Het zwerven van de mensen en de dingen

In Los Angeles was de Italiaanse immigrant Sabato Rodilla zijn wortels kwijt. Was het daarom dat hij een schip vol torens en masten bouwde in zijn voortuin? Met schrijver Tommy Wieringa in Los Angeles, temidden van het „oorverdovende gezoem en miljoenen zenuwachtig trillende mensenlevens”.

De torens die de Italiaanse immigrant Sabato Rodilla 34 jaar lang bouwde in een buitenwijk van Los Angeles. Foto Newscom 035006.CA.0829.watts .10.pr After years of restoration the brighter and stronger ten-story Watts Towers rises above the eucalyptus trees in Watts . Simon Rodia spent 33 years creating the spires and their environment in his backyard. For a Sunday Calendar feature about the reopening of Watts Towers after many years of restoration. The world-famous folk art environment is an Italian immigrant s labor of love that has been designated a national and state historic monument. Photo by Perry C. Riddle /LAT, August 29, 2001. (Newscom TagID: latphotos000732) [Photo via Newscom] Los Angeles Times

Het begint ermee dat je iets wilt. Iets anders of iets groots; wanneer of waarmee het eindigt is nog niet te overzien. Vooralsnog is het een visioen, je ziet het voor je, je kunt het bijna pakken maar grijpt lucht als je je handen ernaar uitstrekt. Een fata morgana, een bloeiende fantasie in het hoofd van een mens.

Er zal zand, cement en staal moeten komen om het idee te naderen, zand uit de woestijn, talloze zakken cement, duizenden kilo’s draadstaal – zo begint Sabato Rodilla in 1921 aan de bouw van zijn eerste toren, de eerste van de drie, een bizarre, open constructie van staal, kippengaas en mortel. „I’m gonna do something! I’m gonna do something! I’m gonna do something!”, roept hij uit met zijn zware Italiaanse accent, en bouwt met eenvoudig gereedschap een tweede toren van bijna dertig meter hoog. De natte mortel dat hij rond het staal boetseert, decoreert hij met een mozaïek van gevonden voorwerpen, pique assiette, een veelkleurige ornamentatie van potscherven, schelpen, gebroken kopjes, kannen, tegels en flessen; alles wat hij langs de weg vindt en in de tas stopt die hij altijd bij zich draagt.

Sabato Rodilla werd geboren in Ribottoli, in Zuid-Italië. Hij is als veertienjarige jongen uit Napels naar de Verenigde Staten gekomen. In de kookpot van het nieuwe land smelten als eerste de scherpe randjes van zijn naam eraf – ze zullen hem Simon of Sam noemen, Sam Rodia, want waar zijn die ll’en in die achternaam voor nodig als je ze toch niet uitspreekt. Het is het einde van de negentiende eeuw, Amerika wordt overspoeld door immigranten, het is geen tijd voor subtiele individuele geschiedschrijving, voor geraffineerde noties over het ik, men werkt, er wacht een toekomst, zo niet voor zichzelf dan toch zeker voor de volgende generatie. In deze bestaansstrijd gaan de details over het leven van Sam Rodia verloren. Alleen de vet gemarkeerde data op de tijdsbalk: hij trouwt, krijgt drie kinderen, is dagloner in de bouw en raakt aan de drank. „I was-a one of the bad men of the United States”, zal hij daar later over zeggen. Rodia verlaat zijn gezin voor een zwervend bestaan, waarin hij westwaarts rolt en uiteindelijk in Los Angeles terecht komt. Hij neemt zijn beroep als metselaar en tegelzetter weer op en zweert de drank af. Ten zuiden van Los Angeles, in wat nu de zwarte district Watts is, koopt hij het driehoekje bouwgrond. Hij is tweeënveertig jaar oud en in de kracht van zijn leven, hij zal aan zijn torens werken terwijl de Depressie komt en gaat, de drooglegging en het Derde Rijk net zo, steden verkruimelen en worden weer opgebouwd, Rodia bouwt stug door. Vaak in het donker, altijd op zon- en feestdagen. Buurtbewoners horen hem zingen wanneer hij daarboven bezig is, zingen en in zichzelf praten. Vierendertig jaar lang. Hij heeft geen vingerafdrukken meer omdat hij nooit werkhandschoenen draagt; zijn vingerafdruk, dat hoogst individuele stempel dat je bij de douane onderscheidt van miljoenen anderen, is weggesleten door het jarenlange gebruik van gebluste kalk, zand, metaal en glas. Hij heeft hem geruild voor de hoogst individuele expressie van zijn torens.

Zijn antwoord op de vraag waarom hij dit gebouwd heeft, is ontroerend van eenvoud: „Why I built it I can’t tell you. Why a man make the pants? Why a man make the shoes?”

Wanneer hij halverwege de zeventig is en de dood voelt naderen – als gevolg van een kleine beroerte lag hij eens een paar dagen hulpeloos alleen in zijn huis –, geeft hij het stuk land en alles erop aan zijn buurman en vertrekt naar zijn zuster in Martinez.

Het complex dat Sam Rodia bouwde, stelt een schip voor. Langs de buitenmuur zijn golfjes gemaakt, er is een roer, de torens zijn de masten. Kunsthistorici menen dat de knokige constructies geïnspireerd zijn op de Gigli, rituele torens die worden rondgedragen bij het Festa dei Gigli in Nola, in het Zuid-Italiaanse Campania. De overeenkomst is te verbluffend om te negeren, al bedraagt de afstand tussen Ribottoli, waar hij woonde, en Nola zo’n vijftig kilometer, wat een grote afstand is voor een eenvoudige boerenfamilie eind negentiende eeuw. Daarbij komt dat Rodia zelf nooit naar die objecten heeft verwezen, we nemen alleen maar aan dat hij ze als kind gezien heeft, en dat de torens van Watts aan de andere kant van de wereld daar een herschepping van zijn.

Dit zijn de dingen die ik vertel aan twee vrouwen in een restaurant in Santa Monica. Het is uren nadat ik de torens voor het eerst heb gezien, ik ben er vol van. Zij hebben er nog nooit van gehoord en leggen een overtuigende verontwaardiging aan de dag, alsof het bestaan ervan expres bij ze vandaan is gehouden. Ze zijn oudtante en achternicht, verre familie in elk geval, ik ben niet goed thuis in de titulatuur van bloedverwantschappen. „Wij zijn joods”, zegt de tante, en vertelt over de Hongaarse joden van wie ze afstammen. Ze heeft lang wit haar en een machtige bril met getinte glazen – haar nicht is jong en mooi, ze lijkt niet alleen sprekend op Salma Hayek, maar heeft ook de nadrukkelijke expressie van een actrice. Dat blijkt inderdaad haar beroep, maar Salma Hayek is ze niet, haar vingers zijn te kort, alsof er aan elke vinger een kootje mist. Ik overdrijf wanneer ik hun vertel dat ik speciaal voor Rodia’s werk naar Los Angeles ben gekomen, maar ik wil– nee, ik eis dat ze er zo vlug mogelijk naartoe gaan. Vandaag regende het, zeg ik, daarom ga ik morgen terug. Nu staan de torens een beetje bleek in mijn herinnering, morgen zal het beter zijn, dan schijnt de zon en zal ik het mozaïek in mijn geheugen branden.

Ik maak ze deelgenoot van een kleine theorie waarmee ik vannacht wakker werd, over de immigrant. Ik zag voor me hoe iedere immigrant een bord met zich meedraagt dat hij van thuis heeft meegenomen, een aardewerken bord. Onderweg in het nieuwe land heeft hij het uit zijn handen laten vallen, en nu ligt het in duizend stukken. Hij veegt de scherven bij elkaar en brengt ze zo goed mogelijk bijeen: het resultaat noemt hij ‘waar hij vandaan komt’. Maar het is verkeerd in elkaar gezet, vervormd, het lijkt op hoe het was maar is het niet. Zo veegde ook Sam Rodia alle scherven van het gebroken bord van thuis bijeen, en vormde ze tot een heiligdom met een zuilengang, een koepel, fonteinen, steunberen en torens.

„Het spijt me”, zegt de oude vrouw, „maar ik heb het niet erg op immigranten. Ze krijgen alles maar in dit land, ze hebben meer rechten dan plichten... gezondheidszorg, bijstand... en het allerergste, ze krijgen kinderen.

„Nou nou”, sust de jonge vrouw.

Het gesprek buigt af naar de vraag waarom mensen hun geboortegrond verlaten, de onbevredigende discussie over de vlucht uit lijfsbehoud of de vlucht van de gelukszoeker, en wat er dan mis is met de gelukszoeker – en eindigt pas met een eenvoudige vraag: „Maar uw grootouders, Hongaarse joden immers, waren dat niet ook immigranten, op de vlucht voor omstandigheden in Europa?”

„Dat was iets anders”, zegt de oude vrouw. „Wij kwamen hier lang voor de Tweede Wereldoorlog.”

Misschien dat haar antwoord op een misverstand berust, veroorzaakt door het rumoer in het restaurant, hoe dan ook stuiten we op een oerwet: het recht van de een dat eruit bestaat dat hij er eerder was dan de ander, een historische toevalligheid waarmee hij zijn afkeer jegens de nieuweling legitimeert.

Maar als ik dan zo geïnteresseerd ben naar hoe cultuurinvloeden over de wereld reizen, zegt de oude vrouw, zoals bij die Rodia, dan moet ik absoluut naar Solvang. In Solvang hebben zich lang geleden Denen gevestigd die een soort nieuw Denemarken hebben geschapen, compleet met boerderijen, molens en al. En er staat een standbeeld van Hans Christian Andersen.

Bij het ontbijt de volgende morgen word ik bediend door Latino’s, aan de tafel naast me zit een vrouw uit Ierland, mijn koffie komt uit Italië, de bonen uit Ethiopië of Colombia of waar dan ook, er dringen zich gedachten op over de onrustige aard van de mensen en hun voorwerpen, zoals in De Kleine Prins, wanneer de bloem in de woestijn tegen de kleine prins zegt: „De mensen? Er bestaan er geloof ik zes of zeven. Die heb ik jaren geleden eens gezien. Maar je weet nooit waar je ze kunt vinden. Ze hebben geen wortels, dat is erg lastig voor ze.”

De mensen, maar ook de dingen hebben een rusteloos bestaan. Het landschap voor me op tafel, alles heeft een reis gemaakt voor het hier stond. De tomaten, de rietsuiker en de rode pepers, ze worden geplant, ze groeien, worden geoogst, verwerkt, gebotteld of verpakt; de ketchup uit Pittsburgh, de Salsa Picante uit Vernon en de rietsuiker uit Maui, alles heeft een lange weg achter de rug. Ik denk aan snippers Chinese zijde uit de oasestad Palmyra in Syrië – te zien in het Nationaal Museum in Damascus. De zijde werd beschilderd met het karmozijn van de Murex-schelp, afkomstig van de Phoeniciërs in Sidon, het blauw komt van de indigoplant uit India en het rood van een Vietnamees insect. Handelaren langs de zijderoute overwonnen droogte, zandstormen en rovers om de zijde in Palmyra te krijgen; er ging een wereld aan tijd en moeite aan het gebruik van de stof vooraf – en bijna twintig eeuwen later drukken wij onze neus op het glas en zuchten van bewondering bij het zien van een paar schilfertjes zijde uit de oudheid.

In de straten van Solvang (‘zonnige weide’ in het Deens) ruikt het naar taartjes. En soms een spoortje houtvuur. De heuvels rondom zijn dor maar de landerijen in het dal vruchtbaar. De zon schijnt door het gele herfstblad, er zijn weides, paarden en wijngaarden. Pleasantville. In Solvang krijgt niemand ooit kanker of haaruitval. De straten zijn wijd en leeg, er wandelen toeristen langs popperige winkeltjes met zondagopenstelling. De huizen lijken gehistoriseerde nep, maar zijn lang geleden gebouwd door echte mensen om echt in te wonen.

In het toeristenbureau ontmoet ik Karena Hvingelby. Ze draagt een folkloristische jurk, rood, met witte pofmouwtjes. Haar sterke accent wijst naar Europa, naar Denemarken, waar ze begin jaren dertig werd geboren. Van de vrouwen in het toeristenbureau is zij de laatste die nog Deens spreekt, er komen sowieso geen nieuwe Denen meer bij in het dorp. Ja, veel wijnboeren in de streek, die niks met Denemarken te maken hebben. Maar goed, je houdt het niet tegen. De Denen hebben het te goed, die blijven waar ze zitten. Zelf kwam ze hier in 1950 omdat haar man er woonde, ook een Deen van geboorte. Ze begonnen een bakkerijtje waar ze æbleskiver verkochten, een zoetigheid waarvoor veel toeristen naar Solvang komen.

Rond haar nek draagt Karena Hvingelby een ketting met de leeuw van Juda eraan – de leeuw met de kroon en de staf, het religieuze symbool van de rastafari’s. O, zegt ze, die heeft ze uit Ethiopië meegebracht. „Na vier jaar in die bakkerij was de lol er wel af. We hadden zin in wat meer risico. We zijn naar Ethiopië gegaan, een dorp in de buurt van Dessie, we hadden geen stromend water en geen elektra – mijn man heeft een weg aangelegd, ik was verpleegster. We hebben de val van Haile Selassie meegemaakt, en het regime van Mengistu daarna.”

Na Ethiopië volgden nog verblijven in Hongkong, Kathmandu en Calcutta. „We wilden op onszelf zijn”, zegt ze luchthartig. Toen haar man overleed, is ze, over de zeventig inmiddels, teruggegaan naar Ethiopië om seksuele voorlichting te geven in Addis Abeba, wat niet eenvoudig was. „Het is zo’n groot taboe, en er bestaan geen goede woorden voor in het Amhaars.” Ze is pas twee jaar terug in het pastorale Solvang, waar ze in folkloristisch kostuum informatie verstrekt aan toeristen – daar de buste van Hans Christian Andersen en daar de kleine zeemeermin op haar rots. En ja, de huizen zijn authentiek, probeert u verder eens hoe smakelijk onze æbleskiver is, en vergeet niet een bezoek te brengen aan het museum, een boerenhoeve zoals je ze in de achttiende eeuw in Jutland vond.

Beduusd van alle echo en verwijzing ga ik ’s avonds terug naar de stad, het grote donker van de Stille Oceaan aan mijn rechterhand. Los Angeles kondigt zich van verre aan, een vuur aan de hemel. Over de Pacific Coast Highway rijd ik de bijenkorf weer binnen, de metropool met zijn oorverdovende gezoem en miljoenen zenuwachtig trillende mensenlevens. In de voorruit ontvouwt zich die kolossale opeenhoping van steen en ambitie. Hier is elke bizarre impuls ten uitvoer gebracht – Venetië is nagebouwd met kanalen en geïmporteerde Venetiaanse gondeliers en al, in de heuvels van Malibu is een complete Romeinse villa uit Herculaneum verrezen, omzoomd door cipressen en olijfbomen, wie naar China wil gaat naar Chinatown en wie naar Korea wil naar Koreatown, maar wat er onder het plaveisel schuilt, wat er was voordat de stad er was, dat is niet meer voor te stellen door de zenuwslopende, onophoudelijke scheppingsdrift van de mens.

Om te zien wat er daarvoor was, hoe leeg het was voordat hier in 1771 de eerste baksteen van een Franciscaanse missiepost werd gelegd, hoe het zou zijn zonder de oeverloze laagbouw en de verre diamant van wolkenkrabbers downtown waar een pulserend licht van uit gaat – daarvoor moet ik naar buiten, naar de woestijn, die begint zodra de stad ophoudt.

Dat was wat ik de volgende dag zou doen – ik reed naar de Mojave-woestijn, in noordelijke richting, met Barstow en Las Vegas op de borden. Het was een koude, grijze dag, in de vlakte waren kleine wervelwinden. De grens tussen natuur en cultuur was scherp: waar het tuinhek ophield, daar begon de wereld zonder ons. Bij het laatste flard bebouwing van Victorville ging ik van de grote weg af, langzaam en zoekend reed ik tussen de wijd uiteen staande bungalows door. Er was geen mens te zien. Zand kroop over de weg, aan het eind van Dante Street hield het asfalt abrupt op. Daarachter was de wereld weer van zichzelf. „Turn left on Venus Avenue”, zei de elektronische mevrouw die me al dagen de weg wees. Op het beeldscherm liep de pijl van het GPS vast in het niets. Ik zette de auto stil in Dante Street, twee grote zwarte kraaien vlogen op toen ik uitstapte. Ik liep een eindje de woestijn in, plastic zakken dansten door de vlakte; de leegte die aan je zoog, de afgrond die zachtjes aan je broekspijpen trok. Koude wind sneed me de adem af. Alleen de satelliet wist waar ik was.

Tommy Wieringa (Goor, 1967) is schrijver van onder meer ‘Alles over Tristan’, ‘Joe Speedboot’ en de bundel reisverhalen ‘Ik was nooit in Isfahaan’. Zijn werk wordt uitgegeven door De Bezige Bij.