God moet met dt

Hoe staat het inmiddels met de digitalisering van de Statenvertaling? U weet het misschien nog wel: in juni van dit jaar lanceerde de Utrechtse taalkundige Nicoline van der Sijs het plan om de Statenvertaling van de Bijbel te gaan uittikken.

Stond die dan niet allang op internet? Nee, wel een twintigste-eeuwse, herspelde versie, maar hoewel de oorspronkelijke versie uit 1637 al heel lang wordt gezien als een boek dat enorm veel invloed op onze cultuur heeft gehad, was die nog niet digitaal beschikbaar.

De oproep, die onder andere in deze rubriek stond, bracht een golf van reacties teweeg. Binnen twee weken hadden zich ruim driehonderd vrijwilligers aangemeld – doorgaans hoogopgeleide, goed gekwalificeerde mensen, die hier graag tijd voor wilden vrijmaken.

Het waren er uiteindelijk zelfs te veel om organisatorisch te behappen. En dus ging men door met ruim honderd vrijwilligers, die de afgelopen maanden 272 porties van gemiddeld tien bijbelpagina’s uittikten. Samen produceerden zij ruim 2,8 miljoen woorden, want zoveel woorden telt de Statenvertaling uit 1637, de inleidingen en kanttekeningen meegeteld. Die kleine drie miljoen woorden werden gecorrigeerd door tien vrijwilligers die daar – dit project wordt nauwgezet geadministreerd – ruim twaalfhonderd uur mee bezig waren.

Allemaal vrijwilligersuren, wat dit waarschijnlijk tot het grootste letterkundige vrijwilligersproject maakt dat ooit is gerealiseerd, althans, mij zijn geen grotere projecten bekend.

Aan de vooravond van Kerst brengen wij u een blijde boodschap: de digitalisering van de Statenvertaling is voltooid. Nog niet te raadplegen op internet – daar gaan anderen over – maar de grote klus is geklaard.

Sterker nog, het ging allemaal zo voorspoedig dat meteen aan drie andere Bijbels is begonnen, te weten de Delftse Bijbel uit 1477 (het oudste Nederlandstalige gedrukte boek), de Leuvense Bijbel uit 1548 en de Friese Bijbel uit 1943. De Delftse Bijbel is op één portie na klaar, de Friese Bijbel is af en aan de Leuvense Bijbel wordt nog gewerkt.

Een reden om de Statenvertaling te gaan digitaliseren, is dat we zo’n editie veel beter kunnen doorzoeken. Het is nu nog te vroeg om conclusies te trekken, daar is vanzelfsprekend grondig onderzoek voor nodig. Maar er zijn toch een paar dingen die in het oog springen.

Eén daarvan is de schrijfwijze van de naam van God. In 1627 legden de Statenvertalers vast hoe er moest worden gespeld. Over de naam van de Heer schreef men in het Latijn: „God, an Got, an Godt? postremum pluribus fuit conclusum”, ofwel: „God, of Got, of Godt? Het laatste wordt bij meerderheid vastgesteld.”

In de Bijbel is God – het zal de meesten van u bekend zijn – niet de Eerste de Beste. Men mag Hem gerust de hoofdpersoon noemen. Toch ging het bij het schrijven en zetten van Zijn Naam soms mis.

Zoals gezegd was de afspraak: Godt met dt. Maar toch lezen we, bijvoorbeeld in Zacharia 3:28: „God de Vader, die voor de weldaden daer mede hy de menschen begenadicht, danckbaerheyt is vereyschende, namelick geduerige oeffeninge inde godtsalicheyt.” God de Vader, tegenover godtsalicheyt.

Je hoort vaak dat men tegenwoordig niet meer foutloos kan spellen. Dit blijkt al een héél oud probleem, zelfs in de heiligste teksten.

Ewoud Sanders