Hij noemde zichzelf reporter de Ander

Voor Ryszard Kapuscinski was empathie de sleutel tot begrip van de wereld waarin hij reisde. Aldus schrijfster Lieve Joris die met de Poolse journalist bevriend was en inspiratie vond in zijn werk. „Allengs zou ik ontdekken dat zijn hulpeloosheid misschien wel zijn grote wapen was.”

De man die de smalle trap naar de lobby van het hotel aan de Keizersgracht afdaalde, beide handen aan de leuningen, ademde een en al crisis uit. Het zat in zijn kleren – een gevoerde jas van maoïstisch blauw, een wollen das en een velours petje – maar ook in zijn opgejaagde blik. Alsof de staat van beleg die op dat moment in Polen heerste, met hem was meegereisd.

Het was 1984 en Ryszard Kapuscinski’s boek De keizer, over Haile Selassie van Ethiopië, was net in het Nederlands vertaald. Ik werkte op de redactie van de Haagse Post, woonde samen met een Pool en zou naar Afrika vertrekken – het interview met Kapuscinski was automatisch naar mij toegerold.

We installeerden ons in de ontbijtkamer met uitzicht op de wintertuin van het hotel. De tafeltjes voor de volgende ochtend waren al gedekt en Kapuscinski zou tijdens het praten geestdriftig gebaren met een vork. Tweeënvijftig was hij, dertig jaar had hij als reporter door de derde wereld getrokken, zevenentwintig revoluties had hij verslaan. Toen de hoofdredacteur van het Poolse weekblad Cultura hem in 1975, na de val van Haile Selassie, had gevraagd een serie artikelen te schrijven over de Ethiopische revolutie, was hij braaf begonnen: de aankomst op het vliegveld, de taxirit naar het centrum, de verlaten straten, hier en daar een tank…

„Honderd keer had ik dat soort stukken geschreven”, zei hij, in dat zenuwachtige staccato Engels van hem. „Plotseling had ik er genoeg van.” De weken daarna was heel Warschau naar hem op zoek, maar hij liet zich niet zien. In zijn werkkamer tikte hij het ene na het andere begin van een verhaal dat telkens weer in de papiermand belandde, tot hij zo wanhopig was dat hij zelfmoord wilde plegen.

Het leven aan het hof van de keizer had hem altijd gefascineerd: de dienaren droegen goudkleurige pakken en bliezen op trompetten, maar liepen op blote voeten. En dan was er de keizer, die overal waar hij kwam de vliegen van zich af moest slaan. Want aan de rand van de byzantijnse hoftaferelen ving de armoede aan en stierven de Ethiopiërs van honger. Op een dag zag Kapuscinski het hondje voor zich dat de keizer altijd had vergezeld. „Het was een klein hondje van een Japans ras”, schreef hij. „Het heette Lulu.” Toen wist hij dat hij begonnen was.

De keizer las als een fabel. Het verhaal over het leven aan het hof van Haile Selassie werd verteld door zijn dienaren, maar op elke pagina was de aanwezigheid van de schrijver voelbaar, die door nachtelijke straatjes had gedoold op zoek naar zijn informanten.

Een jaar eerder was De keizer in het Engels vertaald. Vertalingen van De sjah aller sjahs, over Iran, en Nog een dag, over Angola, stonden op stapel. Kapuscinski had altijd geweten dat hij vertaald zou worden, maar hij was niet voorbereid geweest op de tol van de roem. „Westerse uitgevers zijn de grootste vijanden van hun auteurs!”, klaagde hij. Hij was een boek over Idi Amin van Oeganda aan het schrijven, maar iedereen leek met elkaar samen te spannen om hem weg te houden van zijn bureau.

Hij zat op het puntje van zijn stoel, zijn ogen schoten onrustig heen en weer. „Al dat gepraat”, zei hij plotseling, „zullen we de stad ingaan?”

De volgende dagen trokken we samen op. Hij moest naar de VPRO-studio voor een opname. Op dezelfde plaats waar presentator Adriaan van Dis een feestelijk roze pochet droeg, zat bij Kapuscinski een boodschappenlijstje van het Poolse thuisfront: 2 kg citroenen, 3 sinaasappels, Dr.Scholl-inlegzolen, lijm, dikke maillots. Met gehaaste pas liep hij naast me. In de Hema kocht hij batterijen, op de Albert Cuyp woelde hij in bergen tweedehands kleren, keurde wollen sokken en flanellen pyjama’s – voor het eerst op zijn gemak. De boodschappen die ik met hem deed, zou ik later met al mijn Afrikaanse bezoekers doen.

Onderweg vertelde hij. Over zijn Poolse geboortestadje Pinsk, dat inmiddels in Wit-Rusland lag. Als kind had hij haringkoppen en aardappelschillen gegeten, gerookt om zijn honger te stillen. Tijdens de oorlog was zijn familie naar de omgeving van Warschau gevlucht, waar hij met zijn vader van deur tot deur ging om potten en pannen op te lappen. Later had hij geschiedenis gestudeerd en was hij journalist geworden.

Als correspondent van het Poolse persagentschap PAP was hij veel armer dan zijn westerse collega’s. Op het vliegveld scheidden hun wegen zich: zij namen een taxi naar een luxehotel, hij ging op zoek naar een derderangs pensionnetje.

Al noemde hij zichzelf een reporter, zijn voorbeelden waren schrijvers als Saint-Exupéry en Cervantes, die de werkelijkheid vermengden met magie. Zo was het leven aan het hof van Haile Selassie ook geweest: in het waar gebeurde verhaal lag een parabel besloten. Het verbaasde hem dat hij nooit schrijvers tegenkwam op zijn reizen. Terwijl de uitdaging om de omwentelingen van deze tijd in een literaire vorm te gieten, zo groot was.

Door de jaren heen was Afrika zijn biotoop geworden. Vanuit zijn schamele onderkomens keek hij naar de dingen met de ogen van de jongen uit Pinsk. Afrika schudde zijn kolonisatoren af, voor de oude machthebbers kwamen nieuwe in de plaats en uitgehongerde massa’s trokken van het platteland naar de stad, hopend op een beter leven. Kapucinski begreep hun ontworteling, hun teleurstellingen, hun frustraties. Zelf had hij zich in Warschau altijd een immigrant gevoeld.

Empathie was de sleutel tot begrip van de wereld waarin hij reisde, zei hij. En je moest een sterke maag hebben, om te kunnen eten wat arme mensen je voorzetten, want alles veranderde in hun leven, behalve het eten dat ze kookten; het was belangrijk dit wezenlijke onderdeel van hun bestaan met hen te delen.

Hij miste elk spoor van het cynisme dat doorgewinterde journalisten vaak uitademen. Het Vlaamse dorpje Neerpelt waar ik vandaan kwam was weliswaar geen Pinsk, maar ik herkende de vervreemding die hij voelde als hij na een reis weer thuiskwam. Ik vertelde hem over mijn heeroom, in wiens voetsporen ik door Congo wilde trekken. Missieposten waren ideale uitkijkposten, zei hij, zelf streek hij daar altijd neer als hij door het Afrikaanse binnenland reisde.

We reden naar België, waar Kapuscinski meer interviews moest doen, onder andere voor het weekblad Knack. Wat voor blad was Knack, vroeg hij aan de medewerker van de uitgeverij, welke politieke kleur had het? Ik zat achter in de auto en verbaasde me: de avond ervoor had hij mij dezelfde vragen gesteld. Toen ik zijn boek Reizen met Herodotus las, zou ik het herkennen als de methode van zijn Griekse leermeester: steeds dezelfde vragen stellen, aan steeds andere mensen.

In Antwerpen zetten we onze strooptocht voort in de Grand Bazar. Hij vond alles duur – zelfs gloeilampen. En telkens was er weer die aan paniek grenzende hulpeloosheid. „Waar moeten we nu naartoe? Is het nog niet afgelopen?” Nabokovs professor Pnin ten voeten uit. Hoe kan zo iemand reizen, vroeg ik me af. Allengs zou ik ontdekken dat zijn hulpeloosheid misschien wel zijn grote wapen was. Het was onmogelijk niet van hem te houden en even onmogelijk niet voor hem te zorgen.

Op een dag zou hij me zijn land laten zien, had hij me beloofd. In 1987 schreef hij me een brief: kon ik in september komen? Het was een windstille periode in Polen. De staat van beleg was opgeheven, maar de ronde-tafel besprekingen tussen de regering en de oppositie waren nog niet begonnen. In die luwte trokken we van Warschau naar Krakow, van het bergstadje Zakopane naar de scheepswerven van Gdansk. Soms aten we in restaurants, maar meestal belandden we in een Bar Mleczny – Melkbar –, een gaarkeuken achtige kantine waar we, beschenen door grauw neonlicht, een bord pierogi – gevulde pasta – naar binnen werkten.

Kapuscinski praatte honderduit. Over Europa, dat vergeleken bij de Verenigde Staten, Japan en China een museum aan het worden was. Over zijn internationale carrière, die hem steeds meer tijd kostte. „Het Poolse ministerie van Buitenlandse Zaken is veel te gul met visa”, riep hij met die neiging tot overdrijven die ik van hem begon te kennen. „De helft van de mensen die Polen aandoet, komt mij bezoeken. Mijn huis is veranderd in een station!”

De Polen lazen zijn boeken over macht en willekeur in de Derde Wereld als allegorieën van hun eigen situatie. Omdat ze hun leiders niet als een morele autoriteit zagen, werden schrijvers hun kompas. Ze vroegen hem voortdurend om raad, hij moest listen bedenken om te kunnen schrijven.

Telkens als ik in de jaren daarna werk van hem las was het of ik in de verte een licht zag schijnen. Non-fictie literatuur noemde hij zijn genre, of ook wel literaire reportage. Veel medestanders had hij niet en met grote generositeit steunde hij mijn pogingen me een weg te banen in dit onontgonnen landschap.

Toen mijn boek Terug naar Congo verscheen schreef hij een aanbeveling die me hielp een Engelse uitgever te vinden, maar ook op andere manieren zou ik zijn leidende hand voelen. In 1988 ging ik naar Cairo. Naguib Mahfouz had net de Nobelprijs gewonnen. „Schrijf je een verhaal over hem?”, vroeg Kapucinski. „Nee, nee”, zei ik, „die heeft vast genoeg van journalisten.” „Maar je hoeft hem toch niet te spreken”, lachte hij, „je zou een tijdje met zijn vrienden kunnen optrekken, dat is vast interessanter.” En zo geschiedde.

Een jaar later belde ik hem vanuit Hongarije, waar ik op het melodieuze ritme van György Konráds stem naartoe was gereisd. Kapucinski raadde me aan op zoek te gaan naar Péter Nádas, die volgens hem een minstens even belangrijk schrijver was. Ik zou een hoofdstuk van mijn boek aan Nádas wijden.

Ook andere jonge schrijvers hielp hij, zowel in Polen als daarbuiten. Zelf was hij eenenvijftig toen zijn eerste boek vertaald werd, hij had veel in te halen en werd voortdurend heen en weer getrokken tussen zijn wens een internationale rol te spelen en zijn behoefte zich op te sluiten om te schrijven.

In New York logeerden we een keer samen in een appartement. Kapuscinski was op weg naar Oeganda; hij wilde een nieuwe blik werpen op het land voor zijn boek over Amin. Op een zondag maakte ik een uitstapje met vrienden en bleef hij alleen achter. ’s Avonds trof ik hem aan zoals ik hem had achtergelaten: liggend op de bank, omringd door boeken. The New York Times Magazine had hem gevraagd een stuk te schrijven over zijn reis. Behalve de opdracht leek ook het bedrag dat ze hem hadden geboden, hem terneer te drukken: Zevenduizend dollar, wat moest je daar niet voor doen!

Van die reis naar Oeganda zou hij verbijsterd terugkomen. Hij had Amin gezien als een extreem voorbeeld van het brute, primitieve type heerser dat in Afrika na de onafhankelijkheid aan de macht kwam. Maar president Obote was zoveel gewelddadiger dan zijn voorganger dat sommige Oegandezen waren begonnen Amin te verheerlijken. Dat boek over Oeganda zou hij nooit schrijven.

Wat Kapuscinski me bijbracht raakte door de jaren heen zo vervlochten met mijn denken dat ik het er nauwelijks los van kon zien. „Afrika leert me dat ik niemand ben”, zei hij eens. En: „België en Nederland zijn eilandjes op de kaart van de wereld, vijf procent van de wereldbevolking leeft zo, de rest heeft het zoveel moeilijker.”

Maar uiteindelijk verloren we elkaar toch uit het oog. Kapuscinski reisde voor zijn boek Imperium door het uiteenvallende Sovjetrijk en schreef zijn herinneringen aan Afrika in Ebbenhout, ik ging naar Syrië en West-Afrika en keerde vervolgens terug naar Congo.

Misschien rebelleerde ik wel een beetje tegen de man die jarenlang mijn lichtende voorbeeld was geweest, tegen zijn spreekwoordelijke hulpeloosheid en zijn even spreekwoordelijke zucht tot overdrijven, zijn neiging de werkelijkheid een kleurtje te geven, zoals mijn Poolse vriend het noemt.

Zijn boek Reizen met Herodotus heeft me weer met hem verzoend. Ik las het na zijn dood, waardoor het als een bericht uit een aangespoelde fles tot me kwam. Het gaat over zijn grote vriend Herodotus, wiens boek Historiën hem altijd vergezelde, maar tussendoor gaat het ook over Kapuscinski zelf. Over zijn eerste reizen naar India en China, waar hij zich een vreemdeling voelde; over Afrika, waar hij thuiskwam. Over de eenzaamheid die het gevolg was van al dat reizen; het gevoel dat Herodotus, die tweeënhalfduizend jaar eerder had geleefd, hem nader stond dan zijn tijdgenoten.

Tijdens het lezen defileerden de herinneringen aan onze ontmoetingen. Ik begreep hem plotseling beter. In New York had ik hem eens meegenomen naar een café waar ik had afgesproken met vrienden. Na een kwartier al wilde Kapuscinski weg – het was hem te druk. Dertig jaar oorlogen en revoluties maken een mens blijkbaar voorgoed ongeschikt voor onschuldig tijdverdrijf.

Ook toen hij in 1994 een jaarlang in Berlijn woonde en ik een aantal dagen bij hem logeerde, ontdekte ik dat hij een teruggetrokken leven leidde. Soms werd er aangebeld, maar hij deed niet open en zelfs de telefoon beantwoordde hij bij voorkeur niet. Op een middag gingen we naar een Afrikaanse tentoonstelling. Er stond een gure wind en Kapuscinski had geen sjaal. „Zullen we daar even naar binnen lopen?”, stelde ik voor toen we een vestiging van C&A passeerden. Hij keek me verschrikt aan. „Die winkel, daar moet je nooit iets kopen”, zei hij, „dat is de duurste zaak van heel Berlijn!”

Zoveel roem, zoveel erkenning, maar zijn blik op de wereld had hij behouden. Hij was nog steeds de jongen uit Pinsk.

Lieve Joris (Neerpelt, België, 1953) is schrijfster van onder meer ‘Terug naar Congo’, ‘Mali Blues’, ‘Dans van de luipaard’ en ‘Het uur van de rebellen’. Haar werk verschijnt bij Uitgeverij Augustus. Het werk van Ryszard Kapuscinski wordt in Nederland uitgegeven door De Arbeiderspers.