naar haar dorp. Ook al wist ze dat daar geen toekomst lag.

Het was alsof ze door had dat de dromen van haar collega’s uit de cyberindustrie minder realistisch waren dan de virtuele werkelijkheid waarin ze hun geld verdienden. Alsof ze doorhad dat de stad, waar de hele wereld naar toe moest, aan elkaar hing van dezelfde schijnwaarden en huichelarij.

Dat ik haar nu, een jaar later, op haar boerderij in Zhumadian aantref, is eigenlijk een verrassing. Het zou goed nieuws moeten zijn, maar in de ogen van Shasha is ze thuis omdat ze in de stad niet is geslaagd. In het moderne boerenbewustzijn is falen in de stad een bewijs van onvermogen. Immers, iedereen zoekt werk in de stad, en je komt pas terug als je buidel gevuld is. Daarom had ze Pengfei bij het onverwachte nieuws van haar zwangerschap ook duidelijk gemaakt dat ze het kindje liever niet wilde houden. Ze was er nog niet klaar voor. Haar beurs was nog net zo leeg als bij haar vertrek uit Zhumadian. Maar Pengfei had er niet van willen horen. Hij wilde dat hun kindje geboren werd.

En zo kwam er een eind aan Shasha’s leven in cyberspace. Ze keerde terug naar haar geliefde Zhumadian, maar onder andere omstandigheden dan ze had gehoopt. Nu zat ze thuis. Zonder Pengfei. Zonder haar grote liefde.

„Als we de winter maar doorkomen”, kraakte Shasha bibberend door de hoorn. Alsof met de dooi de toekomst ook weer vloeibaar zou worden. Alsof dan de wereld weer mogelijk werd.

Shasha en Jing Pengfei figureren in de debuutfilm ‘Cyberkoelies’ (2006) van Floris-Jan van Luyn, oud-correspondent voor deze krant in China, en cameraman Edwin Verstegen. ‘Cyberkoelies’ (55 min) is nog te zien op www.hollanddoc.nl, het digitale documentaire-kanaal van de VPRO en via YouTube.