Eline Vere is de onbegrepen buitenstaander

TheaterEline Vere naar Louis Couperus door het Nationale Toneel. Regie: Léon van de Sanden. Gezien: 22/12 Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 1/3. Inl.: 0900-3300033; www.nationaletoneel.nl

„Het zijn de zenuwen”, heette vroeger kortweg het ziektebeeld van geëxalteerde dames. Kluwen zenuwen in hun lichaam maakten hen hysterisch en manisch. In romans leven ze voort als Madame Bovary (1857) en de Haagse Eline Vere (1889). Ze geven zich over aan de grillen van hun hart, zijn ze dartel, dan overdadig dartel, somber als diepste droefenis. Ze raken zo verstrikt in al die uitersten dat zelfmoord de enige uitweg lijkt.

Maria Kraakman is een nieuwe Eline Vere op het Nederlandse toneel. In 1987 vertolkte Carline Brouwer de titelrol in een bewerking van Hans de Wolf bij de Haagse Comedie. Die Eline had een weldadige woede over zich. Ze smeet kussens in de richting van het „suffe Den Haag”. Bewerker en regisseur Léon van der Sanden plaatst actrice Kraakman in een voorstelling die het tempo heeft van een koortsvisioen. Geen langdradige verveling, evenmin een beklemmende besluiteloosheid zoals in de roman van Loius Couperus, maar gejaagdheid, onrust. De koele vlakken in het decor kunnen deze Eline niet kalmeren.

Het is volkomen terecht dat moeder, broers en schoonzusters uit de keurige Haagse kring van Eline haar telkens aansporen toch ‘gewoon’ te leven, dat ze niet moet toegeven aan haar buien. Het knappe van deze regie en deze hoofdrolspeelster is dat ik als toeschouwer met het verstand de familieleden gelijk geef, maar dat Kraakman als frêle Eline haar emotionele gelijk haalt. Het begrip ‘noodlot’ sijpelt als gif door de voorstelling. Eline wijt haar wankelmoedigheid aan het lot, zelfs verliefd roept ze uit: „Liefde is de vervulling van mijn noodlot”. Ook losbandige types als kunstenaar Paul (Jeroen Spitzenberger) en ongeleid projectiel Vincent (Tijn Docter) weten in doeltreffend spel raad met dit noodlot: het drijft hen naar de Haagse duistere wereld van drank en lichte vrouwen. Als je slim bent, is noodlot je beste vriend.

Maar Eline is niet slim, ze is fragiel en wispelturig. Kraakman laat met een onuitputtelijk arsenaal aan beweginkjes, handgewapper en beengetrappel zien dat Eline een gevangene is: ze wil eruit, maar ze kan het niet. Ze speelt die besluiteloosheid met verve en overgave. Echt tragisch wordt de voorstelling dankzij twee vrouwen die Eline’s contrast vormen: Mirjam Stolwijk is angstwekkend als de ijzige getrouwde vrouw die zich wel aanpast aan huwelijkse normen. En Bien de Moor is genadeloos goed als de Brusselse Elize die Eline aan de morfine brengt. In haar hart lijdt Elize aan dezelfde kwaal als Eline, maar zij overwint door zich in perverse milieus te bewegen en van Eline een willig slachtoffer te maken.

De scènes met de familie zijn soms braaf toneelmatig en netjes, alsof we gewoon weer bij lang geleden verzeild zijn geraakt. Maria Kraakman verdient alle lof. Het is haar gelukt van Eline de onbegrepen buitenstaander te maken, die zij is. Haar lot is dat ze zichzelf evenmin begrijpt; dat maakt de teloorgang van haar Eline tot een griezelige zielsgeschiedenis.