Van de Quote-500 naar achter de tralies

Het kan raar lopen. Het ene moment sta je met een vermogen van een paar honderd miljoen te prijken op de Quote-lijst van rijkste Nederlanders, en een dag later zit je achter de tralies op verdenking van vastgoedfraude. Je bent slim, je hebt het juiste netwerk van vriendjes die jij wel eens aan een aardige winst hebt geholpen en die dus ook aan jou denken als er een mooi project valt door te schuiven. Aan het klootjesvolk met zijn lease-auto’s en zijn afgunst heb je je godzijdank al jaren geleden ontworsteld. Jouw wereld is anders. Geld speelt geen rol, de prijs van een Château Pétrus schrikt je niet af, en als je naar Cannes moet dan doe je dat met je eigen toestel. Commercieel vliegen is zo’n ergernis.

Of hoe zou het zijn om een gevierde bedrijvendokter te zijn geweest, ooit de lieveling van vakbonden en banken, die met flair het ene bedrijf aan het andere kon rijgen en vervolgens van machinefabrieken via scheepswerven naar de internationale markt van defensiecontracten kon schotsenspringen? Eén of twee transacties die iets te gewaagd waren, en vijanden gemaakt bij ambtenaren die reizen met een NS-trajectabonnement maar wel macht hebben. De rondedans van creatieve financieringen kreeg je steeds moeilijker dichtgebreid, en ineens word je op een Zwitsers vliegveld gearresteerd omdat de Nederlandse justitie je van faillissementsfraude beschuldigt. Daar zit je dan bij onguur volk in een buitenlandse gevangenis, wachtend op uitlevering.

Of hoe is het om werkloos te zijn als voormalig bestuursvoorzitter van Nederlands grootste bank? Je hebt miljoenen op je rekening bijgeschreven gekregen, maar heel de publieke opinie geeft op je af als de oorzaak van een nationale blamage. Toekomstige commissariaten van enig belang kun je vergeten want invloed heb je niet meer, en zakelijke vrienden heb je nooit gehad. Was dit het afscheid waar je van droomde, de bekroning van een glansrijke carrière?

Tom Wolfe is een scherpzinnige waarnemer en chroniqueur van het flitsende leven aan de top. Na zijn boek The Bonfire of the Vanities, over het steenrijke maar holle leven van een obligatiehandelaar op Wall Street die zichzelf Master of the Universe noemt, schreef hij A Man in Full – een vent uit één stuk. Het gaat over Charlie Croker, een vastgoedmagnaat in Atlanta, die in de problemen is geraakt. Hij komt in handen van de afdeling bijzondere kredieten van zijn bank, probeert zich tevergeefs door de problemen heen te bluffen, geeft de schuld aan zijn muizige eerste vrouw en zoekt troost bij een nieuwe, die behendig zijn laatste veren weet te plukken. Het gaat ook over Conrad Hensley, een eenvoudige jongen uit een arm milieu die in een van Crokers vrieshuizen werkt als vorktruckchauffeur. Door een hele serie ongelukken en stommiteiten komt hij in de gevangenis terecht. Daar vraagt hij een flutroman uit de bibliotheek aan, maar door een vergissing over de titel krijgt hij een filosofieboek over de stoïcijn Epictetus. Dat levert hem inzichten op als „het zijn niet de dingen die ons dwarszitten, maar onze mening over de dingen”. En „wens niet dat er gebeurt wat jij zou willen, maar leer te willen dat er gebeurt wat er gebeurt”. Het verandert zijn leven – niet de feiten maar zijn mening erover. Als door een wonder komt hij vrij, en ontmoet zijn vroegere bovenbaas Croker op het moment dat die met zijn laatste meubeltjes op straat gezet wordt. Er ontwikkelt zich een vriendschap. Op het laatst kijkt Croker bevrijd om zich heen en constateert dat hij „al de groezelige bagage van zijn leven van zich afgezet heeft”. Je krijgt de indruk dat hij pas op dat moment de titel van het boek waarmaakt. Hij is een vent uit één stuk geworden. Conrad was het al.

De waardevolste schat blijkt soms te vinden op de plek waar je absoluut niet wilde zijn en waar je met al je energie probeerde vandaan te blijven. Wie kent het niet, of laat ik voor mezelf spreken: de angst voor de financiële afgrond die jarenlang je handelen bepaalt, of de angst onbeduidend te zijn en die je doet grijpen naar allerlei spullen die zeggen „kijk eens, ik ben anders”. De omkering van het lot is een eeuwenoud thema dat in talloze verhalen verteld wordt. Het lastige van onze tijd is dat wij geen verhalen meer kennen. We krijgen ze niet te horen en we vertellen ze niet, anders dan de vluchtige headline stories van het nieuws. Bijgevolg denken we vaak dat we de eersten en enigen zijn die door tegenslag op de proef gesteld worden, en kan ook niet het vermoeden rijzen dat het misschien ergens goed voor is wat we meemaken. Zoals Charlie Croker opgelucht kon zijn dat hij zijn bagage kwijt was. Het wordt natuurlijk ook verteld in onze bijna vergeten christelijke traditie, zoals in het verhaal dat wij aanduiden als de Verloren Zoon. Hij vergokte en verkwanselde al zijn bezit en eindigde in de goot. Pas daar, staat er, „kwam hij tot zichzelf”, maar dat is meer dan dat hij bij zijn positieven kwam. Hij kwam tot zijn Zelf, hij besefte wat hij in wezen was, een zoon van zijn vader. Dat besef kon hij alleen maar bereiken door de weg van Charlie Croker te gaan. Want je Zelf is wat je bent zonder je attributen.

Het is 22 december, de zon weet niet of hij nog zwakker moet worden of dat hij het hierbij laat. De kantoren gaan dicht, en wij trekken ons terug in cocons van gezelligheid of alleen-zijn, bij kerstbomen en Stille Nacht of in de gevangenis. Tijd voor bezinning en reflectie, en daarvoor is de gevangenis net zo goed als alle andere plekken. Voor wie erin slaagt, te willen dat er gebeurt wat er gebeurt. Dus heren achter de tralies of achter de hoge ramen van een landhuis, het leven is niet over. Het gaat alleen verder op een andere manier.