ZURE MENSEN

Mijn ouders wisten precies wat de Nederlandse identiteit inhield. Na negen jaar in Leiden te hebben gewoond, vertrokken ze in 1985 met een beeld van ietwat zure mensen, die op straat een dubbeltje zouden oprapen, maar zichzelf dan nog geen snoepje gunden: met andere woorden, echte calvinisten. Het is een beeld dat mooi werd samengevat door een versje dat een Londense restauranthouder ooit voor me opdreunde:

They never get happy / They never get rich / And they never get fat / But nevertheless / They’re from the Netherlands.

Nationale identiteit moet iets eeuwigs uitdrukken, maar twintig jaar later is dit beeld alweer verouderd. Zoals de Engelsen het zeggen: ‘The past is another country.’ Als een Rotterdammer van vandaag een Zeeuws huisje anno 1907 zou binnenlopen, zou hij veel minder gemeen hebben met de inwoners dan met een Dortmunder of Liverpudlian uit 2007. Heeft Maximá dan toch gelijk, dat dé Nederlandse identiteit niet bestaat?

Je zou denken dat er door de tijd heen enkele constante factoren zouden zijn. Geogra?e bijvoorbeeld: de eeuwige strijd tegen het water. Maar dat is dankzij de Deltawerken uit het dagelijks leven verdwenen. Het Nederlandse landschap? Flink veranderd sinds Hendrik Marsman in 1937, denkend aan Holland, brede rivieren traag door oneindig laagland zag gaan. Om één van de vele internetparodieën op zijn gedicht te citeren:

Denkend aan Holland

Zie ik breede snelwegen

Traag door oneindig laagland gaan.

En in de geweldige ruimte verzonken,

Vinex-locaties

Verspreid door het land.

In de vorige eeuw is de Nederlandse bevolking verdrievoudigd, en het land sneller dan waar dan ook in Europa volgebouwd. Ook in de plompe boerenkoppen is alles veranderd. De Nederlandse regering poogt nu de Nederlandse waarden uit te beelden in promotie?lmpjes met topless vrouwen en zoenende homo’s, maar Nederland is eeuwenlang bevolkt geweest door mensen die nooit topless gingen, de gelijkheid der geslachten afwezen, en dachten dat homo’s in de hel zouden branden. Ook de calvinistische stijl – ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ – is in de tijd van Quote en Big Brother teloorgegaan. En de Tweede Wereldoorlog en het televisietrauma van 11 september scheiden ons van de vele Nederlandse generaties die een geschiedenis zonder schokken beleefden.

Misschien is de enige constante in de Nederlandse geschiedenis de hoge mate van globalisering. Deze maand ontmoette ik in Zürich een Nederlandse ‘expat’, die liever Engels wilde praten. Dat soort Nederlanders heeft altijd bestaan: denk aan de generaties Nederlandse emigranten die in Australië of de VS ‘verdwenen’, omdat ze zich zo snel aan het land aanpasten.

Maar al verandert de Nederlandse identiteit voortdurend, zij bestaat in elke generatie opnieuw. Wie de vraag stelt – ‘Is er een Nederlandse identiteit?’ – beantwoordt hem in feite al. Ja, want over de grens kunnen slechts zes miljoen Vlamingen deze vijf woorden verstaan, en die interesseren zich er amper voor omdat ze het druk genoeg hebben met hun eigen identiteit. De Nederlandse taal en media en landsgrenzen de?niëren nog steeds een unieke plek op de kaart. Die plek verandert voortdurend, heeft amper constanten, behalve dat hij altijd verschilt van alle andere plekken.

En de vergelijking met België (straks ook al een verouderd concept) toont aan hoe sterk die Nederlandse identiteit altijd weer is. Minder dan België, Duitsland, Groot-Brittannië, Noorwegen, Zwitserland, Frankrijk of bijna welk ander land kent Nederland grote regionale verschillen.

Het land was altijd zo bereisbaar dat de mensen hier meer dan elders op elkaar lijken. Frankrijk moest eeuwenlang ‘boeren in Fransen’ omtoveren, en die boeren de landstaal leren. In Nederland hoefde dat niet.

Al eeuwenlang is dit onbetwistbaar één land, waar een burgeroorlog ondenkbaar is. Tijdens de verzuiling dacht de ene groep Nederlanders wellicht dat de ander spoedig met de homo’s in de hel zou branden, maar zij leefden vredig en sober in veelal dezelfde straten, aten om ’s avonds om zessen hetzelfde soort eten, bestuurden samen de parlementaire democratie, en voelden zich Nederlanders. Ook de klassenverschillen waren hier kleiner dan elders. Dit is een land als familie, met veelal dezelfde koppen, wat de intrede van Turkse en Marokkaanse schoonzonen zo stressvol maakte.

Het mooiste bewijs voor de familie-hypothese is het Nederlandse voetbalelftal. In de meeste Europese landen is het nationale team bindmiddel nummer één, maar geen ander team in Europa is zo bindend als Oranje. Naar de grootste wedstrijden kijkt driekwart van de bevolking, een ongeëvenaard percentage.

De Nederlandse identiteit wordt steeds opnieuw gede?nieerd, niet aan de hand van eeuwige Nederlandse waarden, maar in contrast met de buitenlandse vijand van het moment. Vanaf 1945 was die vijand de nazi’s: wij waren het tegenovergestelde van hen. Vanaf ongeveer 1985 werd de vijand de Duitsers in het algemeen: wij waren grappig en tolerant, omdat zij dat niet waren. Sinds 2001 zijn de anti-Nederlanders de Amerikanen (agressief, te gelovig, werken te hard) en fundamentalistische moslims (aggressief, te gelovig, werken niet). En over één generatie de?niëren de Nederlanders zichzelf vermoedelijk alweer als het tegenovergestelde van Chinezen.

Simon Kuper, schrijver en journalist, publiceerde vorig jaar Retourtjes Nederland, een boek over het land waar hij als kind tien jaar woonde. Vanuit zijn woonplaats Parijs schrijft hij voor de Financial Times.