Nieuwsnomaden

Met niet meer dan tien kilo bagage reisde hij een kwart eeuw als correspondent van bloedbad naar brandhaard. Hij zag Afrika en de journalistiek veranderen. „De pijnlijkste fouten maakte ik door klakkeloos berichten van persbureaus te geloven.”

Hongerige Ethiopiërs wierpen zich voor onze snel rijdende auto. Zo moesten we wel stoppen om hun wat te eten te geven. Stervenden in een hongerkamp kropen naar het lijkenhuisje op de hoogste heuvel. Het water van de lijkenwasser stroomde hen tegemoet. Alleen voor de sterksten en voor de kinderen was er wat voedsel. In de hooglanden groeven honderden hongerige hoopjes mens zich in tegen de bittere kou. In de ochtend werden hun lijken op een rijtje uitgestald.

Mijn eerste confrontatie met massaal sterven had ik in 1984 in Ethiopië tijdens de grote hongersnood waarbij één miljoen mensen omkwamen. Aan het einde van de dag praatte ik met twee collega’s over hoe de ervaring van ons af te schudden. We wisten het wel: dat kon alleen door vechten of neuken. Ik schaamde me voor deze gedachte.

Een week later was ik terug in de hoofdstad Addis Abeba en voor het eerst bij een telefoon. Ik belde mijn verhaal door naar de krant. De stenotypiste onderbrak me meteen: „Dat kan niet waar zijn.” Die verbazing over verhalen uit Afrika hoor ik nauwelijks meer.

De hongersnood schiep nieuwe mogelijkheden. Het ijzeren duo Reagan-Thatcher zag een kans het militair/marxistische regime van Ethiopië ten val te brengen door de bevolking voedselhulp te ontzeggen. De hulpverleners en de popwereld sloegen voor het eerst hun handen ineen. Ze organiseerden de inzamelactie Band Aid en zongen We are the World .

De televisiecamera’s brachten Afrikaanse ellende met ongebreidelde hebzucht de huiskamers binnen.

Een leger Westerse hulpverleners streek neer, om nooit meer te vertrekken. Miljoenen Afrikanen verloren niet hun leven maar wel hun waardigheid. Afrika kreeg het aanzien van een bedelaar. De berichtgeving werd steeds meer verslaggeving van honger en geweld. Ik spoedde me van hongerramp naar bloedbad.

Menig schrijvende journalist probeerde nog mens en situatie recht te doen met goed gekozen woorden. Tv-ploegen hadden minder gewetensbezwaren. Eind jaren tachtig zond CNN rechtstreeks uit vanuit hongerkampen in de Ethiopische Ogaden. Live sterven op tv werd gewoon.

Journalisten zijn brutale gluurders. Ze willen met eigen ogen zien dat heksenkinderen in Congo vliegen, vrouwen wenen en mannen moorden. Dat geeft kleur aan hun verhaal. In 1988 heerste er opnieuw hongersnood in Ethiopië. Een vrouw maaide miezerige sprietjes graan. Ze schaamde zich voor het groepje journalisten. „Waarom zoeken jullie ons alleen op wanneer God een vloek over ons heeft uitgesproken?”, jammerde ze. Ze hurkte op de droge aarde, rolde zich op en begon zachtjes te huilen. Goede beelden voor de camera.

Afrika raakte in de loop van de jaren tachtig in verval en het aantal oorlogen vermenigvuldigde zich. De in Nairobi gestationeerde journalist werd oorlogscorrespondent. Ik probeerde te begrijpen waarom in Mozambique rebellen geslachtsdelen, oren en neuzen afsneden bij hun slachtoffers. Waarom strijders in Liberia doodskoppen van hun vijanden op stokken prikten. Het bizarre geweld trok een bepaald slag journalisten: cowboys met een duister militair verleden. Ze waren moediger dan de gewone correspondenten. Ze blonken ook uit door gebrek aan kennis van Afrika.

Oorlog gaat over hoe mensen met elkaar omgaan. Over machtsverhoudingen. Soms moet de correspondent door helse dalen om dat te begrijpen. In extreme situaties van leven en dood scherpt hij zijn zintuigen. Ik kon mijn hoofd niet afwenden toen in Rwanda in 1994 een Hutu-man een Tutsi-vrouw met een knuppel met spijkers neersloeg. In een kerk werden 4.000 Tutsi’s afgeslacht. Op de trap van de preekstoel lag het lichaam van een tiener. Onderaan de kansel drie vrouwen. Over het biechtbankje hing het lijk van een man. Jezus was van zijn kruis gevallen en neergekomen bij het onthoofde lichaampje van een meisje.

Correspondenten waren in die tijd onafhankelijker van hun hoofdkantoren dan tegenwoordig. Er bestonden nog geen goede telecommunicatieverbindingen tussen Afrika en de rest van de wereld. Vele dagen kon ik me niet melden vanuit Rwanda. Ik was zoek. Later bleek dat de krant mijn verzekering voortijdig had opgezegd. De premie was een slordige achthonderd gulden per dag.

In 1986 achtervolgde ik met het rebellenleger van Yoweri Museveni een groep vluchtende regeringssoldaten in Ethiopië. Ze hadden tien minuten voorsprong. Toch namen de vluchtende soldaten de tijd. In hun voetsporen lieten ze vers verminkte lijken en verkrachte vrouwen achter. Geweld en seks horen bij elkaar, had ik in Ethiopië al eerder geleerd. In Congo is de penis een wapen van massavernietiging. Net als in Darfur.

Voor mijn reis naar de Noord-Ethiopische provincie Tigray wachtte ik in 1990 een week lang in het Oost-Soedanese stadje Kassala. In het geheim zou ik vandaar de Ethiopische grens oversteken. Leden van de Tigrayse verzetsbeweging sloten me op in hun pand. Niemand sprak een taal die ik verstond. Op de binnenplaats bestudeerde ik aandachtig muren, scheuren in muren, gaten in muren, hagedissen op muren. Zo leerde ik de tijd te verslaan, een gave die onontbeerlijk is om in Afrika te kunnen reizen. Negentig procent van zijn tijd verdoet een correspondent nog altijd met regelen en wachten.

De moderne communicatiemiddelen maken het werk van de correspondent gehaaster en soms ook oppervlakkiger. Wie herinnert zich nog de stampende telexmachine? Of de verbaasde telefoniste en stenotypist? Met de satelliettelefoon zijn journalisten nu 24 uur per dag bereikbaar en digitaal verbonden met de hoofdkantoren.

In Ghana in 1981, tijdens de staatsgreep van Jerry Rawlings, was de buitenwereld lange tijd onbereikbaar. In Tsjaad in 1983 waren er twee buitenlandse telefoonlijnen: één voor de president, de andere voor alle journalisten. Uren moest je wachten om een krantenstuk of radiobijdrage door te sturen. De deadline was naar eigen keuze.

Ik reis altijd alleen met handbagage van tien kilo. Iemand met een koffer op wieltjes of een hutkoffer heeft te veel bagage om op te gaan in de omgeving, om lang te lopen en zich geen zorgen te hoeven maken over zijn dure spullen. Onzichtbaar en onbevangen zijn betekent onbelast zijn. Een opschrijfboekje kan de harmonie al verstoren. In het zicht van camera’s en microfoons gaan mensen zich anders gedragen. Ik loop nog steeds stiekem weg bij gesprekken om even snel wat aantekeningen te maken, onder het excuus de blaas te ledigen.

Met tien kilo bagage op reis gaan is vrijwel niet meer mogelijk. De computer en andere zware attributen moeten mee evenals de satelliettelefoon. Die dure last kan je niet overdag achterlaten in een bar. Met dat gewicht kun je niet door een woestijn zeulen. Je hebt een deel van je thuis meegenomen en komt niet los van jezelf.

De apparatuur die ik meetors, verhoogt de snelheid waarmee het nieuws de krant en radio bereikt, maar niet de kwaliteit. De druk van de redacties wordt groter, omdat ik steeds bereikbaar ben. Voor de radio bericht ik vanuit Soedan over Congo, vanuit Mali over Nigeria. De pijnlijkste fouten maakte ik door in dergelijke omstandigheden klakkeloos de berichten van persbureaus te geloven die ik op de computer had binnengehaald.

In mei 2004 behoorde ik tot de eerste verslaggevers die de verschroeide aarde van Darfur bezochten. Een paar maanden later belde de BBC me op voor een bijdrage over de Arabische militie, de Janjaweed. Dat verbaasde me want de Britse omroep had toch zelf veel mensen in Darfur. „Ja, we hebben twintig man ter plaatse. Maar ze weten weinig van Darfur”, reageerde de BBC-man vanuit London. Het was in de tijd dat de BBC vrijwel dagelijks opende met Darfur.

Rond Darfur ontstond door simplificering een eenzijdig beeld van Arabieren die Afrikanen afslachten. Al die afzonderlijke lagen van een Afrikaans conflict blijken voor veel journalisten moeilijk te beschrijven. Ook laten veel journalisten die uit Europa en de VS worden aangevoerd, zich makkelijk op sleeptouw nemen door de toegestroomde hulpverleners. Daardoor rapporteren ze over het conflict door de bril van de buitenlandse hulporganisaties. Jammerpartijen van hulpverleners krijgen veel aandacht. Alsof de brandweer belangrijker is dan de brand.

Het gaat ontegenzeggelijk beter met Afrika dan toen ik een kwart eeuw geleden in Afrika begon als journalist. Maar Afrikaanse staten blijven zwak, veel politici zijn ondeskundig en de democratisering die in de beginjaren negentig is ingezet, blijkt niet duurzaam. Voldoende redenen om het snel veranderende continent op de voet te blijven volgen. Maar de meeste buitenlandse media hebben hun belangstelling voor Afrika verloren. Steeds minder kranten spenderen geld aan dure correspondenten. Ze worden vervangen door freelancers, vaak vluchtige voorbijgangers zonder toereikend reisbudget. De correspondenten die er nog zijn, krijgen steeds meer verzoeken voor sfeerverhalen. Politieke ontwikkelingen dienen alleen nog als decor.

Die leemte wordt de laatste jaren ten dele gevuld door internationale organisaties als de denktank International Crisis Group en Human Rights Watch. Zij doen het gedegen onderzoek waar journalisten geen tijd meer voor hebben. Zij schrijven dikke rapporten – gratis via internet beschikbaar – die als leidraad dienen voor de journalisten die minder goed zijn ingevoerd. Zij bepalen de berichtgeving over landen als Somalië, Congo, Tsjaad en Soedan. Zij schetsen het beeld van reddeloze Darfuri die moeten worden verlost door buitenlandse hulpverleners en militairen. Voor eigenzinnige correspondenten die niet mee draven met de kudde, blijft ruimte. Maar de ruimte voor deze nomaden wordt steeds kleiner.