Vluchtige vervoering

Religie in Nederland verdwijnt niet, maar verwildert. Plichten maken plaats voor vrije – en vrijblijvende – keuzen. Het ritueel kent niet langer een vaste plaats en tijd. Meerten Ter Borg, godsdienstsocioloog, volgt de verandering op de voet. Dirk Vlasblom

NEDERLANDERS raken los van de kerken, maar ze worden niet minder religieus. “Religie verdwijnt niet”, zegt godsdienstsocioloog Meerten ter Borg, “maar verlaat de traditionele beddingen”. Hij spreekt van ‘niet-geïnstitutionaliseerde religie’ en zo luidt ook de leeropdracht die hij vorige maand, op 63-jarige leeftijd, aanvaardde aan de Universiteit Leiden.

“Religie mag weer”, constateerde professor Ter Borg in zijn oratie. “De herinnering aan de soms dwingende religieuze gezagsstructuren is verwaaid. Tegelijkertijd is de behoefte aan religie gegroeid door de schaal en het tempo van de veranderingen in de wereld.”

De nieuwe religiositeit kent volgens de hoogleraar vele varianten: van extreem individualisme (meditatie, managementstijlen, diëten) tot massareligiositeit die zich openbaart bij herdenkingen en voetbalwedstrijden. Niet-institutionele religies, zegt Ter Borg, verschillen onderling enorm, maar ze hebben een paar kenmerken gemeen: commercialisering, vluchtigheid en vrijblijvendheid.

Ter Borg groeide zelf niet op binnen een kerkgenootschap en was voor zingeving op zichzelf aangewezen. “Ik merkte op den duur dat de zin van het leven niet bestaat, dat je die zelf moet maken. Ik ben al mijn hele leven gefascineerd door de vraag hoe mensen dat doen, wat hen op de been houdt.” In de serre van zijn huis in Aerdenhout geeft hij zijn visie op het verschijnsel religie en schetst hij de metamorfose van religieus Nederland.

Wanneer stopte de achteruitgang en begint de wederopleving van religie in Nederland?

“Mijn generatie, die van de naoorlogse geboortegolf, herinnert zich nog de onderdrukkende kerk uit de tijd van de verzuiling. De meest gangbare verklaring waarom de babyboomers in de jaren zestig afscheid namen van de kerk is de oude secularisatiethese: moderniteit verdraagt zich niet met institutionele religie. Daar zit wat in. De kerk is een middeleeuws instituut. Een kleinschalige gemeenschap met een sterke sociale controle; armoede die maakt dat men elkaar nodig heeft; een overkoepelend wereldbeeld dat niet snel verandert – het bestaat allemaal niet meer.

“Het vaarwel aan de verzuiling is te traceren. Dat was in 1967, toen D66 na een politieke aardverschuiving in de Tweede Kamer kwam. Mijn generatie was puber af en de wederopbouw was voltooid. In 1965 was Ondergang verschenen, het boek van Jacques Presser over de jodenvervolging in Nederland. Toen pas ontstond belangstelling voor de Holocaust. De Tweede Wereldoorlog werd een negatief ijkpunt – ‘dat nooit weer’ – en de dodenherdenking op 4 mei werd een civil religion.

“Bij de generatie die na 1960 is geboren schiet de belangstelling voor religiositeit weer omhoog. De macht van de kerk is afgenomen, het verzet ertegen is verstomd. Juist omdat religie tandeloos lijkt, kunnen we haar weer omhelzen. Religie mag weer. Het wetenschappelijke wereldbeeld is in het ongerede geraakt. Wetenschap en techniek brengen ons steeds minder nieuwe zin, ze brengen ons zelfs in gevaar. Door de val van de Muur is de wereld niet langer verdeeld in twee duidelijke kampen, er zijn ineens veel meer partijen in het spel. En door de globalisering is alles nóg onoverzichtelijker geworden. Daarmee wordt de behoefte aan religie groter.”

U zegt ‘religie is hot’. Hoe weet u dat?

“Het is een telkens terugkerend thema in de media. En uit de enquêtes van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt een toenemende belangstelling voor religie, zonder dat dit een halt toeroept aan de ontkerkelijking. In peilingen dient geloof in een hogere macht als een maat voor religiositeit. Dat levert stabiele scores op van zo’n 70 procent. Maar daar is niet alles mee gezegd. Zo’n 15 tot 20 procent is atheïst, 10 tot 15 procent agnost en de rest – die 70 procent – gelooft. Van hen is 25 procent lid van traditionele religieuze instellingen. Die leven voor het grootste deel, maar niet uitsluitend, op het platteland. De rest zijn zwevers en ‘ietsisten’, mensen die geloven dat ‘er iets is’.”

Wat is religie?

“Ik definieer religie als al datgene wat de mens helpt zich te verzoenen met zijn eindigheid door middel van iets dat boven de menselijke eindigheid lijkt uit te gaan. Die definitie is wat breder dan geloof in een god of een hogere macht. Religie is niet alles of niets. Mensen zijn niet voortdurend religieus, de meesten zijn het soms een beetje. Dan laten ze zich even meeslepen door iets waarvan ze geloven dat het een hogere werkelijkheid is.”

Kunt u voorbeelden noemen van iets bovenmenselijks dat geen god of hogere macht is?

“Een geadoreerde popster. Die is voor ons niet bovenmenselijk, maar voor gelovigen is hij dat wel, tijdelijk, en daar gaat het om. Het geldt ook voor het gevoel dat wordt opgewekt tijdens een houseparty. Ook dat gaat de deelnemende individuen te boven, maar het is een tijdelijke kick.”

Met uw religiebegrip kun je dus alle sensaties die ons even onszelf doen vergeten religieus noemen.

“Laat ik daar maar ‘ja’ op zeggen. Ja, het zijn varianten van hetzelfde: vijf keer per dag bidden en de ervaring die je kunt hebben bij het luisteren naar een symfonie. In het alledaagse taalgebruik noem je dat laatste geen religie, maar het is heel interessant om het als religie te bestuderen.”

Religie is dus de religieuze ervaring, een psychologisch verschijnsel?

(Zwijgt een tijdje) “Ja, dat is religie in zijn meest fundamentele vorm. Zulke ervaringen kunnen mensen ook samen hebben. Dan kristalliseren die belevingen geleidelijk uit in riten, ambten, organisaties. En dat kan een wereldkerk worden.”

Volgens u heeft de mens religie óók nodig om in het reine te komen met zijn eindigheid.

“Ja, maar de ondervinding leert dat er mensen zijn die geen religie, geen religieuze ervaringen hebben. Alle mensen hebben behoefte aan religie, maar je hoeft niet elke behoefte te bevredigen. Iedereen heeft in uiteenlopende mate behoefte aan seks, en toch er zijn mensen die zich ervan onthouden. De behoefte aan religie verschilt per mens, tijdstip en cultuur. Maar die behoefte is wel zo sterk dat een wereld zonder religie een utopie is. De mens is een religieus dier, een animal religiosum, maar niet alle mensen hebben ervaring met het bovenmenselijke.”

Heeft religie dan niet de functie een morele orde te scheppen, vorm te geven aan gedeelde opvattingen over goed en kwaad?

“Dat gebeurt inderdaad vaak; ik zie dat als een functie van elk zingevingsysteem. De band tussen moraal en religie is kenmerkend voor het jodendom, het christendom, de islam, het hindoeïsme en het zoroastrisme. Maar niet voor de religie van het oude Griekenland, want die is volstrekt amoreel. In veel godsdiensten is wat na de dood met je gebeurt afhankelijk van je gedrag. Er zijn ook niet-religieuze zingevingsystemen – socialisme, humanisme, existentialisme – die sterk ethisch bevlogen zijn.”

Ondersteunen die nieuwe, meer vrijblijvende vormen van religie ook de moraal?

“Sommige wel, ja. Neem een stille tocht na zinloos geweld. Die heeft religieuze ondertonen, maar is niet institutioneel. Er wordt bij zo’n gelegenheid gezegd: ‘dit nooit meer’; ‘zo gaan we niet met elkaar om’. Zeer moraliserend. Maar niet alle niet-institutionele religie moraliseert.”

U rangschikt voetbalgekte onder nieuwe religiositeit. Voor mijn gevoel komt die gekte neer op een overwinningsroes of op boosheid om verlies van de eigen club. Ik zie het religieuze niet.

“Voor een kleine groep mensen is voetbal álles. In de roes van de wedstrijd worden ze boven zichzelf uitgetild en dat is een religieus moment. En voetbal verbroedert. Net als het ritueel op de Dam op 4 mei geeft het een gevoel van eenheid. Het brengt de werkelijkheid terug tot een religieuze kern. Cruijff wordt El Salvador, in Brazilië ‘is God rond’.

“Het is typerend voor mijn religiebegrip dat alles een religieuze ondertoon kan hebben, voor een deel religie kan zijn. Adoratie kan je wereldbeeld verankeren, het zijn betrekkelijkheid ontnemen en er iets absoluuts aan geven.”

Die niet-institutionele religie geeft iets absoluuts, en toch noemt u ze vrijblijvend. Hoe kan dat?

“Veel nieuwe religiositeit heeft alle kenmerken van de consumptiemaatschappij, waarin men van de ene sensatie in de andere rolt, de ene leider na de andere achterna loopt. Het is heel vluchtig allemaal. Geïnstitutionaliseerde religie is constant; er zijn ruimten en tijdstippen die heilig zijn, er is kerkbezoek, zondagsviering. Dat is er allemaal niet meer. Wie vergoddelijkt en wie gedemoniseerd wordt, wat hoort en niet hoort, dat kantelt voortdurend. Het is een vrije, maar ook een vrijblijvende keuze. Je laat het zo weer los.

“Religie als keuze is iets heel nieuws. Vroeger werd je in een religieus milieu geboren en viel er niks te kiezen.”

Hoe plaats- en cultuurgebonden is die niet-institutionele religie? Buiten West-Europa zie je juist golven van evangelisch christendom en een orthodoxe islam.

“Die niet-institutionele religie is West-Europees. Toen u vroeg of religie vooral een ervaring is, aarzelde ik. Het is namelijk een ervaring die sterk is bemiddeld door cultuur. Psychologen hebben experimenteel vastgesteld dat een tik op een bepaalde plek op je hoofd een religieuze ervaring oproept. Maar als je katholiek bent verschijnt wél de maagd Maria voor je. En dat is cultuur. Mijn leeropdracht luidt: ‘niet-institutionele religie in de hedendaagse samenleving’. En die is westers.

“Iedere religie is omgeven door een wolk van niet-geïnstitutionaliseerde verschijnselen: nieuwe denkbeelden en handelingen, plaatselijke varianten, volksgeloof. Maar in Europa hadden wij eeuwenlang een kerk die duidelijk zei wat canoniek was en wat ketters. Ketterijen kun je uitbannen of opnemen. Dat hangt af van de machtsverhoudingen. Nu de kerk geen machtsfactor meer is, krijgt niet-institutionele religiositeit langzamerhand een prominente plaats in onze samenleving.”

Ziet u in de toekomst alleen nog hyperindividuele belevingen en vluchtige, vrijblijvende vieringen?

“Wij, godsdienstsociologen, hebben de plank flink misgeslagen. Tien jaar geleden zagen we religie verdwijnen, behalve bij wat hobbyisten. In de toekomst is op het gebied van religie alles mogelijk. Er is plaats voor strenge vormen van religie, voor zeer gestileerde vieringen, volgens oude recepten. Kijk maar, mensen gaan weer gregoriaans zingen; cantorijen schieten als paddenstoelen uit de grond. Nu religie weer mag, wordt het palet rijker.

“Bestaande religieuze tradities krijgen kansen; het is de vraag of die worden benut. Ook daar bestaat nu van alles: van orthodoxe vormen tot denkfabrieken als de Rode Hoed in Amsterdam en het Rotterdamse Arminius, waar gediscussieerd wordt over levensbeschouwelijke vraagstukken.

“Ik heb zo’n kerk wel eens vergeleken met een tankstation. Daar koop je benzine, maar ze slijten er ook broodjes, pornografie, kranten, cd’s en bloemen. Kerken bieden naast de verkondiging van het evangelie ook service op andere terreinen: yogacursussen en dergelijke. Dat veronderstelt wel dat ze commercieel gaan denken. Veel mensen doen de kerk alleen aan voor een mooi gestileerd huwelijk, waarbij de man die de video maakt het drievoudige verdient van de man die het huwelijk inzegent. Dat kan natuurlijk niet meer.”

Is de Nederlandse samenleving even religieus gebleven en is alleen de beleving veranderd?

“Moeilijke vraag. Onze religie is totaal veranderd. Van een traditionele, verplichtende, georganiseerde religie naar een door de markt bemiddelde, vrijblijvende, ‘wilde’ religie. En wat er over is van de traditionele religie – een kwart van de Nederlanders hangt die nog aan – is ook niet meer wat ze is geweest. Mijn schoonzoon komt uit een gereformeerd nest; het strengste van het strengste. Intussen gelooft hij nergens meer in. Zijn familie betreurt dat, maar wijst hem daarom niet af. Dat ging vroeger wel anders. Dat het ook daar verwatert, is tekenend voor de vrijblijvendheid van religie. Een andere aanwijzing is dominee Klaas Hendrikse uit Middelburg, die zegt: ‘God bestaat niet, God gebeurt’. Je gelooft je ogen niet, maar dat boek is in november uitgekomen en heeft al vijf drukken beleefd. Een dominee die atheïst is voorziet ook in een behoefte. Veel mensen willen geen afscheid nemen van het geloof, ze willen nog wel bij de kerk horen, maar geloven eigenlijk niet meer.”