Zouden anderen ons onmisbaar vinden?

Er is een tijd geweest dat het bestaan of niet-bestaan van Nederland, met Amsterdam als financieel centrum, een verschil uitmaakte. In het ‘Europa der staten’ is Nederland niets bijzonders, vinden anderen.

J.L. Heldring

Columnist van NRC Handelsblad

‘Het doel in je leven moet niet zijn je onmisbaar te maken, maar juist misbaar.” Dit zei mij iemand eens jaren geleden. Hij was zelf huisarts, zodat ik van hem die zinspreuk wel begreep. Het doel van de huisarts is immers mensen beter te maken. Zijn ze eenmaal beter, dan hebben ze de dokter niet meer nodig. Maar of dat voor alle beroepen geldt?

Voor staten geldt het zeker niet. Een individu kan zichzelf nog wel voor een zaak of voor iemand anders opofferen. Maar een staat? Zijn wezen is ’t zich, zo niet groter en sterker te maken, dan toch te handhaven. Ja, is dat niet de wortel van alle kwaad? „De zelfzucht en de agressiviteit van de groep bestaan dankzij het altruïsme van de individu die zich voor haar opoffert”, heeft Arthur Koestler eens gezegd. Daarom is niet de mens de mens een wolf, maar de staat de staat.

In beginsel geldt dit voor het vreedzame Nederland ook. Het is waar dat er kort na de oorlog een sterke beweging was die vond dat Nederland moest opgaan in een groter Europa. Als staat mocht Nederland niet meer bestaan, op z’n hoogst als natie. Het paradoxale deed zich voor dat toen koningin Juliana en haar troonopvolgster zich sterk inzetten voor dat ideaal: zinnebeelden van de nationale soevereiniteit die het einde van de soevereiniteit bepleitten. Zouden zij ook geluisterd hebben naar die huisarts die zich eigen misbaarheid ten doel stelde? Beatrix lijkt mij niet een zichzelf wegcijferende persoonlijkheid te zijn.

Hoe dat ook zij – die tijd is voorbij. Het Nederlandse ‘nee’ van 1 juni 2005 tegen de Europese ‘Grondwet’ heeft er een definitief einde aan gemaakt. Europa is een ‘Europa der staten’ geworden – iets wat generaal De Gaulle in de jaren zestig altijd al bepleit had – tot grote woede van de Europese supranationalisten en federalisten, van wie er in Nederland velen waren.

Het Europa van vandaag is nog steeds opgebouwd uit staten, waarvan Nederland er een is. Betekent dit dat Europa niet zonder Nederland kan? Hoe zou Europa, ja hoe zou de wereld er zonder Nederland uitzien? Er is een tijd geweest dat het bestaan of niet-bestaan van Nederland een verschil uitmaakte.

De historicus Huizinga spreekt ergens van het „zonderling toeval” dat heeft gewild dat op de plaats waar Nederland nu ligt, een staat is ontstaan, tegen eigen wil eigenlijk, want hebben de Nederlanders niet de soevereiniteit over het gebied waar zij woonden, eerst aan Frankrijk en aan Engeland aangeboden, voordat zij – in arren moede, zou je bijna zeggen – zelf hun zelfstandigheid maar uitriepen?

Nog zonderlinger is het dat het kleine Nederland toen in snel tempo niet alleen een grote mogendheid werd – niet zozeer te land als wel ter zee – maar ook het rijkste land ter wereld. Amsterdam werd niet alleen de stapelplaats, maar ook het financiële centrum der wereld. Daarbij bloeiden er de wetenschappen en de kunsten als nergens anders. Nederland werd toen werkelijk als een soort wereldwonder beschouwd – niet het minst door Duitsers, wier land zelf in de Dertigjarige Oorlog een ruïne was geworden.

Toen zou het inderdaad iets uitgemaakt hebben of Nederland al dan niet bestond. Het was geen toeval dat hier Hugo de Groot zijn Mare Liberum schreef, in opdracht van de Verenigde Oostindische Compagnie, ter rechtvaardiging van de Nederlandse handel en scheepvaart op Oost-Indië. Op de specifieke situatie op dat ogenblik toegesneden, werd het de grondslag voor Grotius’ internationale roem als rechtsgeleerde. Maar het vaderland vond hem misbaar, en hij trad in Zweedse dienst. Verheven beginselen hebben vaak een laag-bij-de-grondse oorzaak.

Zo heeft ook onze befaamde tolerantie veel te danken aan de Hollandse kooplieden, die er, letterlijk, meer brood in zagen zaken te doen met andersdenkenden dan de scherpslijperijen van de predikanten te volgen.

Ook met zijn beeldende kunstenaars dwong Nederland toen de bewondering van de wereld af. Ook zij hadden trouwens veel te danken aan de grote en kleine kooplieden die met hun producten hun kale muren tapisseerden en zo hun rijkdom etaleerden.

De Nederlandse letterkunde en wijsbegeerte hadden minder uitstraling. De laatste is hier eeuwenlang dienstmaagd van de theologie gebleven, wat haar verhinderde haar vleugels volop uit te slaan. En Spinoza dan? Hij woonde weliswaar in Nederland, waar hij ook geboren was, maar in hoeverre mogen wij ons deze Portugees-joodse wijsgeer toe-eigenen? En Erasmus? Heeft deze universalist zich Nederlander gevoeld en genoemd? Hij behoort trouwens tot een tijdperk dat Nederland als zodanig nog niet bestond.

De invloed van de Nederlandse letterkunde moest noodzakelijkerwijs beperkt blijven door de taal, die niet voor iedereen toegankelijk was, al was zij dan lange tijd wel de lingua franca in Noord-Duitsland en langs de Oostzee.

Maar dat kan niet de volledige verklaring zijn. Landen met een nog kleiner taalgebied, zoals de Scandinavische, kunnen bogen op een wereldliteratuur. Waar zijn de Nederlandse Strindberg, Ibsen en Kierkegaard of Andersen?

Is het hier ook weer de theologie die ons parten heeft gespeeld? Wie is geïnteresseerd in de problemen van het calvinistische binnenhuisje? Goed, Maarten ’t Hart en Jan Siebelink vinden vooral in Duitsland een succès d’estime, maar dat is nog iets anders dan wereldliteratuur. Kortom, wat dit betreft, zou Nederland kunnen verdwijnen zonder een spoor achter te laten.

Van de historici is het eigenlijk alleen Huizinga wiens naam in het buitenland nog weleens genoemd wordt, met Geyl als goede tweede (maar uitsluitend in de Angelsaksische wereld). Maar Romein? Nooit van gehoord, en toch had hij de ambitie buiten de grenzen gehoord te worden.

Zo is het eigenlijk alleen maar de reputatie van de zeventiende-eeuwse beeldende kunst – vooral de schilderkunst – die de neergang van Nederland als grote mogendheid heeft overleefd. Als Fransen Nederland – voor hen ultima Thule – bezoeken, dan is dat, behalve voor de drugs, vooral om Rembrandt en Vermeer de Delft. Latere schilders, zoals Jongkind, Van Gogh en Van Dongen, hebben ze geannexeerd – niet helemaal zonder reden, want in Frankrijk zijn zij tot volle ontplooiing gekomen. Trouwens, als Nederland zou verdwijnen, zouden er nog genoeg musea elders zijn om de wereld te herinneren aan the glory that was Holland.

Zou er een verband zijn tussen Nederlands neergang als grote mogendheid en het einde van de uitstraling van zijn cultuur of van zijn invloed in het algemeen? De Britse historicus Jonathan Israel verkondigt de theorie dat de Verlichting niet begonnen is in het achttiende-eeuwse Frankrijk, maar in Nederland, te beginnen met Spinoza, maar dan zijn wij weer terug in de zeventiende eeuw, toen Nederland nog een grote mogendheid was.

In de achttiende eeuw bleef het als kapitaalverschaffer belangrijk. Zouden de jonge Verenigde Staten het ooit gerooid hebben zonder de kredieten van Amsterdamse bankiers (keurig op tijd terugbetaald)? Nu is Nederland de zetel van enkele multinationals – maar in hoeverre zijn die nog als Nederlands te beschouwen? – en heeft het de grootste haven van Europa, maar geeft dat ons ook navenant invloed?

Na de achttiende eeuw was Nederland ook zijn economische macht kwijt. De Franse tijd liet het verarmd achter. Weliswaar heeft Willem I even gedroomd van een Nederland dat zo groot en machtig zou zijn als Pruisen, maar de Belgen hebben finaal een eind aan die droom gemaakt.

Pas met Thorbecke ging het langzaam weer bergopwaarts. Hij was een groot man, maar in het buitenland is hij niet bekend. Dat ligt ook daaraan dat Nederland zich na de afscheiding van België angstvallig onthield van bemoeiing met het buitenland. Even is zelfs afschaffing van de diplomatieke dienst overwogen (consuls konden het wel af), en op Buitenlandse Zaken kwam vaak een rooms-katholiek (want daar kon hij geen kwaad). Als Nederland toen van de aardbodem zou zijn verdwenen, zou haast niemand dat hebben gemerkt. Is dat de diepere zin van de aan Bismarck toegeschreven woorden: „Holland annektiert sich selbst”?

Die neutraliteit, die van 1839 tot 1940 geduurd heeft, moest natuurlijk, al was het slechts om redenen van zelfrespect, gerechtvaardigd worden met verheven argumenten. De jonge Thorbecke meende dat de „Nederlandsche Staatkunde, zelve vrij van heerschzucht, de billijkste oordeelaarster over de heerschzucht van anderen” was (maar wie vroeg om ons oordeel?), koningin Emma riep ons op „groot te zijn in alles waarin een klein land groot kan zijn”, en de rechtsgeleerde Van Vollenhoven zei in 1913 dat Nederland „in onverdachte belangeloosheid” de meerdere was van andere landen en daarom gehoor kreeg. Helaas is van dat laatste niet veel gemerkt.

Wél heeft die periode bijgedragen tot de bloei van de studie van het volkenrecht, met vele internationaal geziene rechtsgeleerden. Vele Nederlanders gingen dit als een substituut voor buitenlandse politiek zien. Later kwam het argument van het Europese evenwicht erbij: dit zou de zelfstandigheid van Nederland eisen. De grote omringende landen gunden elkaar het bezit van ons land niet, en daaraan zou het zijn invloed ontlenen.

Dit argument was niet helemaal onjuist – althans zolang de mogendheden belang hadden bij de handhaving van dat evenwicht. Dat was nog zo in de Eerste Wereldoorlog, maar Hitler maakte er korte metten mee, met als gevolg: einde van Nederlands zelfstandigheid.

Een andere factor die vóór 1940 Nederland meer gewicht gaf dan andere kleine mogendheden, was het bezit van Nederlands-Indië. Onze neutraliteit verbood echter politiek gebruik van dit gewicht te maken. Maar het besef bestond wel degelijk dat Nederland bij verlies van Indië zou afdalen tot de „rang van Denemarken”– niet zo’n erg vooruitzicht overigens, want Denemarken was toen al een gelukkig en welvarend land.

Maar dat verlies van Indië zou onvermijdelijk komen. Busken Huet – een Nederlander die, intellectueel gesproken, de gelijke, zo niet de meerdere, was van menige beroemdere buitenlander (maar ja, die taalbarrière...) – sloot in 1884 zijn Land van Rembrand af met : „Java en de Staalmeesters zijn eigenlijk onze twee beste aanbevelingsbrieven.” Java zijn we kwijt, de Staalmeesters hebben we nog – in een museum.

En nu? Nederland is lid van het ‘Europa der staten’ geworden. Is het daar een onmisbaar onderdeel van? Onmisbaarder dan Estland of Denemarken? Laat mij Peter van Walsum het woord geven, die als oud-ambassadeur in Duitsland en ex-vertegenwoordiger in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij uitstek tot oordelen bevoegd is. Zijn boek Verder met Nederland (2001) besluit hij aldus: „De neiging van Frankrijk, Duitsland en Engeland ons over het hoofd te zien is, geloof mij, met geen pen te beschrijven.”

Helaas – of misschien: gelukkig – beseft niet iedere Nederlander dat, zeker niet iedere politicus en zelfs niet iedere minister van Buitenlandse Zaken. Wij mogen ons – volkomen natuurlijk – zelf onmisbaar vinden, maar doen anderen dat ook?