Hou de gordijnen open

Er was eens een tijd dat Nederlanders gul geld gaven aan India. In 1966 doneerden Nederlanders maar liefst 26 miljoen gulden voor de actie ‘Eten voor India’, waarmee de chronische honger in dat land moest worden bestreden. Nu zou niemand op dat idee komen. Er is diepe armoede. Maar van hongersnood is daar geen sprake meer. India is een economische grootmacht aan het worden.

De meeste gevolgen van deze macro-economische voorspoed in India, China en andere ‘opkomende markten’ zijn bekend. Maar sinds dit jaar zijn er nieuwe consequenties van het succes van India en de andere industriële grootmachten aan het licht getreden. Door de groeiende productie van biobrandstoffen en toenemende vraag naar etenswaren, stijgen de voedselprijzen. En niet zo’n beetje ook.

Dat is een aangenaam perspectief voor bijvoorbeeld de Nederlandse agrariërs die niet meer te kampen hebben met ‘boterbergen’. Voor India en China zijn de stijgende graanprijzen per saldo ook een positief teken aan de wand. Ze weerspiegelen de groeiende welvaart en het feit dat de burgers van deze landen zich een auto en beter eten kunnen veroorloven. Deze opwaartse mobiliteit is hun volste recht. Waarom zou alleen het oude Westen recht hebben op een welvaartstaat?

Maar onproblematisch is de prijsexplosie op de voedselmarkt niet. Vorige week sloeg de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) alarm. Volgens de FAO verkeren momenteel 37 landen in de gevarenzone van dreigende hongersnood. Die honger wordt nu eens niet alleen veroorzaakt door oorlogen of politieke conflicten, maar dit keer ook door de voedselprijzen. Die zijn met maar liefst 40 procent gestegen, een verviervoudiging ten opzichte van de prijsstijging in 2006. Daardoor is de voedselimport voor deze 37 landen in een jaar een kwart duurder geworden. Deze prijsexplosie heeft er volgens de FAO zelfs toe geleid dat er maar voor acht weken maïs ligt in de graanschuren van de wereld.

Dankzij de globalisering hebben, kwantitatief gesproken, nog nooit zoveel wereldburgers het zo goed gehad. Maar er zijn wel degelijk bijverschijnselen. Vandaar de noodklok van de FAO.

De paradox is dat de aandacht daarvoor geen gelijke tred houdt met de globalisering. De afgelopen twee decennia zijn er steeds meer grenzen geslecht: ideologische, economische en fysieke grenzen. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft nu 151 leden, tegen 75 bij haar oprichting in 1995.

Het aantal landen zonder grenscontrole (het Schengenverdrag) is sinds vorige week gegroeid van 15 naar 24. Maar dat heeft niet geleid tot navenant meer belangstelling voor de ontwikkelingen aan de andere kant van deze verdwenen grenzen. Integendeel. Juist de belangstelling voor de directe lokale omgeving neemt toe naarmate de mondiale interdependentie toeneemt.

Psychologisch is dat begrijpelijk. De wereld kan ook te groot worden en dus te ongrijpbaar voor de individuele mens. Maar rationeel is die introverte houding onverstandig. Het is misschien knus om de gordijnen dicht te trekken. Maar het helpt uiteindelijk niet.