Dierentuin

In Artis trof me een bordje met de mededeling dat Mawa, een ‘orang-oetanman’, op 25-jarige leeftijd was overleden. Mawa was ’s middags aan een hernia geopereerd, „en hoewel de operatie prima verliep, is Mawa niet meer bijgekomen. Op zeker moment stopte hij met ademhalen. Reanimatie mocht niet meer baten.”

Operatie geslaagd, patiënt overleden. Oftewel: de doktoren zijn knap, maar ze kunnen niet alles.

„Artis betreurt het verlies van Mawa zeer”, stond erbij. Er was ook een fotootje van Mawa bij afgedrukt. Een groot, wijs gezicht met montere ogen. Mawa was drie jaar toen hij naar Artis kwam.

Ik had Mawa nooit gekend, want ik kom weinig in Artis, maar toch stemde zijn dood me een beetje droevig. Misschien kwam dat ook door de mandril in het apenhuis, die ik kort tevoren had gezien. Hij zat hoog in een boom achter het dikke glas van zijn kooi. Een minuut of vijf heb ik naar hem staan kijken en al die tijd bleef hij roerloos met zijn rug naar de bezoekers gekeerd. Hij had overduidelijk nergens zin in, niet in ons, niet in die kooi, niet in de dierentuin en niet in de hele wereld.

Er hing op deze morgen een fletse schemer in het apenhuis en opeens kreeg ik de gewaarwording dat ik in een bejaardenhuis rondliep, ook zo’n ruimte waar mensen doelloos en dof op hun einde wachten. Was niet elke dierentuin een soort bejaardenhuis? De opgeborgenen kregen er hun natje en hun droogje, ze hoefden nauwelijks meer van hun plaats te komen om zichzelf in stand te houden, soms kwamen er bezoekers.

Natuurlijk, er zijn genoeg jonge dieren in zo’n dierentuin, maar ook zij leiden het tamme leven van een bejaarde. Ze vlooien wat en ze klooien wat – veel meer valt er niet te doen.

Ik geef toe dat dit een tamelijk sombere kijk op het fenomeen dierentuin is, maar zeg nu zelf: wie van ons zou niet liever als een antilope over de Afrikaanse savannen galopperen in plaats van steeds weer hetzelfde saaie rondje in Artis of Blijdorp te draaien?

Zelfs het pasgeboren zwarte slingeraapje met de grote, verbaasde ogen kon me niet helemaal met zijn omgeving verzoenen. Zijn moeder had hem muurvast aan haar borst verankerd en klauterde woest door haar kooi, alsof ze mensenmoeders wilde laten zien dat ze niet te snel moesten zeuren: zonder buggy gaat het ook. Ook dat aapje zou nooit weten wat vrijheid is.

Gelukkig had ik Glenn, mijn kleinzoon, meegenomen. Hij kan nog zonder bijgedachten van de dierentuin genieten. En vooral van de glijbanen in de dierentuin. De dieren neemt hij voor kennisgeving aan, hij vindt het prettig voor ons dat wij denken dat het prettig voor hém is, en hij wil ook best enige verbazing tonen als Harry de krokodil (of Brutus) achteloos een dooie rat weghapt – maar hij komt pas echt tot leven als we de speeltuin naderen.

Terug, in de tram, zei hij tegen een jonge vrouw: „Hoe heet jij?”

„Andrea. En jij?”

„Glenn.” En met een knikje naar mij: „Dat is opa Frits. Hij is mijn beste vriend. Hij is naar de kapper geweest.”

De feiten klopten, ik hoefde niets te corrigeren of aan te vullen, zoals kranten doen. Misschien schuilt er een journalist in hem, wie weet een columnist, zo iemand die een kleinzoon nodig heeft om zijn stukje toch nog een beetje vrolijk te laten eindigen.