Met kerstbonus gaat ABP te ver

Het ABP bedrijft inkomenspolitiek met het kapitaal van de actieve en rustende deelnemers, stellen C.A. de Lange en B.M.S. van Praag.

Het ABP is in Nederland verantwoordelijk voor de pensioenen van zo’n 2,6 miljoen klanten bij de overheid en in het onderwijs. Een kwart van de Nederlandse huishoudens is volledig of gedeeltelijk afhankelijk van het ABP voor zijn pensioenvoorzieningen. De maatschappelijke reikwijdte van beslissingen van het ABP-bestuur is groot. Andere fondsen kunnen zich immers op de precedentwerking van de besluitvorming bij het ABP beroepen.

Tot voor enige jaren leefden ambtenaren in de veronderstelling dat zij een welvaartsvast pensioen kregen, maar de laatste jaren zijn de deelnemers van het ABP hardhandig uit de droom geholpen. De nominale pensioenen zijn weliswaar gegarandeerd, maar indexatie komt pas aan de orde indien de financiële middelen van het fonds toereikend zijn in de ogen van de toezichthouder, De Nederlandsche Bank (DNB).

Doordat de dekkingsgraad van het fonds onvoldoende was, heeft de laatste jaren de indexatie slechts ten dele plaatsgevonden. Gepensioneerden zijn daarmee cumulatief op achterstand gezet.

Dit is nauwelijks te wijten aan tekortschietende beleggingsvaardigheden van het ABP. In de eerste plaats spelen de wel zeer strenge eisen van de DNB een rol. In de tweede plaats ligt het natuurlijk aan een te laag premieniveau, dat is vastgesteld op 19 procent, waar een premie van circa 23 procent realistisch zou zijn om de indexatie te verzekeren.

De overheid heeft gewoon te weinig over voor haar huidige en gewezen ambtenaren. Zij speelt daardoor met vuur, want juist het imago van uitstekende en betrouwbare pensioenvoorzieningen was voor velen in het verleden reden om bij de overheid te gaan werken. Wanneer dit imago afbladdert, en dat doet het, zal dat de positie van de overheid als grote werkgever op de arbeidsmarkt verzwakken. Gezien de toename van het belang van de publieke sector in de komende decennia lijkt dat kortzichtige politiek.

Gelukkig heeft het ABP onlangs bekendgemaakt dat in november 2007 de dekkingsgraad 148 procent nominaal bedroeg, waarmee de door DNB geëiste 140 procent (onlangs tot 135 procent verlaagd) weer is overschreden en volledige indexatie voor het komende jaar weer mogelijk is.

Er is reden tot vreugde dat het ABP weer volledig indexeert en bovendien is overgegaan tot na-indexatie, zodat de onvolledige indexaties uit de laatste jaren zijn ingehaald en de eerder gekorte pensioentoezeggingen weer in positieve zin konden worden bijgesteld.

Hierbij moet echter wel bedacht worden dat het ABP slechts compenseert voor de stijging van het salarispeil van ambtenaren, niet voor de prijsinflatie. Ambtenaren hebben een zogeheten welvaartsvast pensioen en geen waardevast pensioen. Deze regeling leek lang geleden nog voordelig voor ambtenaren omdat de lonen toen sneller stegen dan de prijzen, nu is deze indexatiemethode een soort van gifpil gebleken.

Al tientallen jaren is de loonontwikkeling bij overheid en onderwijs achtergebleven bij de prijsontwikkeling, zodat in deze periode in deze sectoren een achterstand in koopkracht van ruim 20 procent is opgebouwd. De vraag is of de ambtenarenpensioenen niet conform de meeste pensioenafspraken mede aan het prijsniveau moeten worden geïndexeerd.

Ten slotte heeft het ABP-bestuur besloten om aan iedere gepensioneerde 300 euro uit te keren, ongeacht hun eerdere premiebetalingen, en ongeacht hun aantal deelnemersjaren. Het gaat hierbij om circa 210 miljoen euro in totaal. De totale uitkeringen liggen in de orde van 6,5 miljard. De gemiddelde bonus bedraagt dus circa 3,2 procent. Dit laatste bedrag is dan bedoeld als gedeeltelijke tegemoetkoming in de door gepensioneerden in de laatste jaren gemiste indexatie.

In feite bedrijft het ABP-bestuur met deze merkwaardige kerstbonus inkomenspolitiek met het kapitaal van de actieve en rustende deelnemers van het ABP. Bij de legitimiteit hiervan zijn dikke vraagtekens te zetten.

In de eerste plaats vragen wij ons af of het ABP-bestuur hiertoe gerechtigd is. Wat staat hierover in het contract tussen het ABP en het ministerie van Binnenlandse Zaken, de feitelijke opdrachtgever van het ABP? En als dit al binnen de formele bevoegdheid valt van het ABP-bestuur, dan rijst de vraag of de deelnemers dit willen, of ze daarvoor hun toestemming hebben gegeven en hoe dit interfereert met de inkomenspolitiek van de overheid?

Het gaat hier nog slechts om betrekkelijk bescheiden bedragen, maar het kan precedentwerking hebben voor andere pensioenfondsen. In hoeverre zijn pensioenfondsbesturen gerechtigd uit de reserves andere zaken te financieren dan de overeengekomen contracten met hun deelnemers. Wie is in laatste instantie eigenaar van de door deelnemers opgespaarde reserves?

Uiteraard ligt er een immense kloof tussen het wanbeheer bij het pensioenfonds van de havenarbeiders Optas en deze vrij onschuldige en ongetwijfeld goedbedoelde geste van het ABP. Toch liggen er dezelfde principiële vragen aan ten grondslag. Een publieke discussie hierover lijkt gewenst.

Prof. dr. C.A. de Lange is hoogleraar Laserspectroscopie aan de Vrije Universiteit en oud-lid van de Deelnemersraad ABP. Prof. dr. B.M.S. van Praag is Universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Kennisbank van De Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen.