De Ander als spiegel

Een jaar voor zijn dood bundelde Ryszard Kapuscinski zes lezingen over wat hij zag als de kern van zijn werk en van zijn leven: de ontmoeting met de ander. Een voorpublicatie uit de bundel die dit voorjaar verschijnt.

Wanneer ik terugblik op de vele wereldreizen die ik in de loop der jaren heb ondernomen, krijg ik soms de indruk dat het niet zo zeer de grenzen en fronten, de moeilijkheden en bedreigingen zijn die mij de grootste zorg en onrust baarden, maar veeleer de telkens weer opspelende onzekerheid over de aard, kwaliteit en het verloop van een ontmoeting met Anderen, met andere mensen die ik ergens onderweg zou gaan tegenkomen. Ik wist immers dat veel, misschien wel alles, daarvan zou afhangen. Elke ontmoeting betekende een groot vraagteken. Hoe zal deze verlopen? Hoe zal deze aflopen?

Zulke vragen zijn uiteraard oeroud. De ontmoeting met een ander mens, met andere mensen, behoorde altijd al tot de universele en fundamentele ervaringen van onze soort. Volgens de archeologen bestonden de allereerste menselijke groepen uit kleine, dertig à vijftig personen tellende familieclans. Als zo’n gemeenschap groter zou zijn, dan zou ze zich niet snel en gemakkelijk genoeg kunnen verplaatsen. Zou ze kleiner zijn, dan zou ze zich niet doeltreffend kunnen verdedigen en zou ze niet voldoende effectief zijn in haar strijd om te overleven.

Maar op een gegeven moment is onze kleine familieclan op zoek naar voedsel, en komt daarbij plotseling een andere familieclan tegen. Wat een belangrijk moment in de wereldgeschiedenis, wat een verheven ontdekking! Er bestaan nog andere mensen op de wereld! Tot dan toe kon een lid van de eerder genoemde oergroep van dertig tot vijftig bloedverwanten nog in de veronderstelling verkeren dat hij alle wereldbewoners kende. Maar opeens blijkt dat niet het geval te zijn, er leven op de wereld nog meer wezens die op hem lijken, andere mensen!

Hoe op zo’n opzienbarend nieuws te reageren? Hoe te handelen? Welke beslissing te nemen?

Een wilde aanval inzetten op de vreemdelingen? Hen onverschillig passeren en doorlopen? Of toch maar proberen kennis te maken en met hen te communiceren?

Vandaag de dag staan wij voor dezelfde keuze als de groep van onze voorouders duizenden jaren geleden. De noodzaak om te kiezen is even pregnant als toen. De keus is even principieel en categorisch als destijds. Hoe moet je je tegenover de Ander opstellen? Welke houding jegens hem aannemen?

Het kan uitdraaien op een duel, een conflict, een oorlog. Getuigenissen van zulke gebeurtenissen worden in alle archieven bewaard, ontelbare slagvelden en overal ter wereld te vinden ruïnes getuigen ervan. Ze zijn het bewijs van de menselijke nederlaag, van het feit dat de mens niet met de Ander kon of wilde communiceren. Dit gegeven, deze menselijke zwakheid leverde in de literatuur van alle landen en door alle tijdperken heen een onuitputtelijk gevarieerd thema op.

De door ons gevolgde familieclan kan echter ook besluiten zich van de Anderen af te zonderen, zich af te schermen in plaats van hen aan te vallen en tegen hen te vechten. Als gevolg van die houding zijn in de loop der tijd de op een gelijksoortig idee geïnspireerde objecten als de Chinese Muur, de torens en de poorten van Babylon, de Romeinse limes of de stenen muren van de Inca’s verschenen.

Gelukkig bestaan er ook bewijzen van nog een ander menselijk gedrag. Dat zijn de bewijzen van onderlinge samenwerking: overblijfselen van markten en havens, plaatsen waar zich agora’s en sanctuaria bevonden, waar nog oude universiteits- en academiegebouwen te zien zijn of waar de sporen van handelsroutes, zoals de Zijde-, Barnsteen- of Sahararoute bewaard zijn gebleven. Op al die plaatsen ontmoetten mensen elkaar, wisselden gedachten, ideeën en goederen uit, ze dreven handel en deden zaken, sloten overeenkomsten en allianties, streefden dezelfde doelen en waarden na. De Ander fungeerde niet meer als synoniem van vreemdheid, vijandigheid, doodsbedreiging of het ergste kwaad. Een ieder vond in zichzelf ten minste een deeltje van die Ander terug, geloofde daarin en leefde in overeenstemming met die overtuiging.

Bij elke ontmoeting met een Ander kon de mens uit drie eerder genoemde mogelijkheden kiezen: hij kon kiezen voor het voeren van oorlog, het optrekken van een muur of het aangaan van een dialoog.

In de loop der geschiedenis aarzelt de mens in zijn keus, en afhankelijk van de situatie als ook de cultuurkring waartoe hij behoort, kiest hij voor de ene of de andere optie. Hij is veranderlijk in zijn beslissingen, wordt geplaagd door onzekerheid, mist een stevige ondergrond.

De keuze voor oorlog lijkt me moeilijk te rechtvaardigen. Ik denk dat oorlog alleen maar verliezers kent, omdat hij een nederlaag van het menselijk wezen betekent, hij legt het menselijk onvermogen bloot met de Ander te communiceren, ons in de Ander in te leven, ons vriendelijk en verstandig te gedragen. In zo’n geval loopt een ontmoeting met de Ander altijd tragisch af, draait deze uit op een bloederig, dodelijk drama.

Het idee dat de mens tot de bouw van hoge muren en diepe vestinggrachten aanzette, met als doel zich van anderen te separeren, staat in ons tijdperk bekend onder de naam apartheidsdoctrine. De betekenis van deze term is ten onrechte verengd tot het beleid van het inmiddels verdwenen bewind van de blanken in Zuid-Afrika. In werkelijkheid werd apartheid al in het verre verleden gepraktiseerd. De aanhangers ervan verkondigen, eenvoudig gezegd, dat ieder mens mag leven zoals hijzelf wil, ver uit hun buurt welteverstaan, als deze niet tot hun ras en cultuurkring behoort en niet dezelfde godsdienst belijdt. Was dat maar alles! In feite hebben we hier te maken met een doctrine van structurele, blijvende ongelijkheid binnen de menselijke soort.

In mythen van vele stammen en volken wordt een overtuiging uitgedragen dat alleen wij – leden van onze clan, onze gemeenschap – mensen zijn en dat alle Anderen Untermenschen of überhaupt geen mensen zijn.

Hoe anders was het beeld van de Ander in het tijdperk van antropomorfische geloven, waarin goden een menselijke gedaante konden aannemen en zich als mensen konden gedragen. Toentertijd wist men immers niet of de naderende zwerver, reiziger, nieuwaangekomene een mens of een op een mens gelijkende god was. Die onzekerheid, die intrigerende ambivalentie vormt een van de ontstaansbronnen van de gastvrijheidcultuur die aanbeveelt elke gast met alle mogelijke welwillendheid te bejegenen.

Cyprian Norwid (Pools dichter die leefde van 1821-1883, red.) schrijft erover in de inleiding tot zijn Odyssee. Hij staat stil bij de oorzaken van de gastvrijheid die Odysseus ondervond op zijn terugweg naar Ithaka: „Er werd vermoed dat in elke armoedzaaier en in elke vreemde zwerver God zelf schuilde (…). Van tevoren iemand de vraag stellen: ‘Wie bent u, beste bezoeker?’ en hem vervolgens gastvrij ontvangen was ondenkbaar. Pas na zijn mogelijk goddelijke afkomst te hebben gerespecteerd ging men over tot het stellen van aardse vragen en dat noemde men gastvrijheid die werd gerekend tot de vrome praktijken en deugden. De Grieken van Homerus kenden geen ‘laatste mens’! De mens was altijd de eerste, dat wil zeggen goddelijk.”

In de door Norwid aangehaalde Griekse benadering van cultuur ontsluiten de dingen hun nieuwe, mensvriendelijke betekenissen. Deuren en poorten dienen niet alleen om ze voor de Ander te sluiten. Ze kunnen ook voor hem opengaan, hem gastvrij uitnodigen. Een weg hoeft niet ten dienste te staan van vijandige legers, hij kan ook worden bewandeld door een van de goden die zich, gehuld in pelgrimskledij, in onze richting spoedt. Dankzij zulke interpretaties van betekenissen belanden wij in een wereld die niet alleen rijker en gevarieerder is, maar ook vriendelijker voor onszelf, in een wereld waarin we graag de Ander willen ontmoeten.

De filosoof Emmanuel Lévinas noemt de ontmoeting met de Ander „een gebeurtenis”, zelfs „een fundamentele gebeurtenis”; het is de belangrijkste, het hoogst mogelijke wat kan worden beleefd. Lévinas behoort tot de filosofische kring van dialogisten, net als Martin Buber, Ferdinand Ebner of Gabriel Marcel (later ook Józef Tischner). Zij hebben het idee van de Ander – een unieke en onherhaalbare entiteit – ontwikkeld als reactie op twee fenomenen die in de twintigste eeuw opdoemden: de geboorte van de massasamenleving die de individualiteit afschafte, én de expansie van vernietigende totalitaire ideologieën. Deze filosofen trachtten de in hun ogen hoogste waarde, namelijk het individu – mij, jou, de Ander, de Anderen – te behoeden voor de nivellerende werking die de massa en het totalitarisme uitoefenden op de identiteit van de mens (om die reden hebben zij het begrip de Ander gepropageerd; om de onderlinge verschillen tussen individuen, tussen hun niet-uitwisselbare en onvervangbare kenmerken te benadrukken).

Als het ging om de houding jegens de Ander en de Anderen verwierpen deze filosofen de weg van oorlogvoering omdat die tot vernietiging leidde, bekritiseerden een houding gekenmerkt door onverschilligheid en het optrekken van muren. In plaats daarvan bepleitten ze de noodzaak, sterker nog de ethische plicht, van wederzijdse toenadering, openheid en welwillendheid.

Vanuit zulke ideeën en opvattingen, verkenningen en overpeinzingen, ontstaat en ontwikkelt zich het grote wetenschappelijke oeuvre van de Poolse antropoloog Bronislaw Malinowski, eerst student en later doctor filosofie aan de Jagiellonski Universiteit.

Malinowski kampte met het volgende probleem: hoe nader tot de Ander te geraken als het niet om een abstract wezen gaat, maar om een concreet mens die tot een ander ras behoort, die een eigen geloof belijdt, eigen waarden aanhangt die van de onze verschillen, die een eigen cultuur heeft ontwikkeld?

Het begrip de Ander wordt meestal gedefinieerd vanuit het gezichtspunt van de blanke, de Europeaan. Maar als ik vandaag de dag door een bergdorp in Ethiopië wandel, rent er een groepje vrolijke kinderen achter me aan. Ze wijzen naar me en roepen: Ferenci! Ferenci! Dat betekent: vreemd, ander. Want voor hen ben ik juist die Ander.

In die zin zitten we met z’n allen in hetzelfde schuitje. Ieder van ons, elke bewoner van deze planeet, is de Ander voor de Anderen: ik voor hen, zij voor mij.

In het tijdperk van Malinowski en de eeuwen daarvoor stond een blanke, een Europeaan, bij zijn expedities naar andere continenten bijna uitsluitend een veroveringsdoel voor ogen: onderwerpen van nieuwe landen, bemachtigen van slaven, handeldrijven of bekeren. Die expedities ontaardden niet zelden in bloedbaden, zoals de verovering van de Amerika’s door de mannen van Columbus en de blanke kolonisten die na hem kwamen, de onderwerping van Afrika, Azië en Australië.

Malinowski reist met een ander doel naar de eilanden in de Grote Oceaan: hij wil de Ander leren kennen, met zijn buren kennismaken, zijn gewoontes en zijn taal leren kennen, zien hoe die Ander leeft. Hij wil dat zelf zien, zelf ervaren, om er later getuigenis over af te kunnen leggen.

Het op het eerste gezicht zo vanzelfsprekende project van Malinowski blijkt echter revolutionair en wereldschokkend te zijn. Het legt immers een, weliswaar in verschillende mate voorkomende, zwakheid of misschien simpelweg kenmerk van elke cultuur bloot: de ene cultuur heeft er moeite mee de andere cultuur te begrijpen, de deelnemers en dragers van die culturen ondervinden dezelfde problemen.

Na het bereiken van zijn onderzoeksterrein, de Trobriand Eilanden, stelt de auteur van De koraaltuinen vast dat de aldaar al jarenlang verblijvende blanken de lokale bevolking en haar cultuur niet alleen in het geheel niet kennen, maar er ook een volstrekt verkeerd, van minachting en arrogantie doordrongen beeld van hebben.

Geheel in strijd met de koloniale gebruiken zet Malinowski zijn eigen tent op in een van de dorpjes en blijft wonen te midden van de plaatselijke bevolking. Wat hij gaat beleven, zal niet altijd even prettig en gemakkelijk blijken. In zijn Dagboek heeft hij het herhaaldelijk over de moeilijkheden die hij moest trotseren, over neerslachtige stemmingen, zijn inzinking en zelfs depressie.

Men betaalt een hoge prijs voor het zich losrukken uit de eigen cultuur. Het is dan ook erg belangrijk een eigen, duidelijk gedefinieerde identiteit te bezitten, haar kracht, waarde en rijpheid te beseffen. Alleen dan kan men met gerust hart een confrontatie met een andere cultuur aangaan. In het tegenovergestelde geval gaat men zich in een schuilhok verstoppen, zich angstig afzonderen van de omringende wereld. Temeer omdat de Ander een spiegel vormt waarin we onszelf bekijken en waarin we bekeken worden, een spiegel die ons ontmaskert en ontbloot, iets wat we liever willen vermijden.

Op het moment dat in Malinowski’s Europa de Eerste Wereldoorlog woedt, concentreert de jonge antropoloog zich op het onderzoek naar de cultuur van de onderlinge uitwisseling, wederzijdse contacten en gezamenlijke rites van de bevolking van de Trobriand eilanden, waaraan hij zijn geweldige werk Argonauts of the Western Pacific zal wijden. Hij zal de volgende belangrijke stelling formuleren: „Om een oordeel te kunnen vellen, moet men er zelf geweest zijn.” De stelling zal echter zelden door anderen in acht worden genomen. Malinowski lanceert nog één voor die tijd uiterst gewaagde stelling: er bestaan noch hogere noch lagere culturen, er is slechts sprake van verschillende culturen die op verscheidene manieren aan de behoeften en verwachtingen van haar deelnemers voldoen. Malinowski beschouwt immers een mens die tot een ander ras en een andere cultuur behoort als iemand wiens gedrag ook, zoals het onze, wordt gekenmerkt door waardigheid, respect voor beleden waarden, eerbied voor gebruiken en tradities.

Malinowski begon aan zijn werk ten tijde van de geboorte van de massasamenleving. Vandaag de dag leven wij in een overgangsperiode van deze massasamenleving naar een nieuwe samenleving – de planetaire. Veel factoren hebben daarop een gunstige invloed, zoals de elektronische revolutie, de imposante ontwikkeling van allerlei soorten communicatietechnieken, het gemak waarmee we ons kunnen verplaatsen en de daarmee samenhangende veranderingen in het bewustzijn van de jongste generaties en het culturele domein in de ruimste zin van het woord.

Op welke manier zal dat onze houding jegens mensen uit andere culturen veranderen? Welke invloed zal dat hebben op de relatie Ik – de Ander, binnen de eigen cultuur en daarbuiten? Het is bijzonder moeilijk hierop een eenduidig en definitief antwoord te geven omdat we te maken hebben met een proces dat gaande is, waarin wijzelf ondergedompeld zijn. Daardoor zijn we beroofd van de mogelijkheid het van een afstand te beschouwen.

De cultuur wordt almaar heterogener, meer en meer hybride. Zo was ik onlangs in Dubai getuige van het volgende verbazingwekkende verschijnsel. Een meisje, zonder twijfel een moslima, wandelde langs het strand. Ze had een strakke spijkerbroek en een strak bloesje aan, terwijl haar hoofd, enkel en alleen haar hoofd, op zo’n puriteinse wijze in een donkere chador was verscholen dat je zelfs haar ogen niet meer kon zien.

Binnen de filosofie, antropologie en literatuurkritiek bestaan tegenwoordig denkscholen die hun aandacht hoofdzakelijk richten op dit proces van culturele hybridisatie, binding en transformatie. Dat proces voltrekt zich vooral in de regio’s waar staatsgrenzen samenvielen met de grenzen tussen de verschillende culturen (bijvoorbeeld de Amerikaans-Mexicaanse grens), en in de gigantische megasteden (zoals São Paulo, New York of Singapore), waar de bevolking van verscheidene culturen en rassen zich mengt. We zeggen dat de huidige wereld multi-etnisch en multicultureel is geworden. Echter niet omdat er tegenwoordig meer gemeenschappen en culturen zouden zijn dan vroeger, maar omdat zij met een luidere, beslissendere, zelfstandiger geworden stem praten, omdat ze erkenning en een eigen plek aan de ronde tafel van de wereldvolkeren opeisen.

De oorsprong van de echte uitdaging van onze tijd, de ontmoeting met een zowel raciaal als cultureel nieuwe Ander, moet tevens worden gezocht binnen een brede historische context. In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft tweederde van de wereldbevolking zich van haar koloniale afhankelijkheid bevrijd en is burger geworden van een eigen, al dan niet slechts in naam onafhankelijke staat. Gaandeweg begon men zijn verleden, mythes en wortels, zijn geschiedenis en identiteitsgevoel te hervinden, en uiteraard de daaruit voortvloeiende trots. Eindelijk begon men zich baas in eigen huis, stuurman van het eigen lot te voelen. Die nieuwe burgers aanschouwden vol haatgevoelens allerlei pogingen om hen slechts instrumenteel te behandelen als figuranten, als decors of als slachtoffers en passieve objecten van dominantie.

Op onze planeet – eeuwenlang bewoond door een kleine kring van vrije mensen en daarnaast enorme massa’s geknechten – neemt vandaag de dag het aantal volkeren en gemeenschappen toe bij wie het besef van eigenwaarde voortdurend groeit.

Dat gaat vaak gepaard met grote moeilijkheden, met conflicten en tragedies.

Wellicht zijn we op weg naar een zo totaal nieuwe en verschillende wereld, dat onze historische ervaringen niet meer toereikend zullen blijken om haar te kunnen bevatten en erin te kunnen functioneren.

In die wereld zullen we telkens een nieuwe Ander tegenkomen, die langzaam tevoorschijn komt uit de chaos en verwarring van de moderne tijd. Mogelijk zal die Ander ontstaan vanuit de ontmoeting tussen de twee stromingen die de cultuur van de moderne wereld vormen: de globalisering die onze werkelijkheid een uniform karakter verschaft en de tegenovergestelde stroming, die onze bijzondere kenmerken, onze uniciteit en de individuele verschillen wil doen behouden. Mogelijk wordt die Ander hun kind en erfgenaam. Om die reden moeten we trachten een dialoog met hem aan te gaan en met hem te communiceren. Mijn jarenlange ervaring in het omgaan met verre Anderen heeft mij geleerd dat alleen een welwillende houding tegenover een ander mens zijn humane snaar kan raken.

Wie zal die nieuwe Ander zijn? Hoe zal onze ontmoeting eruit zien? Wat zullen we tegen elkaar zeggen? In welke taal? Zullen we in staat zijn naar elkaar te luisteren, elkaar te begrijpen? Zullen we bereid zijn ons te laten leiden door hetgeen, zoals verwoord door Joseph Conrad, „ons vermogen tot bewondering en verrukking, ons besef van het levensmysterie aanspreekt; door hetgeen appelleert aan ons gevoel van mededogen, schoonheid en pijn, aan de verborgen verbintenis met de rest van de wereld, aan die subtiele maar onoverwinnelijke overtuiging van het bestaan van een soort solidariteit die de eenzaamheid van ontelbare mensenharten verenigt, aan de gemeenschappelijkheid van dromen, vreugden, zorgen, doelen, illusies, hoop en angst die de mens met zijn naaste verbindt, die de hele mensheid onderling verbindt – de doden met de levenden en de levenden met de nog niet geborenen?”

Deze tekst is onder de titel ‘Ontmoeting met de Ander als uitdaging van de éénentwintigste eeuw’ opgenomen in de bundel ‘De Ander. Essays van de reporter van de eeuw’, die in maart 2008 verschijnt bij De Arbeiderspers.