Waar konijnen zijn, verdwijnen hoge struiken

Pasgeboren jongen van het duinkonijn krijgen slechts één keer per etmaal te eten. Hun moeder beperkt het zogen tot een minimum om zo de kans te verkleinen dat haar jongen door een roofdier worden ontdekt.

Want overbevolking dwingt een eerstejaars konijnenmoeder vaak om de veilige konijnenburcht te verlaten waarin zijzelf opgroeide. Dan graaft ze verderop een aparte nestgang met aan het uiteinde een grasgevulde nestkamer. Na de geboorte sluit ze de gang zorgvuldig af met zand. De moeder laat de jongen na de geboorte alleen achter.

De nog blinde jongen kruipen dicht tegen elkaar aan en wachten geduldig tot hun moeder weer verschijnt. Alleen ’s ochtends in alle vroegte, als aartsvijanden vos en uil zijn uitgejaagd, waagt zij zich bij hen en dan slechts voor een paar minuten. Hier wint de voorzichtigheid het van de moederzorg. Dagelijks graaft zij de nestgang open en dicht.

Deze en andere bijzondere waarnemingen aan konijnen komen aan bod in het boek ‘Wilde Konijnen’ dat kortgeleden verscheen. De lezer vindt er informatie uit eerste hand, want het boek is geschreven door vijf Nederlandse veldbiologen die zich met het wilde konijn hebben beziggehouden. Het is een aangename mix van geschiedenis, veldwaarnemingen en anekdotes rondom het veldonderzoek. Prachtige foto’s en tekeningen van Dick Klees ondersteunen het verhaal.

Dat het boek zo mooi verzorgd is, maakt een klein redactioneel foutje vergeeflijk. Een kaartje dat volgens het onderschrift de verspreiding van myxomatose in Australië zou moeten laten zien, lijkt gezien de jaartallen eerder te slaan op de opmars het konijn zelf, dat vanaf 1860 langzaam vanuit het zuiden het hele continent koloniseerde.

Down Under staat het konijn te boek als een ongewenste exoot. In de Nederlandse natuur is het dier zo doodnormaal dat het haast een cliché voor wilde fauna is geworden. Toch is het ook hier geen inheemse soort.

Het konijn komt oorspronkelijk uit het gebied rond de Middellandse Zee en is door de mens steeds noordelijker gebracht tot het in de Middeleeuwen ook de Lage Landen bereikte. Monniken hielden konijnen voor het vlees en edelen zetten de dieren op hun landgoed uit voor de jacht. Al spoedig wisten de dieren te overleven in het wild. Ze burgerden haast naadloos in in de Nederlandse natuur.

Naadloos? Nee, niet helemaal. Konijnen hebben een dominante invloed op de vegetatie. Waar konijnen zijn, verdwijnen hoge struiken, het landschap wordt open. Het effect van hun vraatzucht werd pas echt duidelijk toen het Nederlandse wilde konijn in de jaren vijftig gedecimeerd werd door de myxomatose. Uit onderzoek in de jaren tachtig in het duingebied van de Meijendel in Zuid-Holland bleek bijvoorbeeld dat de grootste meidoornstuiken uit 1955 stamden. Dat was net het moment dat de konijnenstand zijn grootste crisis doormaakte. Zonder konijnen zou de Nederlandse natuur er op veel plaatsen heel anders uitzien.

En er is nog iets vreemds. Waar konijnen leven, zijn hazen opvallend afwezig. De haas is een ver familielid van het konijn, oorspronkelijk een steppedier, die zijn leefgebied op eigen houtje uitbreidde naar Nederland. Maar van konijnen moet de haas kennelijk niets hebben. Sim Broekhuizen, één van de auteurs van ‘Wilde konijnen’ vond begin jaren zeventig een mogelijke oorzaak. Hazen in de buurt van konijnen raken geïnfecteerd met de rode maagworm. Dit is een algemene konijneparasiet, waartegen konijnen redelijk bestand zijn dankzij een taai laagje slijm op de maagwand. Maar bij hazen veroorzaakt de rode maagworm maagbloedingen en bij ernstige infectie krijgen ze diarree waaraan ze kunnen sterven.

Sander Voormolen

Wilde Konijnen, Marijke Drees e.a., KNNV Uitgeverij, Zeist, ISBN 978 90 5011 262 8, prijs 19,95