Jong en oud zijn klant bij Minil

Met hun karren en manden dragen ook zij bij aan de chaos van miljoenenstad Jakarta. Maar in de straat zijn de venters een dagelijks baken. Vandaag bij het tuinhek een gesprek met Minil.

Een beroepsgeheim heeft ze niet en we nemen eerst in alle rust door wat iedereen in de straat zoal koopt. Wie jaagt angstvallig eeuwige jeugd na, wie is bang voor cholesterol, wie sukkelt met spierpijn, wie met tanende potentie? Vertrouwelijk wil ze zelfs wel kwijt welke klant haar ook telkens weer probeert te betasten.

Minil is een tukang jamu – een kruidenvrouwtje en dat al achttien jaar. In Europa en Amerika is alternatieve geneeswijze misschien in opkomst, hier is het nooit weggeweest. Het kruidenvrouwtje met een mand op de rug en daarin een pottencollectie aan kruidendrankjes is een vertrouwd element in het alledaagse straatbeeld. Minil loopt ’s ochtends en ’s middags, zeven dagen per week. Voordat ze thuis vertrekt maakt ze de drankjes warm. De mengseltjes van curcuma, gestampte rijst met kentjoer, gembers, betelbladeren en wat dies meer zij, maakt ze ook zelf. Dat doet ze elke dag.

Het zijn bijna altijd vrouwen die met kruidendrankjes lopen. Minil: „Wij weten er meer van, vrouwen hebben er een beter gevoel voor.”

Haar man gaat met bakso langs de deur, maar in een andere wijk. Samen hebben ze drie dochters en al een kleinkind. Een dochter heeft de middelbare school af en is telefoniste in een hotel. Minil en haar man doen het niet slecht, één keer per maand gaan ze naar Wonogiri, zo’n acht uur hiervandaan. Daar is hun geboortedorp waar ze een huisje hebben. Dat staat leeg. Minil is nu 43 en wil uiteindelijk daarheen terug en dan wat gaan boeren. Ze spaart voor een paar stuks vee.

Maar het is een beetje dubbel „want ik doe dit met enorm veel plezier en ik heb geen idee wanneer ik hier mee zou willen stoppen”. En ze zou de vertrouwde routine en de vertrouwde klanten enorm missen. „Ja, als je oud wordt moet je naar het dorp, maar ik moet er eigenlijk niet aan denken.”

Een vrouw uit de buurt schuift aan. Met een ingesleten automatisme vult Minil een half glas met curcuma, sap aangelengd met wat lauw water. En de klant vertelt: „Als ik het een dag niet drink, voel ik meteen het verschil.” Kijk, dat bedoelt Minil, zulke mensen zou je toch niet willen missen. De klant geeft Minil 3000 roepia – ruim 25 eurocent. Jong en oud zijn klant, ze heeft veel meisjes die een jonge huid willen houden. Minil zelf ziet er goed en verzorgd uit en, alsof het een commercial betreft, zegt ze stralend: „Ik gebruik het zelf elke dag, dat is mijn geheim.”

Als ze vrij is, kijkt ze thuis televisie – soaps op een oud zwart-wit toestel in een ruimte van 3 bij 3 meter. Maar ze is niet zoveel thuis, want ze loopt fikse afstanden met die mand op haar rug van huis naar haar vaste wijk en weer terug.

Nooit last van haar rug? Nee, en ze haalt een zakje fabriekskruiden onder uit haar mand, „speciaal voor rugklachten, inkoop 1000 roepia, verkoop 3000.” Ze bindt de mand weer aan, trekt haar kebaya en kain – hemd en rok – weer strak en wandelt verder: „Tot morgen.”