Misdaad en straf: allemaal één pot nat geworden

Voorzover ik me kan herinneren is in Nederland nooit een rechtbankfilm geprobeerd. Logisch misschien: we hebben ook geen jury’s, dus is er geen theater.

Over het ‘proces van de eeuw’ is dit jaar in de media wel een hoop poeha gemaakt, en Lex Runderkamp werd zo bekend dat hij als de Bart Chabot van de journalistiek mocht meedoen aan het Nationaal Dictee, maar om nou te zeggen dat het bloed regelmatig in m’n aderen is gestold – nee. Op het moment dat de NPS toestemming kreeg om het vonnis live uit te zenden, hadden ze natuurlijk ook meteen moeten vragen of ze de voorlezing mochten laten verrichten door een oudere acteur van het type Spencer Tracy of Henry Fonda. Dan was het misschien nog wat geworden.

Wat me van Hollywood (waar het genre lang heeft gebloeid) altijd heeft verwonderd was de rolverdeling tussen openbare aanklager en verdediger. Je zou denken dat de district attorney, die uit naam van de samenleving (the people of Noord- Holland versus Willem Frederik Holleeder) het kwaad te lijf gaat, consequent een stuk sympathieker zou zijn dan de advocaat, die de moordenaar met allerlei achterbakse foefjes uit de gevangenis probeert te houden. Het tegendeel is waar.

Ik zou zo gauw geen Amerikaanse film weten waarin een officier van justitie er goed af komt. Ze zijn altijd de uitgesproken losers in het drama. Op z’n mooist ogen ze als Fred Teeven-achtige bluffers die de zaak te elfder ure toch verprutsen, en op z’n meelijwekkendst blijken ze geboren sufkoppen die ongeoorloofde taps in het dossier laten zitten, zodat ze aan het eind van de zitting een levensgevaarlijke bende getatoeëerde boeven op Harley Davidsons vrolijk naar huis zien rijden.

De held in het genre is altijd de advocaat – zeg maar de Perry Mason, die immers in de loop van vele film- en televisiejaren het prototype is geworden van alles wat de rechtstaat tot een rechtstaat maakt. Onkreukbaar, intelligent, in z’n jeugd getroffen door kinderverlamming die hem in z’n rolstoel des te strijdbaarder heeft gemaakt, en steeds bijgestaan door een secretaresse die de aantrekkelijkheid heeft van een femme d’un certain age en die tot alles bereid is zolang het maar ten goede komt aan het Werk.

In de Nederlandse werkelijkheid – dat is vermoedelijk nóg een reden waarom zulke films nooit zijn gemaakt – is het onderscheid tussen de twee veel diffuser.

Het Openbaar Ministerie treedt bij ons alleen maar naar buiten als een employee z’n laptop met vertrouwelijke gegevens bij het vuilnis heeft gezet of wanneer hij tijdelijk fractievoorzitter is geweest van een politieke partij die (hoe symbolisch!) evenmin ooit iets bereikte. Interessant is de recente ontwikkeling waarbij het OM de rechtenfaculteiten afgaat om de mooiste studentes op de kop te tikken die na hun masterscriptie als persofficier de show dichter bij ons bed mogen zien te brengen.

Het is vermoedelijk een antwoord op het steeds exhibitionistischer gedrag van de Nederlandse advocaten, van wie eentje sinds kort zelfs, als de eerste de beste ex-voetballer, de hoofdrol speelt in een STER-spot. Maar de anderen zijn natuurlijk geen haar beter. Of ze zich nou laten filmen op de F-side-tribune van Heerenveen, opscheppen over een kogelvrij vest, of als sidekick figureren van Matthijs van Nieuwkerk – Perry Masons zullen ze er nooit mee worden.

En terwijl aanklagers en verdedigers zo hun bittere gevecht leveren om de gunst van het publiek, zie je nu al aankomen dat binnenkort een deskundige televisiejury de populairste misdadiger van het jaar zal aanwijzen.

In dat licht moet je die dingen zien. Een oude filmwet leert dat je van één pot nat nooit een spannende thriller kunt maken.