Geen honger in India

In 1966, het jaar dat het huwelijk van toenmalig prinses Beatrix door een rookbom werd overschaduwd en Nederland ook anderszins in de ban was van de zogeheten ‘jaren zestig’, doneerde de Nederlandse bevolking, aangespoord door televisiepresentatrice Mies Bouwman, maar liefst 26 miljoen gulden voor de actie ‘Eten voor India’.

Die vrijgevigheid kwam voort uit herkenning én schuldgevoel. Terwijl Nederland zich na de wederopbouwjaren had opgewerkt tot een consumptieve welvaartsstaat, werd India juist geteisterd door hongersnood. De media berichtten daar toen toen indringend over. De exacte dag is niet te achterhalen, maar ineens hield het op. Er was geen aanleiding meer voor, omdat er in India geen grootschalige honger meer heerste. Hooguit diepe armoede.

Twintig jaar geleden al zei de Duitse essayist Sebastian Haffner in een vraaggesprek met NRC Handelsblad dat gebeurtenissen die niet plaatsvinden soms belangrijker zijn dan gebeurtenissen die wél werkelijkheid zijn. De krantenkop ‘Geen honger in India’, zei Haffner toen, zou een veel ingrijpender feit hebben gesignaleerd dan al die eerdere koppen waarin het omgekeerde werd vastgesteld. Vanaf het moment dat India gevrijwaard was van chronische hongersnood, kon het land immers aan zijn economische opmars beginnen.

De gevolgen daarvan worden steeds zichtbaarder. Dat deze succesvolle industrialisering de oude postindustriële wereld dwingt tot vergaande aanpassingen, is al jaren bekend en ook diep in de politieke verhoudingen ingedaald. Dat de energieprijzen vermoedelijk nooit zullen terugvallen naar het lage niveau van tien jaar geleden, is eveneens gemeengoed aan het worden. Zelfs president Bush heeft de Amerikanen bijna twee jaar geleden voorgehouden dat ze nu eens moeten afkicken van hun olieverslaving.

Maar sinds dit jaar zijn er nieuwe consequenties van het succes van India en de andere industriële grootmachten aan het licht gekomen. Door de groeiende productie van biobrandstoffen en de toenemende vraag naar etenswaren stijgen de voedselprijzen. En niet zo’n beetje ook.

Dat is een aangenaam perspectief voor bijvoorbeeld de Nederlandse agrariërs die niet meer te kampen hebben met ‘boterbergen’. Voor India en China zijn de stijgende graanprijzen per saldo eveneens een positief teken. Ze weerspiegelen de groeiende welvaart en het feit dat de burgers van deze landen zich een auto en beter eten kunnen veroorloven. Opwaartse mobiliteit is hun volste recht. Waarom zou alleen het Westen recht hebben op een welvaartsstaat?

Maar zonder problemen is de prijsexplosie op de voedselmarkt het niet. Vorige week sloeg de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) alarm. Volgens de FAO verkeren momenteel 37 landen in de gevarenzone van dreigende hongersnood. Die honger wordt nu eens niet alleen veroorzaakt door oorlog of politieke strijd, maar ook door de voedselprijzen. Die zijn maar liefst met 40 procent gestegen. Daardoor zijn de kosten van de voedselimport voor deze 37 landen in één jaar met 25 procent toegenomen. De prijsexplosie heeft er volgens de FAO zelfs toe geleid dat er nog maar voor acht weken maïs ligt in de graanschuren van de wereld. Dankzij de globalisering hebben, kwantitatief gesproken, nog nooit zoveel wereldburgers het zo goed gehad. Maar de bijverschijnselen zijn ernstig. Graanoproer ligt op de loer. Vandaar de noodklok van de FAO.

De paradox is dat de aandacht voor deze nieuwe verhoudingen geen gelijke tred houdt met de globalisering. De afgelopen twee decennia zijn er steeds meer grenzen geslecht: ideologische, economische en fysieke grenzen. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) heeft nu 151 leden, tegen 75 bij haar oprichting in 1995. Het aantal landen zonder onderlinge grenscontrole (Schengenverdrag) is sinds vorige week gegroeid van 15 naar 24. Maar dat heeft niet geleid tot meer belangstelling voor de ontwikkelingen aan de andere kant van deze verdwenen grenzen. Integendeel. De fixatie op de eigen omgeving neemt juist toe naarmate de mondiale interdependentie groter wordt. In zijn boek Imperium beschreef de Poolse reiziger en schrijver Ryszard Kapuscinski het zo: de mens is weliswaar niet „geschapen om in grenssituaties te leven”, maar hij blijft „gevoelig” voor grenzen en in „onuitputtelijke ijver” dus bezig om „ze steeds weer aan te geven, uit te breiden of te verdedigen”.

Psychologisch is dat begrijpelijk. De wereld kan ook te groot worden en te ongrijpbaar. Maar rationeel is die introverte houding onverstandig. Het is misschien knus om de gordijnen dicht te trekken. Maar helpen doet het niet.