Elines gedweep herken ik wel

Ze is jong, mooi, rijk – en diep ongelukkig. Eline Vere uit de gelijknamige roman van Couperus.

En een heerlijke rol. Maria Kraakman speelt haar.

„O God!’’ kreunde zij, „O God! O God! Laat me slapen, laat me slapen, ik smeek u, laat me slapen!’’ Toen schoot haar een gedachte door het brein. Als ze nog enkele druppelen meer dronk dan de dokter uit Brussel haar had voorgeschreven? Zou dat kwaad kunnen? Zij nam het flesje om de drie druppels te tellen. Een… twee… drie… vier… vijf… En zij dronk.’’

Zo eindigt, in de roman van Louis Couperus, het leven van Eline Vere. Zij was een jonge vrouw, een morfiniste, die aan het leven lééd. Het leven in de hogere kringen van Den Haag, rond het fin de siècle. Het Nationale Toneel, ook uit Den Haag, brengt Couperus’ roman nu op de planken. Met Maria Kraakman (32) in de hoofdrol.

„Dat milieu van haar’’, zegt Kraakman, „lijkt mij verschrikkelijk. Eline Vere heeft tijdens haar leven zoveel tijd om na te denken, om zich te vervelen. En dan dat geroddel, die benauwdheid. Iedereen houdt elkaar op de plek. Iedereen néémt een plek in. Maar Eline kan haar plek niet vinden.’’

Maria Kraakman zit in de artiestenfoyer van Het Nationale Toneel aan het avondeten; straks moet ze repeteren. Haar tere verschijning past bij het broze gestel van haar personage. Maar Kraakman heeft wél haar plek gevonden, ze zet stevig door als actrice en voor haar aandeel in de film Guernsey won zij een Gouden Kalf.

„Eline had ook actrice moeten worden’’, meent Maria Kraakman. „Ze heeft veel fantasie en is heel theatraal. Voortdurend kijkt ze naar zichzelf als naar een personage uit een roman of een drama. Maar in haar tijd stond het vak van actrice gelijk aan prostitutie. Voor haar was die weg afgesloten.’’ Misschien zou ze er ook de wilskracht niet voor hebben gehad. Ze lijkt nogal indolent.

Of, zoals Kraakman het zegt: „Eline Vere is geen leuke vrouw. Ze zoekt zo wanhopig naar haar geluk dat het haar steeds ontsnapt. Ze kan zich geen moment ontspannen. Haar gedweep met een operazanger, haar verliefdheid die een obsessie wordt omdat ze niets anders te doen heeft, haar droom van groots en meeslepend leven: dat herken ik allemaal, alleen wint bij mij uiteindelijk steeds het praktische verstand.’’

Nee, geestesziek is Couperus’ heldin volgens Kraakman niet. „Ze kan zich niet aanpassen aan de banaliteit van het leven, dát is haar probleem. Gesprekken in de trant van: ik heb achterham besteld bij de slager, daar kan zij niet mee omgaan. Zij houdt alleen van mooie dingen en dat is een beetje onhandig.’’ Daarbij komt nog haar besluiteloosheid.

„Niet eens haar zelfmoord is een keuze. Ze denkt: ach, nog maar een druppeltje en nog één. Ineens is ze dood, zoals ze ook ineens aan de morfine was, zonder het echt te willen.’’ Morfine, geëxalteerdheid, fin-de-siècledecadentie: is dat alles niet iets van een andere tijd? „We hebben nu meer ontplooiingsmogelijkheden. Maar de vragen die in Eline Vere gesteld worden, zijn van álle tijden. Het zijn vragen als: wie ben ik, waar hoor ik thuis, wat wil ik, wat voel ik, wat is mijn noodlot?’’

Regisseur Léon van der Sanden plaatst de acteurs in een strak decor. „Dat geeft’’, denkt Kraakman, „het publiek ruimte voor de eigen fantasie. Voor ons acteurs is het moeilijk, want elk gebaar valt op, we moeten helder spelen.’’'Waarbij de poëtisch-archaïsche taal van de schrijver gehandhaafd blijft. Zij draagt, in het begin, een kostuum met een keutje. „Bijna geharnast, net als de kostuums van de anderen. Zodat je duidelijk het beeld krijgt van mensen die hun gevoel onderdrukken. Alles wordt ingesnoerd.’’

Couperus’ werk laat zich goed naar het toneel transponeren. De even gevoelige als objectieve karaktertekeningen, de treffende milieuschilderingen en vooral de levensechte dialogen: dat alles leidde tot een reeks bewerkingen. Van Ger Thijs bijvoorbeeld, ook al voor Het Nationale Toneel. Om diens Kleine Zielen en Oude Mensen te overtreffen, daar zal voor Van der Sanden nog een hele kluif aan hebben.

Zijn bewerking draagt de speelse ondertitel „Van jonge mensen en dingen die gaan komen’’, want deze enscenering is toegespitst op de jongelui uit de roman, die allemaal op hun eigen manier op zoek zijn naar liefde.

Veel romanpersonages zijn in het toneelstuk dus gesneuveld en van Couperus’ breedsprakigheid is ook maar weinig over: „Het toneelstuk’’, zegt Maria Kraakman, „scheert over de toppen van het boek heen. Het is volkomen manisch. Zo tonen we Elines nachtmerrie.’’