Terug naar de is al fataal jaren zeventig

Als alle computers en microprocessoren worden weggevaagd, stort de samenleving in. Velen zouden overlijden. Na een kwart eeuw zijn we helemaal afhankelijk.

Maarten Huygen

Redacteur NRC Handelsblad

Op weg naar Delft in de trein was ik onthand. In mijn tas sjouwde ik een laptop mee, maar mijn digipas had ik thuis gelaten. Dat is een rekenmachientje dat op grond van een viercijferig wachtwoord een andere code produceert, zodat ik met mijn computer toegang krijg tot een bedrijfsnetwerk. Die code wordt niet automatisch doorgegeven, maar moet je zelf intikken en daarna ontstaat de verbinding.

Met de digipas had ik in de trein het laatste nieuws kunnen lezen, zou ik alle post hebben opgehaald, met collega’s hebben gediscussieerd en een stukje hebben gecorrigeerd. In een kwartiertje had ik van alles gedaan waar dertig jaar geleden nog een halve dag voor nodig was geweest. Maar ik ben zo verwend dat mijn ergernis stijgt met tijdelijke storingen. Naarmate computers meer kunnen, moet ik meer uit het hoofd geleerde wachtwoorden en beveiligingscodes intikken en word ik veeleisender en ongeduriger.

Mijn laptop zit vol dienende dwergjes die met een stroompje tot leven worden gewekt. Er lopen bodes rond die berichten knippen en selecteren, brieven in postvakken leggen, telexen, uitzendingen en kranten uit de hele wereld afleveren. Er staat een professionele zetter klaar. Op een typemachine kunnen stukken worden gemaakt en snel worden gecorrigeerd met een onbeperkt aantal carbondoorslagen. Vervolgens kan het bericht in een flits worden doorgestuurd naar de redactie. Kortom, in een plat plastic doosje werkt een oneindig aantal functionarissen, van accountant tot speelhalhouder, van beveiligingsagent tot fotozetter. Wie had dertig jaar geleden gedacht dat dit mogelijk was. Elke nieuwe computer kan meer dan de vorige. We kunnen niet zonder.

In Delft bezocht ik ir. Peter Knoppers, de verkeerstechnicus die jaren geleden de gebreken van de stemcomputer aan de orde stelde. Hij is betrokken bij de stichting ‘wij vertrouwen stemcomputers niet’. Wat blijkt? Een computer is ongeschikt om op grondwettelijke manier stemmen te registreren en te tellen. Hij mist de vereiste transparantie. Niemand kan zien wat de dwergjes in het rekenkastje uitrichten. Ze zijn weliswaar sneller en efficiënter dan echte mensen, maar ook volgzamer. Zodra een computerhacker naar de macht grijpt, switchen ze hun loyaliteit. Niemand heeft het in de gaten als uitgebrachte stemmen worden veranderd.

Maar de waarschuwingen van Knoppers werden eerst niet serieus genomen. Mensen zijn gewend om alles op te offeren aan de voordelen van de computer, ook grondwettelijke vrijheden. Toch is hij er met anderen in geslaagd dit automatisme te doorbreken. Bij de komende verkiezingen stemmen we allemaal weer met het rode potlood op papier. Stembiljetten kun je natellen. Je kunt ze niet met de druk op een knop veranderen. Je kunt ze ook niet ongemerkt verbranden of in het vuilnis verwerken.

Terwijl Knoppers zijn lofzang op de voordelen van papier voortzette, hield hij twee beeldschermen in de gaten. Zijn computer was bezig om door middel van ingewikkelde berekeningen bibberige helikopterbeelden van verkeerssituaties te stabiliseren, zodat ze beter zichtbaar werden. Werkdienstregelingen maken voor het openbaar vervoer en het berekenen van wegcapaciteit is niet mogelijk zonder computer. En al verder pratend ontdekken we dat de computer voor bijna alles nodig is.

Een vijand hoeft ons niet eens naar het stenen tijdperk terug te bombarderen. De jaren zeventig zijn al dodelijk genoeg. Toen waren er nauwelijks microprocessoren. Dat zijn elektronische schakelcircuits, minicomputertjes, die kunnen worden geprogrammeerd. De vijand kan ons naar de jaren zeventig laten teruggaan door alle microprocessoren in één klap uit te schakelen. Theoretisch kan dat door een kernexplosie op grote hoogte. De mensen overleven dat, maar de elektromagnetische puls (EMP) van zo’n klap bezorgt de computerdwergjes een acute hartverlamming. Beveiliging daartegen is mogelijk maar te duur om overal toe te passen.

Na de flits van de explosie zullen de mensen denken ‘Hèhè, dat heb ik overleefd’, maar dan begint het pas. De muziek houdt op en het wordt donker en koud. Gas en licht zijn uitgevallen. Geen telefoon of tv. Vluchten kan niet meer, want de auto’s blijven stilstaan. Alleen de fiets doet het nog. Er kan niets meer worden gefabriceerd of onder de mensen worden verspreid. Al gauw ontstaat er honger.

De rijken zijn niet langer rijk, want door het overlijden van de computerdwergjes zijn bankrekeningen en aandelen voorlopig verdwenen. Lang niet alle transacties zijn vastgelegd op papier. Bewijs dan maar dat het geld daags voor de Apocalyps niet snel is overgemaakt. Wat is dan papiergeld nog waard? Mensen gaan ruilen. Diamanten tegen spek, een schilderijtje tegen een brood, net als in de oorlog. Maar het graan moet met de hand zijn gemaaid, het brood moet zonder de hulp van de microprocessor zijn gebakken. Bij open vuur dus.

In de echte jaren zeventig zouden de gevolgen van zo’n explosie minder hard zijn aan gekomen. Toen waren de mensen minder afhankelijk van de microprocessor en van de computer. In dertig jaar heeft zich een wereldwijde revolutie voorgedaan. Kantoren zijn in de afgelopen kwart eeuw meer veranderd dan in de hele eeuw daarvoor. De drukte is niet zichtbaar meer. Er zijn steeds minder mensen die iets tastbaars doen, een brief typen of mondeling een koop sluiten. Geruisloos verschuiven niet-rokende werknemers in beeldschermen symbolen en getallenreeksen. Er wordt minder heen en weer gelopen. Rechtstreeks contact is minder noodzakelijk. Tieners hebben hun hangplek zelfs verschoven naar de digitale kletsservice MSN op de computer in hun eigen kamer thuis.

Het zou jaren kosten om een samenleving zonder computers en microprocessoren opnieuw op te bouwen. We zouden vaker moeten bellen of reizen voor informatie. Meer feiten zouden moeten worden onthouden, want ze kunnen niet gemakkelijk worden opgezocht. Alleen al die wachtwoorden en beveiligingscodes kunnen we vergeten.

Arme, primitievere samenlevingen zouden minder zijn getroffen door een aanslag met EMP. Die zijn minder afhankelijk van microprocessor. Zo is er nog enige rechtvaardigheid. In Nederland zou het tijdmachinewapen een slachting uitrichten. Dan is drie kwartier in de trein zonder computer best te doen.