Touwtrekken om topbeloning

Hoge beloningen zijn al tien jaar politiek gevoelig. In het bedrijfsleven én in de (semi)publieke sector. De trend in bedrijven wordt gecontroleerd, maar wie houdt oog op de rest?

De manager van het zwembad in Bergen (NH) kreeg vorig jaar bij zijn vertrek een ontslagvergoeding van 287.300 euro. De burgemeester van Bergen (NH) kreeg een gouden handdruk van 272.400 euro.

De twee staan onder elkaar op de 1.374 functies tellende lijst van het ministerie van Binnenlandse Zaken met topinkomens en excessieve gouden handdrukken in alle sectoren die worden gefinancierd door belasting- en premiegeld. Dat loopt van de rijksoverheid tot met de omroepen, van ziekenhuizen tot en met woningcorporaties. Hier werken 2,1 miljoen mensen.

Het ministerie publiceerde de lijst afgelopen week vrijwel op hetzelfde moment dat minister van Financiën Wouter Bos elders in Den Haag de jaarlijkse evaluatie ontving over de manier waarop beursgenoteerde bedrijven de code voor goed ondernemerschap naleven. Een van de aandachttrekkers: hoe moeten de onafhankelijke commissarissen en de aandeelhouders de koppeling tussen resultaten en beloning controleren en de redelijkheid bewaken?

De topbeloningen zijn sinds tien jaar inzet van publieke discussie. Tot voor kort vooral in de lente. Dan publiceren bedrijven hun jaarverslagen en maken journalisten hun rekensommetjes. Nu laait het ongenoegen ook op bij grote overnames, zoals van Numico (babyvoeding) en ABN Amro. Het publiek ziet hoe bestuurders de waarde van hun aandelenpakketten te gelde maken en tientallen miljoenen euro verdienen.

De Tweede Kamer besprak twee maanden geleden in een anderhalf uur durend debat de waarde van het aandelenpakket van topman Rijkman Groenink van ABN Amro. Minister Bos hekelde daar de absurde bedragen, maar zei ook „er ten principale moeite mee te hebben” om te debatteren over de beloning van individuele personen die zich in de Kamer niet tegen kritiek kunnen verweren.

Zoals een van Bos’ voorgangers over topbeloningen zei: „De beheersbaarheid aan de echte top is altijd gering geweest, zelfs in de tijd dat je nog kon spreken van een overzichtelijke nationale economie.” Inderdaad, Wim Kok.

Hij startte de discussie tien jaar geleden met zijn kritiek op de „exhibitionistische stijgingen van salarissen” onder topmanagers, later afgekort tot exhibitionistische zelfverrijking. Kok opperde toen al belastingmaatregelen. Als commissaris van diverse grote bedrijven (TNT, ING, Shell) is hij nu zelf een van de beslissers over de inkomens van topbestuurders.

Veel meer dan de stok en de wortel gebruiken kan een kabinet niet doen. Fiscale heffingen zijn de stok om mee te dreigen en te slaan. Daarvoor heeft Bos de steun én de munitie aangeleverd gekregen door coalitiegenoot CDA.

Het morele appèl van Bos is de wortel om goedwillenden over de streep te trekken. Hij hamerde afgelopen week nogmaals op de macht van commissarissen.

Op het eerste gezicht is de macht van het kabinet aanzienlijk groter bij de topbeloningen in de door belasting- en premiegeld gefinancierde (semi)publieke sector. Het vorige kabinet Balkende heeft openbaarmaking en rapportage van topbeloningen wettelijk geregeld, het huidige kabinet hoeft het beleid alleen maar uit te voeren.

Het gemiddelde ministerssalaris, de zogeheten Balkenende-norm (nu: 171.000) is in principe de top. Daarmee heeft Balkenende een historische sociaal-democratische doelstelling binnen handbereik gebracht. Het kabinet Den Uyl (1973-1977) ontvouwde de noodzaak van aanvaardbare inkomensverhoudingen. Een getal noemde dat kabinet niet, maar publicist Dick Pels (De economie van de eer) maakt aannemelijk dat een factor tien tussen hoogste en laagste beloning het doel was.

Die slag is binnen.

In de private én de publieke sector vertrouwden kabinetten op zelfbeheersing en gedragscode voor goed bestuur om beloningen in toom te houden. De naleving van de code in het bedrijfsleven laat het kabinet jaarlijks inventariseren door een commissie van experts, die nu geleid wordt door ex-topbelegger (ABP) Jean Frijns.

Maar in de (semi)publieke sector ontbreekt die vorm van controle. De grote sectoren, zoals de zorg en de woningcorporaties, hebben wel codes voor goed bestuur. Maar de corporaties betalen steeds meer mensen steeds beter. En, zo meldde het ministerie van Volksgezondheid deze week over de beloningen van bestuurders in de zorg: de invoering van beloningsnormen door raden van toezicht heeft geen matigende invloed op de aanvangssalarissen van bestuurders.