...zou weleens onze redding kunnen zijn

Wie een vluchtige blik werpt op het politieke en maatschappelijke wereldtoneel anno 2007, kan haast niet anders dan tot de conclusie komen dat een ‘wereld zonder waarheid’ verder weg lijkt dan ooit. En dat terwijl zo’n wereld ons zou kunnen redden.

Rob Wijnberg

Redacteur nrc.next en filosoof. Auteur van ‘Boeiuh. Het stille protest van de jeugd’ (2007)

Religieuze fundamentalisten beheersen sinds 11 september 2001 de krantenkoppen; de ideologie is terug van weggeweest. Zelfs de democratie, nota bene ooit als remedie tegen absolutisme bedoeld, is tot onze absolute ‘waarheid’ verheven en wordt met beangstigende overtuigdheid aan anderen opgelegd.

Compromissen sluiten betekent nu: ‘slappe knieën hebben’. En de bereidheid om te twijfelen wordt als ‘zwakte’ gezien. Echte leiders zijn niet te vermurwen persoonlijkheden – wie van mening of inzicht verandert, ‘draait’. Zelfs het ooit bejubelde polderen heeft afgedaan: compromisloze daadkracht is waar de burger om vraagt. Kortom, het einde van de geschiedenis van Francis Fukuyama, de filosoof die een wereld zonder ideologische worstelingen voorzag, heeft zich nooit aangediend. Integendeel, constateert collega-filosoof John Gray met angst in zijn ogen: de utopisten hebben de macht gegrepen.

Inderdaad, een ‘wereld zonder waarheid’ lijkt nu ver weg. Maar we hebben die wereld nog maar kort achter ons gelaten. De hernieuwde strijd om het ‘absolute gelijk’ waar wij tegenwoordig toeschouwer van zijn, is geen ontkenning van een ‘wereld zonder waarheid’, maar een direct gevolg ervan.

Met wijsheid achteraf is het gemakkelijk constateren dat de anti-filosoof Friedrich Nietzsche in 1882 profetische woorden sprak, toen hij God „dood” verklaarde. De aanjager van het postmodernisme doelde daarmee natuurlijk niet op het het einde van de godsdienst – zó naïef was hij niet. Nee, Nietzsche had ‘de waarheid’ begraven zien worden. „Er zijn geen feiten, slechts interpretaties”, voegde hij daar zelf nog aan toe – en warempel: wij hebben hem volmondig gelijk gegeven. De afgelopen vijf decennia zijn in het Westen uitgedraaid op één grote triomftocht van het relativisme.

Immers, ieder fundament dat tussen grofweg het jaar 1960 en 2000 onder onze samenleving is gelegd, is in zijn diepste kern een ontkenning van het bestaan van ‘de waarheid’. Vrijheid, democratie, tolerantie, de scheiding tussen kerk en staat en de autonomie van het individu – alle beginselen die wij in marmer hebben gebeiteld,hebben allemaal één ding gemeen, namelijk dat ze als beginsels ‘waarheidsloos’ zijn.

Vrijheid bijvoorbeeld is als doel op zich een ‘richtingloos’ principe; het vertelt ons niets over het ‘waartoe’ of ‘waarheen’ de vrijheid ons moet leiden. Ook de democratie heeft in beginsel geen doel voor ogen: haar richting staat, zolang iedere minderheid zich maar beschermd weet, per definitie niet vast. Tolerantie, op haar beurt, is óók al niets meer dan een vorm van moreel relativisme: tolereren is immers accepteren van wat daarvoor nog ‘verwerpelijk’ was. De scheiding tussen kerk en staat heeft van ‘de waarheid’ zelfs staatsrechtelijk een no-go-area gemaakt. De macht moest ‘neutraal’ zijn; ze had zich niet te bemoeien met onze persoonlijke definities van ‘goed’ en ‘kwaad’. En dat is, ten slotte, waar ook de ‘autonomie van het individu’ uiteindelijk op neer is gekomen: de verschrompeling van ‘de waarheid’ tot iets wat strikt persoonlijk is. ‘Goed’ en ‘kwaad’ als het subjectieve privébezit van het individu, voorzover het anderen geen schade berokkent, is langzaam maar zeker het weinig dwingende fundament van ons gezamenlijke wereldbeeld geworden.

Om misverstanden te voorkomen: niets dan lof voor deze uitzonderlijke verworvenheden van de westerse maatschappij. Ik zou ze voor geen goud willen ruilen voor een samenleving die wel een gedeeld ‘hoger doel’ voor ogen heeft. ‘Leve het oeverloos aanmodderen’ zou ik bijna zeggen, want de samenleving die streeft naar zogenaamde perfectie is alles behalve perfect. Kijk naar China, Rusland en grote delen van het Midden-Oosten. En we weten allemaal hoe het de meest recente utopische projecten, van het marxisme tot het nazisme, is vergaan.

Dat neemt niet weg dat West-Europa, en daarmee ook Nederland, wel met een groot aantal problemen heeft te kampen als gevolg van deze zelfgeconstrueerde ‘wereld zonder waarheid’. Ontkerkelijking, ontzuiling, commercialisering en een gestaag verval van normen en waarden waren de initiële symptomen; desinteresse, wantrouwen en cynisme zijn het resultaat ervan. Dat is logisch. Desinteresse, wantrouwen en cynisme zijn bijna niet te voorkomen zodra een samenleving bevangen raakt van het idee dat ‘de waarheid’ niet bestaat – of niet te bereiken is.

Hoe dat komt, wordt op microniveau treffend geïllustreerd door wat ik het ‘Joris Luyendijk-effect’ zou willen noemen.

Journalist Luyendijk schreef in 2006 de bestseller Het zijn net mensen, over het subjectieve en manipulatieve karakter van onze nieuwsvoorziening uit het Midden-Oosten. ‘Objectieve verslaggeving bestaat niet’ was kort samengevat de conclusie van zijn bijna pamflettistische boek. Journalisten zijn immers ook ‘net mensen’. Dat wil zeggen: niets meer dan een interpreterend subject dat ‘de waarheid’ nooit in pacht zal hebben.

Deze Nietzscheaanse boodschap (‘er zijn geen feiten, slechts interpretaties’) sloeg in als een bom. Niet verwonderlijk ook. Luyendijk beroerde een bekende en gevoelige snaar; dit gevoel is al jaren latent onder ons aanwezig. En het gevolg van zijn journalistieke zelfbeklag voltrekt zich zienderogen. Het nieuws interesseert ons steeds minder (‘het is maar een beeld’), we vertrouwen de bron niet langer (‘de media manipuleren’) en we zijn cynisch over wat we er aan kunnen doen (‘het is nu eenmaal zo’). We geloven domweg niet meer in het beeld dat ‘het nieuws’ ons voorschotelt, en verliezen daardoor iedere reden om ons er door aangesproken te voelen, er druk om te maken of er zelfs maar aandacht aan te schenken. Luyendijks subjectivisme heeft, met andere woorden, een vorm van maatschappelijk nihilisme gebaard.

Hij had het kunnen weten. Want dit proces heeft zich de afgelopen decennia in vergelijkbare vorm ook op grotere schaal voltrokken, culminerend in het volstrekt ideologieloze Paars van Wim Kok. Polderen werd de oplossing voor alles, gedogen was een wondermedicijn. Immers, niemand had ‘het gelijk’ in pacht, dus waarom er nog langer om vechten? Het Joris Luyendijk-effect stak maatschappijbreed de kop op: een sluier van desinteresse, wederzijds wantrouwen en cynisme kwam over ons heen.

En daar viel, zolang alles zijn gangetje wel ging, nog mee te leven. Lange tijd was er weinig mis met het liberale dogma ‘bemoei jij je niet met mij, dan bemoei ik me niet me jou’.

Totdat de islam opeens een ‘vijand’ werd.

Op het moment dat de ‘radicale islam’ zich in het Westen aandiende – eerst op 11 september 2001 in de VS, en later, op 11 maart 2004 in Madrid, Europa – veranderden subiet al onze relativistische verworvenheden in een probleem. Cultuurrelativistisch denken werd plots synoniem aan: je naar de slachtbank van Allah laten leiden. Achter ons sluimerende nihilisme bleken talloze maatschappelijke problemen schuil te gaan. Integratieprobleem? Een kwestie van veertig jaar lang apathie jegens ‘de ander’. Kloof tussen burger en politiek? Desinteresse met een vleugje cynisme. Xenofobie en gevoelens van onveiligheid? Wederzijds wantrouwen. Drinkende hangjeugd? Nihilistische doelloosheid. Radicalisering? Een diep gevoel van ‘ontworteling’, waarvoor het ideologieloze Nederland geen alternatief in de aanbieding heeft.

Nu mag het misschien politiek incorrect zijn om te vragen waarom we zo bang zijn voor niet-geïntegreerde moslims, terwijl we tegelijkertijd moeiteloos duizenden Poolse loodgieters binnenhalen en niet eens omkijken naar die tienduizenden Chinezen in ons land die net zomin Nederlands spreken, die de wijken ‘overspoelen’ met Chinese toko’s en het liefst illegale casinootjes runnen in de kelder van hun restaurant. Maar het antwoord is eenvoudig: geloof. Moslims hebben een geloof.

En de kwestie is niet eens of dat geloof verenigbaar is met de ‘westerse’ beschaving – het uitgangspunt van onze beschaving bestond er de laatste decennia immers uit dat ieder gedachtegoed hier zijn plekje wel kon krijgen. Nee, het probleem is juist dát uitgangspunt. Op het geloof in ‘de waarheid’ van moslims, hebben wij geen ‘eigen’ antwoord meer, sinds wij, na ons eigen laatste ideologische project genaamd ‘Verlichting’ – die volgens de Duitse filosoof Theodor Adorno ongeloofwaardig kon worden verklaard vanwege de Tweede Wereldoorlog –, collectief hebben besloten dat ‘de waarheid’ niet bestaat, dat het ‘objectieve’ slechts subjectief is, en dat alles uiteindelijk neerkomt op ‘interpretatie’ en ‘cultuur’. Niet voor niets breekt men het hoofd over wat eigenlijk onze ‘identiteit’ is – die hebben we lang geleden opgegeven, ten behoeve van een wereld zonder waarheid, met dogmatiek als enige vijand.

Met de komst van een nieuwe religie naar ons deel van de wereld was ook de terugkeer van de ideologie in de politieke arena niet te voorkomen. Politici als Rita Verdonk en Geert Wilders hebben als geen ander begrepen dat de behoefte aan een eigen, westerse ‘waarheid’ gigantisch is aangewakkerd. De meest succesvolle politici van dit tijdsgewricht doen dus niet langer aan interpretatie. Regels zijn regels, punt, zegt de een. De Koran is „een fascistisch boek”, welke lezing je er ook op nahoudt, zegt de ander. ‘De Nederlander’ is geen sociologische exercitie, maar een normatief, moreel concept. En de wereld is geen oceaan van oneindige grijstinten waar je gemakkelijk in verzuipt, maar een zee waar je ‘recht doorheen’ moet zwemmen – op weg naar de waarheid die aan de overkant ligt.

De aantrekkingkracht van dit soort stelligheid is dat het een gevoel van ‘duidelijkheid’ verschaft. De wereld ingedeeld in ‘goed’ en ‘kwaad’ – dat tilt een enorme last van onze schouders. Geconfronteerd met complexe vraagstukken als terrorisme, migratiestromen en een uitdijend Europa, verlangt de burger meer dan ooit naar antwoorden die niet aan ‘relativering’ onderhevig zijn. Het groeiende gebrek aan aanknopingspunten in de toenemende informatiestroom waar we in een mediacratie mee te kampen hebben, wakkert bovendien het gevoel ‘verloren’ te zijn constant aan. Dat maakt ons extreem gevoelig voor simplistische visies op de veel ingewikkelder werkelijkheid. De illusie van het onweerlegbare weegt zwaar – in een tijd dat eenduidigheid zélf steeds meer een illusie is.

Niet voor niets schieten zingevingstijdschriften als Happinez als paddestoelen uit de grond, wint een krant als Trouw – die zich sterk richt op religie, spiritualiteit en zingeving – weer aan lezersschare, begint nrc.next een dagelijkse pagina getiteld ‘Zin’ en is een boek als The Secret – waarin ‘het geheim’ voor een gelukkig leven zogenaamd wordt ontrafeld – een ongekende bestseller. Ze bieden houvast in een wereld die zelf steeds minder zinvolle aanknopingspunten te bieden heeft.

Die behoefte aan houvast verklaart ook het structurele falen van het politieke establishment om de fenomenen ‘Wilders’ en ‘Verdonk’ te bestrijden. Het probleem van vrijzinnig-links en sociaal-liberaal rechts is vooral dat hun gedachtegoed niet toereikend is om de dogmatiek van Wilders en Verdonk van een adequaat weerwoord te voorzien. Ze kunnen nuanceren en relativeren, maar niet weerleggen. Het postmoderne virus lijkt hun argumenten krachteloos te hebben gemaakt. En daar parasiteren Wilders en Verdonk als geen ander op: ze noemen iedereen die ‘vraagtekens’ bij hun ideeën zet, ‘laf’, ‘gek’ of ‘gevaarlijk’ en scoren daarmee zetel op zetel in de peilingen.

Betekent dit dat de ‘wereld zonder waarheid’ definitief ten einde is gekomen? Dat we de hoop op een wereld waarin iedere overtuiging gemoedelijk naast een ander kan bestaan, beter op kunnen geven? Volgens mij niet. Sterker nog, het vermogen om te relativeren, te nuanceren en te twijfelen, is – al heeft het vruchtbare bodem voor een nieuwe strijd gekweekt – ook onze enige uitweg uit die strijd; onze laatste kans om de desastreuze opmars van de nieuwe ideologen een halt toe te roepen.

Wat we daarvoor dan wel nodig hebben, is een leider die ‘twijfel’ niet als zwakte ziet, maar juist tot een krachtig dogma verheft. Iemand die principieel weigert mee te gaan in de retoriek dat in grijstinten denken gebrekkig leiderschap betekent en van mening veranderen een tekortkoming is. Een type-Wilders dus eigenlijk, die met dezelfde megalomane overtuigdheid als de PVV-leider van de daken schreeuwt dat we allemaal ‘net mensen’ zijn. Mensen die één eigenschap delen, namelijk een verlangen naar waarheid dat nooit vervuld zal worden.

Een wereld zonder waarheid mag dan nu ons probleem lijken, ooit zou het weleens onze redding kunnen zijn.