WAAR DEUGEN MANNEN EIGENLIJK VOOR?

In zijn lezing ‘Is There Anything Good About Men?’ werpt de Amerikaanse psycholoog Roy F. Baumeister nieuw licht op de feministische strijd van ‘wij mannen’ tegen ‘wij vrouwen’.

‘Waar deugen mannen eigenlijk voor?’ – u zult wel denken: dat kan nooit een lang verhaal worden. In recente publicaties komen mannen er niet best af. Titels als Men are not cost effective (Mannen brengen hun geld niet op) spreken voor zich. Maureen Dowd gaf haar boek de titel Zijn mannen nodig?, en al heeft ze die vraag nooit uitdrukkelijk beantwoord, iedereen die het boek leest weet wat ze wil zeggen: ‘Nee’.

Brizendine’s boek The female brain (Het brein van de vrouw) stelt bij wijze van binnenkomertje: ‘Mannen, jullie krijgen binnenkort last van brein-nijd.’ Stel je voor dat een boek reclame zou maken met: ‘Vrouwen, jullie zullen binnenkort de mannen benijden om hun superieure brein’!

Deze voorbeelden staan niet op zichzelf. De onderzoeker Eagly heeft een grote hoeveelheid gegevens bijeengebracht over de stereotiepe ideeën die mensen hebben over mannen en vrouwen, die de onderzoekers hebben samengevat als ‘het waw-effect’. waw staat voor ‘Women Are Wonderful’. Zowel mannen als vrouwen denken veel gunstiger over vrouwen dan over mannen. Bijna iedereen is meer gesteld op vrouwen dan op mannen. Ik zéker.

Ik zal hier niet proberen het evenwicht te herstellen door de lof te zingen van de man, al heb ik terloops verscheidene positieve dingen te melden over beide seksen. De vraag ‘waar mannen eigenlijk voor deugen’ is alleen maar mijn uitgangspunt. Het boek dat ik aan het schrijven ben heeft als werktitel Hoe cultuur mannen uitbuit, maar zelfs dat is voor mij alleen maar de inleiding tot grote vragen over hoe cultuur het menselijk handelen beïnvloedt. In dat verband betekent ‘waar deugen mannen eigenlijk voor?’: waar deugen ze voor vanuit het perspectief van het cultuurstelsel?

Het gaat dus niet over de ‘strijd tussen de seksen’. Het hele idee dat man en vrouw in wezen elkaars vijanden zijn, is een minder gelukkige erfenis van het feminisme. In plaats daarvan zal ik betogen dat man en vrouw meestal partners zijn geweest, die elkaar ondersteunden in plaats van elkaar uit te buiten of te manipuleren.

Het gaat er hier ook niet om dat mannen zouden moeten worden beschouwd als slachtoffers. Het idee van een wedstrijd in slachtofferschap is afschuwelijk. En ik ontken beslist niet dat de cultuur de vrouw heeft uitgebuit. Maar in plaats van cultuur te beschouwen als een patriarchaat, dat wil zeggen als een samenzwering van mannen om vrouwen uit te buiten, denk ik dat je cultuur – zeg maar een land of een godsdienst – beter kunt opvatten als een abstract stelsel dat concurreert met andere stelsels en dat zowel mannen als vrouwen gebruikt om zijn zaak te dienen, vaak op verschillende manieren.

Verder lijkt het mij beter om waardeoordelen zoveel mogelijk te vermijden. Die hebben de discussie over seksebeleid heel moeilijk en delicaat gemaakt en daardoor de uitwisseling van ideeën vertroebeld. Ik kom niet met conclusies over wat er goed of slecht is, of hoe de wereld moet veranderen. Mijn theorie berust trouwens op het idee van compensatie: goede dingen zijn altijd gekoppeld aan slechte dingen, en ze vallen tegen elkaar weg.

Ik wil voor niemand partij kiezen. Laat de seksestrijders alsjeblieft opstappen.

Uitbuiten

Wanneer ik vertel dat ik onderzoek hoe cultuur mannen uitbuit, is de eerste reactie meestal: ‘Hoe kunt u zeggen dat cultuur mannen uitbuit? Zij maken toch overal de dienst uit?’ Dat is een billijke tegenwerping, die een serieus antwoord verdient. Ze berust op de feministische maatschappijkritiek. Die kritiek is ontstaan toen een aantal vrouwen systematisch de top van de samenleving in ogenschouw nam en overal mannen zag: de meeste wereldheersers, presidenten en premiers, de meeste Congresleden en parlementsleden, de meeste president-directeuren van grote ondernemingen enzovoort – het zijn merendeels mannen.

Toen de feministen dat allemaal zagen, dachten zij: tsjonge, de mannen beheersen alles, de maatschappij zit zo in elkaar dat de mannen er het best afkomen. Het moet geweldig zijn om een man te zijn.

De dwaling in die gedachtegang is dat er alleen wordt gekeken naar de top. Als je in plaats daarvan de onderkant van de samenleving in ogenschouw neemt, vind je ook daar merendeels mannen. Wie zitten overal ter wereld als criminelen of politieke gevangenen achter de tralies? De bevolking van de dodencellen is nooit in de buurt gekomen van 51 procent vrouwen. Wie zijn er dakloos? Alweer vooral mannen. Wie moeten in de samenleving het nare of gevaarlijke werk opknappen? Volgens het Amerikaanse ministerie van Arbeid zijn 93 procent van de mensen die bij hun werk om het leven komen mannen. En evenzo: wie sneuvelen er in de strijd? Zelfs in het huidige Amerikaanse leger, dat er veel aan gedaan heeft om de seksen te integreren en vrouwen aan de strijd te laten deelnemen, zijn de risico’s ongelijk verdeeld. Dit jaar zijn we de mijlpaal van 3.000 doden in Irak gepasseerd, en dat waren 2.938 mannen en 62 vrouwen.

Stel je eens een veldslag in de oudheid voor, waarbij de vijand werd verdreven en de stad gered, waarna de soldaten bij hun terugkeer handenvol goudstukken toegeworpen kregen. Een vroege feminist had kunnen zeggen: zeg, de helft van al die goudstukken die de mannen krijgen, moet naar de vrouwen gaan. Daarmee ben ik het in principe eens. Maar bedenk wel dat terwijl jij ziet hoe al die mannen goudstukken krijgen, er andere mannen zijn die je niet ziet, die nog op het slagveld aan hun speerwonden liggen dood te bloeden.

Dat is een belangrijke aanwijzing voor de manier waarop culturen mannen gebruiken. Cultuur zit vol compensatiesituaties, waarbij mensen gevaarlijke of riskante dingen moeten doen, waartoe ze met hoge beloningen worden overgehaald. De meeste culturen hebben doorgaans veel vaker mannen dan vrouwen gebruikt om die zeer riskante maar lucratieve functies te vervullen. Ik stel dat daarvoor belangrijke pragmatische redenen bestaan. Het gevolg is dat sommige mannen grote beloningen binnenhalen, terwijl het leven van andere wordt geruïneerd of zelfs afgekapt. De meeste culturen schermen hun vrouwen van het gevaar af, en geven hun daarom ook niet de grote beloningen. Ik zeg niet dat dit is wat culturen ethisch zouden moeten doen, maar culturen zíjn niet ethisch. Zij doen wat zij doen om pragmatische redenen, met als drijfveer de concurrentie met andere stelsels en andere groepen.

Stereotypen

Het is niet altijd zo geweest, dat de meeste mensen een positiever standaardbeeld van vrouwen hebben dan van mannen. Tot omstreeks de jaren zestig van de twintigste eeuw beschouwde de psychologie – net als de samenleving – mannen doorgaans als de norm en vrouwen als een iets mindere variant. In de jaren zeventig heeft korte tijd gegolden dat er eigenlijk geen verschillen waren, alleen stereotypen. Pas sinds omstreeks 1980 overheerst het beeld dat vrouwen beter zijn, en mannen de mindere variant.

Die verschuiving van de ene opvatting naar haar tegendeel heeft zich verrassend genoeg in amper tien jaar voltrokken. Hoe kan dat?

In de VS is de zaak Larry Summers bekend. Hij was rector magni?cus van Harvard. Hij ‘wekte de woede van het feministische establishment door zich hardop af te vragen of de schaarste aan vrouwen in de top van de wetenschap wel alleen uit vooroordelen kon worden verklaard’, zoals The Economist de kwestie samenvatte. Na te hebben gezegd dat er misschien wel weinig vrouwelijke hoogleraren natuurkunde aan Harvard zijn omdat er minder vrouwen dan mannen zijn met voldoende aanleg – zomaar een van de mogelijke verklaringen – moest hij zich verontschuldigen, zijn woorden terugnemen en grote sommen geld toezeggen; en niet lang daarna is hij afgetreden.

Welk misdrijf had Summers begaan? Niemand heeft hem echt van discriminatie van vrouwen beschuldigd. Zijn euveldaad was dat hij dingen dacht die je niet mag denken, namelijk dat er misschien wel meer zeer bekwame mannen zijn. De enige toelaatbare verklaring voor het ontbreken van vrouwen aan de top van de wetenschap is dat er een patriarchaat bestaat, een samenzwering van mannen om vrouwen eronder te houden. Bekwaamheid kan het niet zijn. Er zijn trouwens aanwijzingen dat mannen in doorsnee iets beter zijn in wiskunde, maar laten we aannemen dat Summers het had over algemene intelligentie. Uit veel gegevens blijkt dat het gemiddelde IQ van volwassen mannen ongeveer gelijk is aan het gemiddelde van vrouwen. Het is dus fout om te suggereren dat mannen slimmer zijn dan vrouwen. Geen wonder dat sommige vrouwen beledigd waren.

Maar dat is niet wat Summers had gezegd. Hij zei dat er meer mannen waren op de hoogste niveaus van bekwaamheid. Dat zou nog steeds waar kunnen zijn, ook als het gemiddelde hetzelfde is – als er namelijk ook meer mannen zijn aan de onderkant van de schaal, meer echt domme mannen dan vrouwen. Tijdens de controverse over Summers’ uitspraken heeft bij mijn weten niemand deze kwestie ter sprake gebracht, maar de feiten zijn er in overvloed, en ze zijn onloochenbaar. Er zijn meer mannen dan vrouwen met een heel laag IQ. Sterker nog, bij geestelijk laag ontwikkelden zien we hetzelfde patroon als bij genieën, namelijk dat als je gaat van licht naar matig naar extreem, het relatieve aandeel mannen steeds groter wordt.

Al die mentaal zwak ontwikkelde jongens zijn niet het werk van de patriarchaat. Mannen spannen niet samen om elkaars zonen achterlijk te maken.

Het gaat vrijwel zeker om een biologische, genetische kwestie. Ik vermoed dat het grotere aandeel mannen aan beide uiteinden van de IQ-verdeling deel uitmaakt van één patroon. De natuur gokt meer met mannen dan met vrouwen. Mannen zijn extremer dan vrouwen. Dat geldt niet alleen voor het IQ maar ook voor andere eigenschappen, zelfs voor lengte: de gra?ek van de lengteverdeling bij mannen is platter, met meer erg lange en erg kleine mannen.

Dit verklaart waardoor tegengestelde stereotypen mogelijk zijn. Mannen zijn extremer dan vrouwen. Stereotypen blijven bestaan door gekleurde waarneming. Denk je liefst dat mannen beter zijn dan vrouwen? Kijk dan naar de top, de helden, de uitvinders, de ?lantropen enzovoort. Denk je liefst dat vrouwen beter zijn dan mannen? Kijk dan naar de onderkant, de criminelen, de junkies, de mislukkelingen.

Op een heel wezenlijke manier zijn mannen werkelijk beter en slechter dan vrouwen.

Een patroon van meer mannen aan beide uitersten kan leiden tot allerlei misleidende conclusies en ander statistisch onheil. Laten we ter illustratie aannemen dat mannen en vrouwen gemiddeld in alle relevante opzichten precies gelijk zijn, maar dat aan beide uitersten de mannen overheersen. Als je dan dingen gaat meten die aan één uiteinde begrensd zijn, krijg je scheve uitkomsten, waardoor mannen en vrouwen signi?cant lijken te verschillen.

Tegenwoordig is het wel zo dat vrouwelijke studenten hogere cijfers halen dan mannen, maar een lager salaris krijgen. Er is veel te doen over wat dat allemaal betekent en wat je eraan zou kunnen doen. Maar die feiten zouden weleens allebei statistische grillen kunnen zijn die voortkomen uit het extreme gedrag van mannen.

Het idee dat de ene sekse over het geheel genomen beter zou zijn dan de andere is niet erg aannemelijk. Waarom zou de natuur de ene sekse beter maken dan de andere? De evolutie selecteert goede, gunstige eigenschappen, en als er één manier van bestaan de beste is, dan zal na een aantal generaties iedereen zo zijn.

Wel zal de evolutie verschillen handhaven als eigenschappen elkaar compenseren, dus als een bepaalde trek ergens goed voor is, terwijl het tegenovergestelde van die eigenschap weer een ander voordeel heeft.

Malaria

Laten we even terugkeren naar onze drie hoofdtheorieën over de seksen: mannen zijn beter, er is geen verschil, of vrouwen zijn beter. Wat ontbreekt er in dat lijstje? Verschillend maar gelijkwaardig. Dat zou ik willen voorstellen als alternatieve theorie die het overwegen waard is. Eigenlijk denk ik dat het de meest plausibele theorie is. De natuurlijke selectie zal aangeboren verschillen tussen mannen en vrouwen laten bestaan zolang de verschillende eigenschappen gunstig zijn in verschillende omstandigheden of voor verschillende taken.

Een voorbeeld van zo’n verschil: zwarte Amerikanen lijden meer dan blanken aan sikkelcelanemie. Dit lijkt het gevolg te zijn van genetische kwetsbaarheid. Maar dat gen vergroot wel de resistentie tegen malaria. Zwarten zijn geevolueerd in streken waar malaria een belangrijke doodsoorzaak was, en dus was dat gen zinvol, ook al werd de kans op sikkelcelanemie er groter door. De blanken zijn geëvolueerd in koudere gebieden, waar minder malaria voorkwam, en daardoor is bij hen een andere selectie opgetreden, die het gen vermeed dat malaria voorkwam maar de kans op sikkelcelanemie vergrootte.

Wie oog heeft voor functionele verschillen komt tot een radicale theorie over de gelijkwaardigheid van de seksen. Mannen en vrouwen zijn weliswaar verschillend, maar het kan goed zijn dat ieder voordeel gekoppeld is aan een nadeel.

Dus altijd wanneer u hoort dat de ene sekse ergens beter in is, overweeg dan even rustig waarom dat waarschijnlijk het geval is – en waar de tegenovergestelde eigenschap goed voor zou kunnen zijn.

Laat ik, voordat we dat pad te ver afwandelen, nóg een radicaal idee opperen. Misschien zijn de verschillen tussen de seksen meer een kwestie van motivatie dan van bekwaamheid. Dat is het verschil tussen ‘kan niet’ en ‘wil niet’.

Denk nog eens aan Larry Summers, die zich afvroeg waarom er aan Harvard niet méér vrouwelijke hoogleraren natuurkunde zijn. Misschien kunnen vrouwen wiskunde en natuurwetenschap heel goed, maar doen ze het gewoon liever niet. Tenslotte houden de meeste mannen óók niet van wiskunde! De kleine minderheid die wél van wiskunde houdt, omvat waarschijnlijk meer mannen dan vrouwen. Eccles heeft uit onderzoek herhaaldelijk geconcludeerd dat het tekort aan vrouwen in de wiskunde en de natuurwetenschappen meer een kwestie is van willen dan van bekwaamheid. Volgens dezelfde logica vermoed ik dat de meeste mannen ook best zouden kunnen leren luiers te verschonen en onder de bank te stofzuigen, maar dat ze dat niet doen omdat ze het niet willen of niet leuk vinden – niet omdat ze er niet toe in staat zouden zijn (ook al proberen ze weleens die indruk te wekken).

In ettelijke recente publicaties is het hele idee dat er sekseverschillen in bekwaamheid zouden zijn, op losse schroeven gezet. Zelfs wanneer er in doorsnee verschillen worden gevonden, zijn die doorgaans buitengewoon klein. Maar als je anderzijds kijkt naar wat mannen en vrouwen willen, wat ze prettig vinden, dan zijn er echte verschillen. Neem het onderzoek naar de seksuele aandrift. Mannen en vrouwen zijn weliswaar beiden evenzeer ‘in staat tot seks’, maar op het punt van motivatie zijn er grote verschillen: welk geslacht denkt de hele tijd aan seks, heeft er vaker zin in, wil meer variatie in partners, riskeert meer voor seks, masturbeert vaker, grijpt iedere kans aan enzovoort? Vrijwel alle metingen en alle onderzoeken hebben uitgewezen dat mannen een sterkere seksuele aandrift hebben: mannen zijn geiler dan vrouwen. Dat is een verschil in motivatie.

Misschien is ook creativiteit een voorbeeld van een verschil tussen de seksen dat meer een zaak is van motivatie dan van bekwaamheid. De bevindingen op dit gebied lijken paradoxaal, want wanneer je mensen test op creativiteit, scoren mannen en vrouwen ongeveer gelijk, maar in de loop van de geschiedenis zijn sommige mannen veel creatiever geweest dan vrouwen. Een passende verklaring van dit patroon is dat mannen en vrouwen even creatief zijn, maar dat zij verschillen in motivatie.

Voorouders

De grote verschillen tussen mannen en vrouwen liggen eerder op het vlak van motivatie dan op dat van bekwaamheid. Wat zijn die verschillen dan? Ik wil er twee benadrukken.

Het eerste grote, fundamentele verschil hangt samen met wat volgens mij het meest onderschatte feit is met betrekking tot de seksen. De vraag luidt: hoeveel procent van onze voorouders waren vrouwen?

Het is geen strikvraag, en het antwoord is niet ‘50 procent’. Zeker, ongeveer de helft van alle mensen die ooit hebben geleefd waren vrouwen, maar dat was de vraag niet.

Wij vragen naar alle mensen die ooit hebben geleefd van wie nu nog een nakomeling in leven is. Anders gezegd: zeker, iedere baby heeft een moeder en een vader, maar sommige van die ouders hadden meer kinderen.

Een jaar of twee geleden is door dna-onderzoek deze vraag beantwoord. De huidige mensheid stamt af van tweemaal zoveel vrouwen als mannen.

Dit is volgens mij zonder meer het meest onderschatte feit over de seksen. Om aan zo’n verschil te komen moet in heel de geschiedenis van het mensenras zoiets als 80 procent van de vrouwen en maar 40 procent van de mannen zich hebben voortgeplant.

Op dit moment woedt een pittig debat over de vraag hoeveel gedrag kan worden verklaard uit de evolutietheorie. Maar als de evolutie ook maar iets kan verklaren, dan moet er verband zijn met de voortplanting, want de voortplanting ligt aan de basis van de natuurlijke selectie. Feitelijk draait in de evolutiepsychologie alles om de eigenschappen die het meest effect hebben op de voortplanting. Het zou verbluffend zijn als dit reusachtige percentuele verschil tussen mannen en vrouwen in de bijdrage aan de voortplanting niet zou hebben geresulteerd in verschillen in aard.

Vrouwen hebben in de loop van de geschiedenis – en de prehistorie – altijd een vrij grote kans gehad om zich voort te planten. Straks zal ik ingaan op vragen als waarom het maar zo zelden gebeurd is dat een honderdtal vrouwen samen een schip bouwden en op ontdekkingsreis gingen naar onbekende streken, terwijl mannen dat soort dingen geregeld hebben gedaan. Vanuit het standpunt van een biologisch organisme dat zich wil voortplanten zouden dat onaanvaardbare waagstukken zijn. Die mannen konden wel verdrinken of door wilden worden vermoord of ziektes oplopen. Voor vrouwen was het het beste om geen spectaculaire dingen te doen, inschikkelijk te zijn en geen risico’s te nemen. Er is een goede kans dat er een man langskomt die zin heeft in seks en dan kun je kinderen krijgen. Het is alleen maar zaak het beste aanbod te kiezen. Wij stammen af van vrouwen die geen risico’s namen.

Voor mannen lag de zaak heel anders. Als je geen spectaculaire dingen doet en geen risico’s neemt, zul je waarschijnlijk geen kinderen krijgen. De meeste mannen die ooit hebben geleefd hebben geen nakomelingen gehad die nu nog leven. Hun lijnen zijn doodgelopen. Je moest dus wel risico’s nemen, nieuwe dingen proberen, creatief zijn, andere mogelijkheden verkennen. Wegzeilen naar het onbekende mag dan riskant zijn, maar als je thuisblijft wordt het sowieso niks met de voortplanting. Wij stammen merendeels af van het slag mannen dat de riskante reis ondernam en als rijk man wist terug te keren. Zo iemand zou ten slotte een goede kans krijgen om zijn genen door te geven. Wij stammen af van mannen die risico’s namen, en die geluk hadden.

Wedijver

Het reusachtige verschil in bijdrage tot de voortplanting móét wel verschillen in aard in de hand hebben gewerkt, want voor de twee seksen leidden verschillende wegen naar het succes. Vrouwen behaalden het beste resultaat door de risico’s zo klein mogelijk te houden, en de succesvolle mannen waren juist degenen die risico’s namen. Ambitie en wedijver waren waarschijnlijk belangrijker voor het welslagen van mannen – gemeten aan hun nakomelingschap – dan voor dat van vrouwen. Waarschijnlijk had iedere man afzonderlijk creativiteit harder nodig om zich op een of andere manier te onderscheiden. Zelfs het verschil in seksuele aandrift was van betekenis: vele mannen zouden maar een paar kansen krijgen om zich voort te planten, en dus moesten ze iedere gelegenheid tot seks aangrijpen. Als een man zei ‘vandaag niet, ik heb hoofdpijn’, verspeelde hij misschien zijn enige kans.

Er is nog een zeer belangrijk punt. Het risico geen kinderen te zullen krijgen is voor de man maar één kant van de medaille. Ieder kind heeft een biologische moeder en vader, en als er onder onze voorouders maar half zoveel vaders waren als moeders, moeten sommige van die vaders dus een heleboel kinderen hebben gehad.

Bekijk het eens zo. De meeste vrouwen krijgen maar een paar kinderen, en maar zelden meer dan een dozijn. Maar vele vaders hebben meer dan een paar kinderen verwekt, en sommige mannen hebben er tientallen verwekt, of zelfs honderden.

In het licht van de biologische concurrentie om nageslacht voort te brengen overtroffen de mannen de vrouwen dus zowel onder de verliezers als onder de grootste winnaars.

Subjectiever geformuleerd: als ik probeer naar mannen en vrouwen te kijken alsof ik ze voor het eerst zie, valt moeilijk – het spijt me, jongens – aan de indruk te ontkomen dat vrouwen gewoonweg sympathieker en aantrekkelijker zijn dan mannen. (Dat verklaart denk ik het eerder genoemde waw-effect.) Mannen zouden misschien ook wel aantrekkelijk willen zijn, en mannen slagen er ook wel in vrouwen van hen te laten houden – dus ze kúnnen het wel –, maar mannen hebben andere prioriteiten, andere motieven.

Voor vrouwen was aantrekkelijkheid belangrijk om de beste partner aan te trekken. Voor mannen was het meer zaak zoveel mogelijk andere mannen te kloppen om zelfs maar een kans op een partner te hebben.

Weer kun je het een tegen het ander wegstrepen: misschien heeft de natuur de vrouw zo ontworpen dat ze probeert aantrekkelijk te zijn, terwijl mannen zijn ontworpen om – meestal zonder succes – te streven naar een eminente positie.

En dat loonde, zelfs ondanks dat ‘meestal zonder succes’. Deskundigen schatten dat Djengis Khan honderden kinderen heeft verwekt; misschien wel meer dan duizend. Hij nam grote risico’s en heeft ten slotte het grootste deel van de bekende wereld veroverd. In zijn geval hebben de grote risico’s een enorm pro?jt opgeleverd in de vorm van nakomelingschap. Waar het mij om gaat is dat een vrouw, al veroverde ze nog tweemaal zoveel gebied als Djengis Khan, nooit duizend kinderen zou kunnen krijgen. Streven naar een eminente positie kon vrouwen nooit zulk biologisch pro?jt opleveren. Voor een man bestond die mogelijkheid wel, daarom heeft een groot deel van de mensheid tegenwoordig bloed van Djengis Khan in de aderen. Een eminente positie is per de?nitie maar voor weinig mannen weggelegd, maar die weinigen hebben er reëel voordeel van gehad. En wij stammen veel vaker van die bijzondere mannen af dan van andere mannen. Bedenk wel dat de meeste middelmatige mannen helemaal geen nakomelingen hebben nagelaten.

Socialer

Nu wil ik het tweede grote verschil op het gebied van motivatie in het oog vatten. Dit gaat terug op een discussie die tien jaar geleden is gevoerd in het Psychological Bulletin, maar de kwestie is ook nu nog actueel en relevant. Het gaat erom of vrouwen socialer zijn dan mannen.

Het idee dat vrouwen socialer zijn werd door Cross en Madsen geopperd in een bij dat tijdschrift ingediend manuscript. Dat werd mij ter beoordeling voorgelegd, en hoewel ik het niet eens was met hun conclusie, vond ik hun betoog de moeite waard, en stelde daarom voor het stuk te publiceren. Zij voerden volop bewijsmateriaal aan. Ze wezen er bijvoorbeeld op dat mannen agressiever zijn dan vrouwen. Agressie kan een relatie verstoren, want als je iemand krenkt, wil die persoon misschien niets meer met je te maken hebben. Vrouwen doen niet agressief, want zij willen relaties, maar mannen geven niet om relaties en zijn dus wel bereid tot agressie. Uit het verschil in agressiviteit blijkt dus dat vrouwen socialer zijn dan mannen.

Maar ik had net mijn vroege werk over ‘de behoefte om erbij te horen’ gepubliceerd, met als conclusie dat zowel mannen als vrouwen die behoefte hebben, en het bevreemdde mij dus dat mannen niet om sociale banden zouden geven. In een reactie schreef ik dat er een andere kijk mogelijk was op het bewijsmateriaal dat Cross en Madsen hadden behandeld.

De kern van onze opvatting was dat er twee verschillende manieren zijn om sociaal te zijn. In de sociale psychologie valt doorgaans de nadruk op nauwe, intieme relaties – en ja, misschien leggen vrouwen zich daarop toe en zijn zij daar beter in dan mannen. Maar je kunt ‘sociaal’ ook opvatten in de zin van grotere netwerken van oppervlakkiger relaties, en in dat opzicht zijn mannen misschien socialer dan vrouwen.

Denk maar aan de bekende vraag wat belangrijker voor je is: een paar echt goede vriendschappen of dat je een heleboel mensen kent. Volgens de meeste mensen is het eerste belangrijk. Maar het grote netwerk van oppervlakkiger relaties zou ook belangrijk kunnen zijn. Enkel omdat mannen zich toeleggen op de minder zwaarwegende, minder bevredigende soort relatie, hoeven we hen nog niet te beschouwen als tweederangs mensen. Mannen zijn óók sociaal – alleen op een andere manier.

Daarom hebben we de door Cross en Madsen aangedragen gegevens opnieuw bekeken. Neem agressie. Het is waar dat vrouwen minder agressief zijn dan mannen, dat staat buiten kijf. Maar is dat echt omdat vrouwen een nauwe relatie niet in gevaar willen brengen? Het blijkt dat vrouwen in nauwe relaties volop agressief zijn. Het lijkt er sterk op dat vrouwen meer dan mannen huiselijk geweld plegen tegen partners met wie ze een relatie hebben – op alle mogelijke manieren, van een klap in het gezicht tot een aanval met een dodelijk wapen. Vrouwen maken zich ook vaker dan mannen schuldig aan kindermishandeling, al wordt de analyse daarvan bemoeilijkt doordat vrouwen meer tijd met kinderen doorbrengen. Maar je kunt in elk geval niet zeggen dat vrouwen geweld tegen intieme partners uit de weg gaan.

Nee, het verschil ligt in de bredere sociale sfeer. Vrouwen slaan geen vreemden. De kans dat een vrouw gaat winkelen en dat zij en een andere vrouw elkaar daar met getrokken messen te lijf gaan, is te verwaarlozen; bij mannen is die kans veel groter. De sekseverschillen in agressie zijn vooral daar te vinden, in het bredere relationele netwerk. Omdat dat netwerk voor mannen belangrijker is.

En hoe staat het met hulpvaardigheid? Vrouwen tonen zowel hun hulpvaardigheid als hun agressie in de intieme sfeer van nauwe relaties, omdat die voor hen belangrijk zijn. Mannen daarentegen vinden (ook) het bredere netwerk van oppervlakkiger relaties belangrijk, en zijn daarom in die sfeer volop hulpvaardig en agressief.

Dezelfde conclusie – dat er twee leefwerelden zijn – wordt op tal van andere plaatsen ondersteund. Uit waarnemingen op speelplaatsen blijkt dat meisjes paren vormen en de hele tijd met hetzelfde kameraadje spelen. Jongens spelen ofwel in paren met een reeks verschillende kameraadjes ofwel met een grotere groep. Meisjes hechten aan de relatie tussen twee personen, terwijl jongens zich aangetrokken voelen tot grotere groepen of netwerken.

Wanneer twee meisjes samen aan het spelen zijn, en de onderzoekers introduceren een derde meisje, verzetten de twee meisjes zich tegen haar komst. Maar twee jongens zullen een derde wel toelaten tot hun spel. Mijn conclusie is dat meisjes liefst met z’n tweeën zijn – dus een derde bederft het voor hen, maar niet voor de jongens.

De slotsom is dat mannen en vrouwen allebei sociaal zijn, maar op verschillende manieren. Vrouwen leggen zich toe op de begrensde sfeer van intieme relaties. Mannen leggen zich toe op de bredere groep. Wie een lijst opstelt van activiteiten die in grotere groepen plaatsvinden, krijgt naar alle waarschijnlijkheid een lijst van dingen waar mannen meer plezier aan beleven dan vrouwen: teamsporten, politiek, grote bedrijven, economische netwerken enzovoort.

Motivatie

Ik herhaal nog eens dat belangrijke verschillen in aard waarschijnlijk voortvloeien uit het fundamentele verschil inzake motivatie in de typen sociale relaties die mannen en vrouwen belangrijk vinden.

Neem het bekende feit dat vrouwen hun emoties sterker uiten dan mannen. In een intieme relatie is goede communicatie belangrijk. Ze stelt de twee mensen in staat elkaar te begrijpen, elkaars gevoelens juist te beoordelen enzovoort. Hoe meer twee intieme partners over elkaar weten, des te beter kunnen zij voor elkaar zorgen en elkaar bijstaan. Maar in een grote groep, waar je rivalen hebt, en misschien zelfs vijanden, is het riskant om al je gevoelens bloot te geven. Hetzelfde geldt voor economische transacties: bij het onderhandelen over een prijs kun je beter niet het achterste van je tong laten zien. En dus houden mannen meer achter.

Dan is er de kwestie dat mannen meer op concurrentie zijn ingesteld, en vrouwen meer op samenwerking. Maar ook hier geldt dat in nauwe relaties samenwerking veel pro?jtelijker is dan wedijver. Wat heb je eraan te concurreren met je eega? Maar in grote groepen kan het cruciaal zijn om de top te bereiken. Ook de voorkeur van mannen voor gezagshiërarchieën getuigt, evenals hun ambitieuze streven naar de top, van hun oriëntatie op grote groepen, niet van een afkeer van intimiteit. En bedenk wel dat de meeste mannen zich niet hebben voortgeplant en dat wij hoofdzakelijk afstammen van de mannen die zich een weg naar boven hebben geknokt. Voor vrouwen geldt dat niet.

In een relatie tussen twee mensen is het anders. De echtgenoot en de baby van moeder de vrouw houden toch wel van haar, ook al kan de vrouw geen schuiftrompet spelen. Voor haar is het dus niet nodig om zich toe te leggen op een of andere unieke vaardigheid. Schuiftrompet spelen is wél een manier om je toegang te verschaffen tot bepaalde groepen, speciaal brassbands. Dat is nóg een reden waarom mannen meer extremen opzoeken dan vrouwen. Grote groepen werken de noodzaak in de hand om jezelf te presenteren als anders en bijzonder.

Laten we nu eens kijken naar cultuur. Cultuur is in de evolutie een relatief jong verschijnsel. Cultuur trekt de evolutionaire lijn door die dieren sociaal heeft gemaakt. Voor mij is cultuur een type stelsel dat een groep mensen in staat stelt om met behulp van informatie doeltreffend samen te werken. Cultuur is een nieuwe, verbeterde wijze van sociaal gedrag.

Het feminisme heeft ons geleerd cultuur te zien als de mannen tegen de vrouwen. Volgens mij wijzen de beschikbare gegevens er echter op dat cultuur hoofdzakelijk is ontstaan in samenwerking tussen mannen en vrouwen, maar tégen andere groepen mannen en vrouwen. Vaak werd de intensiefste en productiefste strijd gevoerd tussen verschillende groepen mannen, die beide wel waren aangewezen op de steun van vrouwen.

Dankzij cultuur kan een groep meer zijn dan de som der delen. Je kunt cultuur opvatten als een biologische strategie. Twintig mensen die in een cultureel stelsel samenwerken, die informatie uitwisselen en taken verdelen en dergelijke, zullen allemaal een beter leven hebben – zullen beter overleven en zich voortplanten – dan wanneer diezelfde twintig mensen in hetzelfde woud leefden en alles op eigen houtje deden.

Cultuur levert dus enig pro?jt op als gevolg van een stelsel, een systeem. Laten we dat de ‘systeemwinst’ noemen – dat is hoeveel beter de groep ?oreert dankzij zijn systeem.

En heel belangrijk is dat de schaal van de systeemwinst toeneemt met de omvang van het stelsel. Dat is in feite wat er op dit moment in de wereld gaande is met de globalisering van de wereldeconomie. Grotere systemen leveren grotere baten op, en naarmate wij groeien en steeds meer eenheden in grotere gehelen doen opgaan, neemt over het geheel genomen de opbrengst toe.

Dit alles heeft een uiterst belangrijke implicatie. Cultuur hangt af van systeemwinst, die groter is in grotere gehelen. Je zult in grotere groepen dus meer pro?jt van cultuur hebben dan in kleinere. In een nauwe relatie tussen twee personen is niet veel mogelijk op het gebied van arbeidsverdeling en uitwisseling van informatie, maar een groep van twintig personen kan al veel meer.

Het gevolg is dat cultuur hoofdzakelijk is ontstaan in de vormen van sociale relaties waarnaar de voorkeur van mannen uitgaat. Vrouwen geven de voorkeur aan nauwe, intieme relaties. Die zijn uiterst belangrijk voor het overleven van de soort. Daarom hebben de vrouwen van de menselijke soort zich het eerst ontplooid. Wij hebben nauwe relaties nodig om te kunnen overleven. De grote netwerken van oppervlakkiger relaties zijn minder essentieel om te overleven – maar ze zijn wel ergens anders goed voor, namelijk voor de ontwikkeling van grotere sociale stelsels, en uiteindelijk voor de cultuur.

Seksenbeleid

Dit verschaft een nieuw uitgangspunt voor inzicht in seksenbeleid en de ongelijkheid van de seksen.

De gangbare opvatting is dat in de vroegste periode van de menselijke samenleving mannen en vrouwen vrijwel gelijkwaardig waren. Mannen en vrouwen hadden verschillende leefwerelden en verschillende activiteiten, maar beiden genoten respect. Vaak deden de vrouwen het verzamelen en gingen de mannen op jacht. Ieders totale bijdrage aan de voedselvoorziening van de groep was ongeveer gelijk, al hadden die bijdragen wel een verschillend, elkaar aanvullend karakter. Zo kon er meestal gerekend worden op een bijdrage van de verzamelaars, terwijl de jagers nu eens met een geweldige buit kwamen aanzetten, maar dan weer dagenlang met lege handen.

De ongelijkheid tussen de seksen lijkt te zijn toegenomen met de opkomst van de beschaving, inclusief de landbouw. Waarom? De feministische verklaring is dat de mannen zijn gaan samenspannen en een patriarchaat hebben gecreëerd. Dit is feitelijk een samenzweringstheorie, waarvoor nauwelijks aanwijzingen bestaan. Volgens sommigen hebben de mannen dit uit de geschiedenisboeken geschrapt om hun nieuwverworven macht veilig te stellen. Toch is het gebrek aan bewijsmateriaal een belangrijk punt, vooral omdat vergelijkbare samenzweringen zich in de ene groep na de andere, over heel de wereld, telkens weer hadden moeten voordoen.

Ik wil een andere verklaring voorstellen. Het is niet zo gegaan dat de mannen de vrouwen opzij hebben geschoven. Nee: de wereld van de vrouwen is ongeveer gelijk gebleven, terwijl die van de mannen, met zijn grote, oppervlakkige sociale netwerken, allengs pro?jt trok van de vooruitgang van de cultuur.

Vandaar religie, literatuur, beeldende kunst, wetenschap, technologie, militair optreden, handel en economische markten, politieke organisatie, geneeskunde – die zijn allemaal voortgekomen uit de mannenwereld. De vrouwenwereld heeft zulke dingen niet voortgebracht, maar zij heeft wel andere waardevolle bijdragen geleverd, zoals zorg voor de volgende generatie, opdat de soort niet uitstierf.

Waarom? Het gaat er volstrekt niet om dat mannen bekwamer zouden zijn of meer talent zouden hebben of zo.

Het is vooral een kwestie van de verschillende soorten sociale relaties. De vrouwenwereld bestond uit vrouwen, en was daarom georganiseerd op basis van het slag nauwe, intieme, ondersteunende relaties tussen telkens twee personen waaraan vrouwen de voorkeur geven. Dat zijn essentiële, bevredigende relaties, die een wezenlijke bijdrage leveren aan gezondheid en overleving. Intussen gaven de mannen de voorkeur aan de grotere netwerken van oppervlakkiger relaties. Die zijn minder bevredigend en minder koesterend en zo, maar ze vormen wel een vruchtbaarder grondslag voor de opkomst van cultuur.

Let wel: al de genoemde dingen – literatuur, beeldende kunst, wetenschap enzovoort – zijn extra. Wat de vrouwen deden was noodzakelijk voor het voortbestaan van de soort. Zonder intieme, koesterende zorg kunnen kinderen niet overleven en zal de groep uitsterven. De vrouwen leverden de noodzakelijke voorwaarden voor het bestaan. De bijdragen van de mannen waren vrijblijvender, misschien meer een luxe. Maar cultuur is een bijzonder krachtige machine om de levensstandaard te verhogen. In de loop van vele generaties kan cultuur grote hoeveelheden bezittingen, kennis en macht creëren. En dat is ook gebeurd – maar vooral in de mannenwereld.

Het ontstaan van de ongelijkheid der seksen zou dus weleens niet zozeer kunnen zijn veroorzaakt doordat de mannen in een soort dubieuze patriarchale samenzwering de vrouwen aan de kant hebben geschoven. Nee, het ligt eraan dat weelde, kennis en macht zijn gecreëerd in de mannenwereld. Dát – en niet onderdrukking – heeft de mannenwereld een duwtje in de rug gegeven.

Vijanden

En dan kunnen wij nu terugkeren naar de vraag waar mannen voor deugen, vanuit het perspectief van een cultureel stelsel of systeem. De context is dat die stelsels wedijveren met andere stelsels – groep tegen groep. De groepsstelsels die hun mannen en vrouwen het effectiefst gebruikten, zouden hun groepen in staat stellen beter te presteren dan hun rivalen en hun vijanden.

Ik wil de nadruk leggen op drie antwoorden op de vraag hoe cultuur mannen gebruikt.

Ten eerste maakt cultuur gebruik van mannen om de grote sociale structuren te creëren waaruit die cultuur bestaat. Onze samenleving wordt gevormd door instellingen als universiteiten, regeringen en ondernemingen. De meeste daarvan zijn door mannen gesticht en opgebouwd. Dat kwam waarschijnlijk niet doordat de vrouwen onderdrukt werden of zo, maar meer doordat mannen zich geroepen voelen om grote netwerken van oppervlakkige relaties te vormen. Mannen voelen veel meer dan vrouwen een aandrang om grote groepen te vormen en daarbinnen te functioneren en naar de top te klimmen.

Een tweede ding dat mannen nuttig maakt voor de cultuur is hun ‘misbaarheid’. Dit hangt samen met wat ik in het begin heb gezegd, dat culturen mannen doorgaans gebruiken voor riskante ondernemingen met een hoge opbrengst, waarbij een aanzienlijk deel van de betrokkenen er slecht afkomt: zij verspillen alleen maar hun tijd of schieten zelfs hun leven erbij in.

Iedere man die de krant leest komt een paar maal per maand de formule ‘zelfs vrouwen en kinderen’ tegen – meestal zijn er dan doden gevallen. Letterlijk genomen wil dit zeggen dat de levens van mannen minder waard zijn dan de levens van andere mensen. Het idee is doorgaans: ‘Het is erg als er mensen sneuvelen, maar het is heel erg als er vrouwen en kinderen sneuvelen.’ En ik denk dat de meeste mannen weten dat als er in een noodsituatie vrouwen en kinderen aanwezig zijn, zij worden geacht zonder tegensputteren of morren hun leven op te offeren opdat de anderen het er levend afbrengen.

Op de Titanic was het percentage overlevenden onder de rijkste mannen (34 procent) lager dan dat onder de armste vrouwen (46 procent), ook al wekte de ?lm een andere indruk. Dat is op zich al opmerkelijk. De rijke, machtige, succesvolle mannen, de mannen die alles kunnen maken of breken, de mannen, zou je denken, die in de cultuur altijd aan het langste eind trekken – toen het erop aankwam waren hun levens minder waard dan die van vrouwen met amper geld, macht of status. De maar al te schaarse plaatsen in de reddingboten gingen naar vrouwen die niet eens dames waren, in plaats van naar die patriarchen.

In de meeste culturen wordt er net zo over gedacht. Waarom? Er zijn pragmatische motieven. Wanneer een cultuurgroep wedijvert met andere groepen wint op den duur meestal de grootste groep. Daarom hebben de meeste culturen altijd de bevolkingsgroei gestimuleerd. En daarvoor is men aangewezen op de vrouwen. Om tot een maximale voortplanting te komen heeft een cultuur alle baarmoeders nodig die ze kan krijgen, terwijl er maar een paar penissen nodig zijn. Doorgaans is er een penisoverschot. Als een groep de helft van zijn mannen verliest, hoeft daarom de volgende generatie nog niet kleiner te worden. Maar als hij de helft van zijn vrouwen verliest, zal de volgende generatie drastisch slinken. Daarom houden de meeste culturen hun vrouwen buiten schot, terwijl de mannen worden ingezet voor de gevaarlijke klussen.

Knapen

‘Wees een vent’ – dat hoor je niet zo vaak meer als vroeger, maar toch heerst er nog een zeker gevoel dat je je man-zijn moet verdienen. Iedere volwassen vrouwelijke persoon is een vrouw en kan als zodanig aanspraak maken op respect, maar in vele culturen valt mannelijke personen geen respect ten deel zolang die knapen zich niet hebben bewezen. Dat is voor de cultuur uiteraard buitengewoon nuttig, want zij kan bepalen op welke voorwaarden jongens als man gerespecteerd kunnen worden, en zij kan dus op die manier mannen motiveren om dingen te doen die de cultuur als productief beschouwt.

In sommige sociologische publicaties over de mannenrol wordt benadrukt dat je, om een man te kunnen zijn, meer moet produceren dan je verbruikt. Dat wil zeggen dat mannen in de eerste plaats worden geacht in hun eigen behoeften te voorzien. Zorgt iemand anders voor jouw behoeften, dan ben je niet helemaal man. In de tweede plaats moet de man bijkomend pro?jt of meerwaarde creëren, waarmee naast zijn eigen behoeften ook die van anderen kunnen worden gedekt. Die anderen kunnen zijn vrouw en kinderen zijn, of anderen die op hem aangewezen zijn, of zijn ondergeschikten, of misschien gaat het alleen maar om belasting, waar de regering iets mee kan doen. Hoe dan ook: je bent pas een man als je in die mate productief bent.

Nogmaals, mannen zijn slechter af dan vrouwen. Vrouwen worden door culturen volop met problemen en nadelen opgezadeld. Waar het om gaat is alleen dat culturen mannen op die heel bepaalde manieren nuttig vinden.

Eén daarvan is dat van een man geëist wordt dat hij respect verdient door pro?jt en waarde te produceren die voldoende zijn om hemzelf en anderen in leven te houden. Aan die bepaalde eis of opgave hoeven vrouwen niet te voldoen.

Een van de fundamentele, in brede kring aanvaarde verschillen tussen de seksen is dat tussen agency (nadruk op status, macht, overheersing, red.) en communion (nadruk op intimiteit, warmte, solidariteit, red.). De mannelijke agency is misschien deels een aanpassing aan dit soort sociaal leven op basis van grotere groepen, waar mensen niet a priori worden gewaardeerd en waar je moet werken voor respect. Om in de mannelijke sociale wereld van grote groepen te slagen, heb je een actieve, doortastende persoonlijkheid nodig, die knokt voor jouw plaats, want die krijg je niet cadeau, en succes is maar voor weinigen weggelegd. Zelfs het mannelijk ego, dat er zo op gebrand is zich te bewijzen en met anderen te wedijveren, lijkt ontworpen met het oog op stelsels waar gebrek is aan respect en waar je hard moet werken om er iets van te bemachtigen – anders wacht je vernedering.

Het gebruik dat cultuur van mannen maakt berust in wezen op een fundamentele sociale onzekerheid. Die onzekerheid is in feite sociaal, existentieel en biologisch. Inherent aan de mannenrol is het risico dat je niet goed genoeg ben om te worden aanvaard en gerespecteerd, en zelfs het risico dat je niet goed genoeg presteert om nakomelingen te verwekken.

Die fundamentele sociale onzekerheid van de mannen is een last voor hen, en het is niet verwonderlijk dat zoveel mannen instorten, of boosaardige of heldhaftige dingen doen, of veel jonger sterven dan vrouwen. Wel is die onzekerheid nuttig en productief voor de cultuur, voor het systeem.

Nogmaals: ik zeg niet dat dit goed is of rechtvaardig, of zoals het hoort. Maar het heeft gewerkt. De succesvolle culturen hebben deze formule gebruikt, en dat is een van de oorzaken waardoor zij hebben getriomfeerd over hun rivalen. M

Vertaling Jaap Engelsman

Dit is een enigszins bekorte versie van de lezing die Roy F. Baumeister op uitnodiging hield op 24 augustus dit jaar voor de American Psychological Association in Los Angeles.

Zie voor de volledige Nederlandse vertaling www.nrc.nl/discussie, waar u ook mee kunt discussiëren over de stellingen van Baumeister. De Engelstalige tekst is onder meer te vinden op:

http://denisdutton.com/baumeister.htm

Roy F. Baumeister is hoogleraar psychologie aan de Florida State University.

LEZERSAANBIEDING: BESCHILDERDE ZEEFDRUK VAN KAMAGURKA

Op verzoek van M maakte de Belgische striptekenaar en kunstenaar Kamagurka (pseudoniem van Luc Zeebroek) een schilderij bij Roy F. Baumeisters lezing Waar deugen mannen eigenlijk voor? Van dit doek, getiteld Kuttekop, heeft de Amsterdamse drukker Zeger Reijers een zeefdruk gemaakt in een oplaag van 100 genummerde en gesigneerde exemplaren. Elke zeefdruk wordt uniek, doordat Kamagurka elk blad zal beschilderen.

Het papierformaat van de zeefdruk is 40x60 centimeter, het beeldformaat 38x58 centimeter. De zeefdrukken zijn te koop voor 395 euro. Bestellen kan via de webshop van de krant: www.nrc.nl/extra. De zeefdruk wordt eind januari bezorgd. Bestellingen zullen op volgorde van binnenkomst worden behandeld.

[streamers]

De bevolking van de Amerikaanse dodencellen is nooit in de buurt gekomen van 51 procent vrouwen.

Mannen zouden ook best kunnen leren luiers te verschonen en onder de bank te stofzuigen.

Vrouwen zijn gewoonweg sympathieker en aantrekkelijker dan mannen.

Mannen en vrouwen zijn allebei sociaal, maar op verschillende manieren.

Vrouwen leveren de noodzakelijke voorwaarden voor het bestaan. Mannen zijn er voor de luxe.

Om tot een maximale voortplanting te komen heeft een cultuur maar een paar penissen nodig.