De smaak van de zomer en het zuiden

Het eerste wat je opvalt zijn haar vier gouden boventanden, die je zelfs in het kille winterlicht toeblinken. Ze lacht namelijk nogal vaak. Van de marktkooplieden in de Ketellappersdwarsstraat is ze de enige die zulke tanden heeft. Net zoals ze de enige is die niet uit Moskou komt, maar uit de stad Naltsjik om precies te zijn, in de Russische deelrepubliek Kabardino Balkarië, aan de voet van het Kaukasusgebergte.

Zoelia heet ze, en ze is even in de veertig.

Twee dagen in de week staat ze op het kleine marktje in de Taganka-wijk in Moskou. Het marktje in het drukke straatje tussen de kathedraal en het kleine kerkje in. Het is er altijd druk. Moskovieten uit de buurt doen er hun boodschappen, want het is er zoveel goedkoper dan in de supermarkt.

De zeventig kraampjes staan er alleen op vrijdag en zaterdag. Je kunt er alles kopen. Handschoenen, mutsen, boeken, speelgoed, zeep, vlees, verse vis, kaas, groenten, fruit. En als het rond drie uur donker begint te worden gaan de carbidlampen aan. Dan schijnt in de kramen een mager licht dat alles en iedereen een geheimzinnige zachte gloed verleent.

Het lijkt soms wel een voorspel van de dienst die aan het eind van iedere middag in het oude kerkje begint. Door de vensters kruipt het licht van honderden kaarsen naar buiten en veel vrouwen gaan er met hun boodschappen naar binnen om even in een andere wereld te zijn. De kozak die voor de kerkdeur op wacht staat om God en vaderland te beschermen is op dat moment alleraardigst, ook tegen Zoelia, die moslim is.

Zoelias’s fruitstal is een tent met een metalen frame, waarvan de voorkant is opengewerkt. Aan een van de tentstangen hangt een leger zwarte plastic zakjes. Bij Zoelia kun je peren kopen, druiven, appelen, mandarijnen en koroloks, de traditionele oranje vruchten uit de Kaukasus. Het zijn niet haar eigen producten, want ze verkoopt ze namens handelaren uit haar geboortestreek en uit Azerbajdzjan, de fruitschuur van Rusland. Wekelijks worden ze in Moskou afgeleverd, na een treinreis van een dag.

Haar handelswaar is goedkoop, voor Moskouse begrippen. Haar mandarijnen verkoopt ze voor 65 roebel (anderhalve euro) per kilo, appels 45 roebel per kilo, druiven 85 roebel. En alles wat ze verkoopt smaakt fris en vol naar zomer in het zuiden.

Zoelia is aardig voor haar klanten, die nogal hooghartig tegen haar kunnen doen. Ze is tenslotte een ‘zwartje’, iemand uit het zuiden. En die worden in Moskou gediscrimineerd, omdat ze een donkere huid hebben en gouden tanden mooi vinden. Maar Zoelia zit er niet mee. Ze vindt het alleen vervelend dat het minder druk bij haar is dan bij andere fruitstalletjes.

Wel heeft Zoelia het er moeilijk mee om zo ver van huis te zijn. Ze mist haar familie en voelt zich na een jaar in het enorme Moskou eenzaam. Maar er moet nu eenmaal geld verdiend worden. En werk is er in het zuiden niet, althans niet in het gebied waar zij vandaan komt.

En kan ze dan leven van wat ze in die twee dagen verdient? „Het gaat net”, zegt ze met haar gouden lach. „Ik heb niet zoveel nodig.” En als haar ogen ook gaan blinken weet je dat ze het meent en tevreden is met haar karige bestaan.