Haile Gebrselassie, zakenman, filantroop, loper, icoon

De hardloopcorridor die van Afrika naar het westen loopt, bood langeafstandsloper Haile Gebrselassie een ontsnapping uit zijn ‘vreselijke’ jeugd. Met het kapitaal dat hij bijeenliep, bouwde Gebrselassie een zakenimperium in Ethiopië. „Niemand kon mij tegenhouden.”

Voor de ontvangst in zijn kantoor trekt Haile Gebrselassie me aan de arm een belendend vertrek binnen. Hij leidt me door een woud van computerschermen, die worden bediend door architecten. Op een ervan staan ontwerpen van zijn projecten. „Kijk, dit is een hotel in Awassa. Groot hè?”, zegt hij trots. „Honderdvijftig kamers op een oppervlakte van meer dan 16.000 vierkante meter. En hier, dat is de ambassade van Burkina Faso. Bijzonder ontwerp, vind je niet? En dit kasteel? Vind je dat mooi? Dat is mijn huis.”

Het is maar een deel van de kantoren, hotels, scholen, winkels, flats, café’s en huizen die Haile Gebrselassie heeft laten bouwen. Addis Abeba staat er vol mee, evenals zijn geboorteplaats Asela, 250 kilometer zuidwestelijk van de hoofdstad. In Ethiopisch vastgoed is ’s werelds beste langeafstandsloper een grote jongen. Met dank aan zijn sport, die hem heeft losgeweekt van het plattelandsleven.

Nog steeds profiteert Gebrselassie van de corridor naar het Westen, waar Afrikaanse lopers volop gebruik van maken. Al dan niet aangemoedigd door (malafide) managers zoeken ze hun geluk in wedstrijden, waar voor Afrikaanse begrippen kapitalen zijn te verdienen. Jaarlijks keert het terug, in Nederland bij de Van Dam tot Damloop, de City-Pier-Cityloop, de Zevenheuvelenloop of de Rotterdamse en Amsterdamse marathon. Het beeld van de donkere koplopers met hun blanke gevolg.

Keniaanse en Ethiopische langeafstandslopers zijn het succesvolst. Waar de Kenianen door geldzucht en slappe knieën nog wel eens in de goot belanden, geven de Ethiopiërs blijk van beter zakelijk inzicht. Ze besteden hun verdiende dollars en euro’s doorgaans goed. De kampioen in alle opzichten is Gebrselassie, die een vermogen bijeen heeft gelopen en in Ethiopië een zakelijk imperium heeft opgebouwd.

Een novembermorgen in de heuvels rond Addis Abeba. Het stipje dat bij het krieken van de dag als een cursor door het blikveld beweegt, meldt zich een drietal uren later op sportschoenen, in een bruin joggingpak met goudkleurige strepen. We zijn in Haile Gebrselassies uitbundig ingerichte werkkamer op de achtste etage van de Alem Building, een van zijn vele kantoorgebouwen. Gebrselassie schakelt moeiteloos over naar zijn rol als directeur van Haile & Alem International, een onderneming met vierhonderd werknemers. Vanaf het moment van zijn entree rinkelt de telefoon onophoudelijk.

Haile Gebrselassie zelf is niet groot: 1,65 meter meet hij en 56 kilo weegt hij. Maar Gebrselassie is een icoon. Als langeafstandsloper, omdat hij twee olympische en acht wereldtitels won én sinds drie maanden het wereldrecord (2.04,26) op de marathon bezit. Als zakenman, omdat hij miljoenen investeert in zijn land. Als filantroop, omdat hij geheel voor eigen rekening scholen bouwt en onderhoudt. En als Ethiopiër, de man op wie het volk dusdanig trots is, dat hij naar het schijnt moeiteloos tot president kan worden gekozen. Maar zijn politieke ambities heeft Gebrselassie voorlopig opgeschort.

„Ik heb geluk gehad”, zegt Gebrselassie. „Geluk dat ik talent voor lopen heb en op het juiste moment Jos Hermens (zijn Nederlandse manager, red.) ben tegengekomen. Hij heeft me ontdekt, me naar Europa gebracht en me laten kennismaken met de rest van de wereld. Vanzelfsprekend heb ik ook hard gewerkt, maar de basis is geluk.”

Gezeten in een luxe, leren fauteuil in zijn kantoor met panoramisch uitzicht over Addis Abeba, weet Gebrselassie nog precies hoe sterk hij als kind naar een beter leven verlangde. In Asela bestond zijn biotoop uit de tukul, de traditionele Ethiopische hut, en de school, waar hij (hard)lopend naartoe ging. Spelen met vriendjes stond vader Bekele niet toe; Haile en zijn negen broers en zussen hielpen thuis en op het land. En hun traditionele manier van leven maakte dat zwaar.

„Het was vreselijk”, typeert Gebrselassie zijn kindertijd. „Ik wilde hoe dan ook aan dat bestaan ontsnappen en wist dat hardlopen mij die kans kon bieden. Bij schoolwedstrijden won ik ooit de 1.500 meter, waarna iemand zei: ‘Jij kunt een grote atleet worden.’ Die woorden heb ik in mijn oren geknoopt. Vanaf dat moment kon niemand mij tegenhouden. Ook niet mijn vader, hoewel die lange tijd dwarslag.”

Na enkele zakelijke besprekingen, volgt een nieuwe ontmoeting. Het is al half zes als Gebrselassie de sportschool van zijn Alem Building komt binnenstuiven. Een bespreking over de bouw van een hotel in Awassa liep uit, zodat hij een half uur later dan gepland aan zijn krachttraining kan beginnen. Tussen de recreanten, onder wie expats en enkele Nederlandse studenten, werkt de meervoudige kampioen consciëntieus zijn programma af. Voor de aanwezigen heeft hij een glimlach of een vriendelijk woord. Na anderhalf uur spoedt Gebrselassie zich huiswaarts, naar zijn kasteel-huis op een heuvel in het westen van Addis Abeba. Eindelijk tijd voor ontspanning bij zijn vrouw Alem en zijn vier kinderen, die in leeftijd variëren van twee tot negen jaar.

Hoe kan Haile Gebrselassie topsport en zaken combineren? Zijn antwoord is simpel: „Een kwestie van gezond leven en goed plannen.” En dankzij de medewerking van zijn echtgenote en zijn broer Assefa, die in Rusland zes jaar economie heeft gestudeerd. Die twee hebben de dagelijkse leiding over Haile & Alem International, de investeringsmaatschappij en vastgoedonderneming die een jaaromzet heeft van bijna 100 miljoen euro.

Gebrselassie leidt een druk, tweeledig bestaan, maar van stoppen als atleet wil hij niet weten. Waarom zou hij zijn roem opgeven zo lang hij er zakelijk profijt van heeft? Bovendien zijn zijn sportieve ambities nog lang niet geblust. Gebrselassie droomt van een gouden medaille op de marathon bij de Olympische Spelen van volgend jaar in Peking, en hij denkt aan een herhaling in 2012 in Londen. Lachend reageert hij op het verbaasde gezicht tegenover hem. „Ja, ik weet het, dan ben ik 39 jaar. Maar waarom zou dat niet kunnen? Ik zeg niet dat ik ‘Londen’ haal, maar mijn planning gaat wel zover.”

Zolang Gebrselassie blijft hardlopen, blijft internationaal de aandacht op hem gevestigd, weet hij. En dat voelt hij ook als een verantwoordelijkheid ten opzichte van Afrika, het continent dat hem zo lief is. „Als sportmensen hebben wij het Afrikaanse volk zelfvertrouwen gegeven. Ze zien dat wij ons kunnen meten met de rest van de wereld. En sport is business; het verdiende geld brengen wij naar ons land. Nee, niet alle sporters investeren in eigen land, dat weet ik. Maar ik doe dat bewust wel, omdat ik daarmee bijdraag aan de ontwikkeling van Ethiopië en Afrika. Ik zie dat als mijn plicht.”

Gebrselassie werd geïnspireerd tijdens zijn reizen; als hij weer eens met jaloerse blikken in het Westen liep, de wereld waarvan hij als kind had gedroomd. „Moet je kijken wat er allemaal is en wat de mensen allemaal hebben, dacht ik. Dat gun ik mezelf en mijn landgenoten ook. En dan droomde ik dat mijn land er eens net zo zou uitzien. Daarom investeer ik. Daarmee neem ik risico’s. Bewust. Ik denk nooit aan verliezen, maar altijd aan winnen.”

Zakenman Gebrselassie zou graag zien dat Addis Abeba een internationale zakenstad naar westers model wordt. „Ik brainstorm daar wel eens over met de burgemeester en andere hoogwaardigheidsbekleders. We maken al stappen op technologisch gebied en buitenlandse investeerders hebben Ethiopië ook ontdekt. Het blijft gelukkig niet meer bij farming en mining. Er worden bijvoorbeeld hotels gebouwd, auto’s geproduceerd en op grote schaal bloemen gekweekt. Mijn grote voorbeeld is Dubai. Toen ik daar zestien jaar geleden voor het eerst kwam, was het een vlekje in de woestijn. Het is nauwelijks te bevatten hoe die stad is gemoderniseerd.”

De volgende ochtend loopt Gebrselassie, strak in het pak, het chique hotel Sheraton binnen. Hij is het kopstuk tijdens een persconferentie ter aankondiging van de Afrikaanse atletiekkampioenschappen van 2008 in Addis Abeba. Er zijn veel mensen, maar er is er maar één die de aandacht opzuigt. Als Gebrselassie spreekt, spitsen zich alle oren. Zijn woorden zijn zonder kennis van het Amhaar abracadabra, maar desondanks voel je de impact van zijn verhaal. De organisatie van de titelstrijd heeft zich met trots gepresenteerd.

Nadat Gebrselassie ’s middags met Saudi’s over de inrichting van zijn hotel in Awassa heeft onderhandeld en zijn ‘Armani’ heeft vervangen door een ‘Levi’s’, schuift hij aan voor nog een gesprek. „Mijn opleiding?”, herhaalt hij de vraag met een licht satanische glimlach. „Je zult verrast zijn. Ik heb niet meer dan lagere en middelbare school. Maar ik heb tijdens mijn reizen veel geleerd. Ik had in het begin van mijn carrière een huis in Uden, waar ik wel eens maanden achtereen verbleef. Buiten de trainingen bezocht ik dan vaak bouwplaatsen. Om de constructiewerkzaamheden te bekijken. En dat doe ik nog steeds als ik in het buitenland een interessant project zie. Ik heb mijn ogen altijd goed de kost gegeven.”

Maar hij zag vooral dat de Europeanen hard werkten. Gebrselassie begreep het verschil in arbeidsethos met zijn landgenoten en nam zich voor ook daar verbetering in aan te brengen. „Ik geef zo weinig mogelijk geld weg, dat maakt mensen gemakzuchtig. Ik wil ze activeren, banen creëren, dat helpt structureel. God heeft ons armen, benen en hersens gegeven. Laten wij Ethiopiërs die gebruiken, net als de Europeanen dat na de oorlog hebben gedaan. Die zijn niet blijven zitten in de cafés, maar hebben het verwoeste land opgebouwd.”

Maar het Westen kan ook wat van Afrika leren, vindt Gebrselassie. Vooral in de omgangsvormen. „We hebben daar in Ethiopië daar een mooie traditie in. In Addis Abeba heb je heel arme en schatrijke mensen. Maar we leven vredig naast elkaar. Omdat we elkaar respecteren. Vijftien meter van mijn huis wonen mensen die niets hebben, maar er zijn nooit problemen. Ze waarderen mij en op mijn beurt geef ik de oudere mensen in de buurt het respect dat ze verdienen. Die zijn vele malen groter dan ik. Onze traditie is dat we elkaar waarderen om wie we zijn, niet om wat we hebben. Dat maakt het speciaal.”