Studeren, bidden, sporten voor asiel

Dertien jaar strijd om een verblijfsvergunning. De in Ghana geboren hardloper Akwasi Frimpong mocht niet blijven. Nu wel. En straks is hij Amsterdammer van het Jaar misschien.

Wanneer glundert Akwasi Frimpong niet? Hij straalt van plezier, hij lacht en rent als een hinde door het leven. De vergelijking dringt zich op. De hinde van Keryneia was een dier uit de Griekse mythologie. Het speelde een rol in de twaalf onmenselijk zware werken van Heracles. Het was een prachtige hinde met gouden hoorns en koperen hoeven. Hij was toegewijd aan de godin Artemis, godin van de jacht. De hinde was razendsnel zodat niemand hem kon vangen.

De hinde Akwasi Frimpong werd 21 jaar geleden in Ghana geboren. Hij is nu een van de snelste hardlopers van Nederland. Een kleine, stevige jongen met een wilskracht, werklust en doorzettingsvermogen waarvan mensen die hem kennen ontroerd raken.

Sinds afgelopen zomer heeft Akwasi een verblijfsvergunning, na dertien jaar. Hij is er zo blij mee, dat hij liever niet praat over de strijd die hij moest voeren sinds hij als achtjarige jongen naar Nederland kwam. De glans is van zijn gezicht verdwenen. Hij vertelt over al die brieven die burgemeester Job Cohen, voorzitter Erica Terpstra van het NOC*NSF, Johan Cruijff, zijn trainer Sammy Monsels en zijn advocaat aan de IND en minister Verdonk schreven. „Verdonk antwoordde dat ze wel bewondering voor mij had”, zegt Akwasi. „Maar dat ze haar discretionele bevoegdheden niet wilde gebruiken omdat haar voorganger de beslissing al had genomen mij geen verblijfsvergunning te geven. Ze was nog niet weg of ik kreeg er wel een. Omdat Cohen wéér een brief stuurde. Met staatssecretaris Albayrak was het meteen raak.”

Akwasi zocht nooit publiciteit, ook niet toen het land op zijn kop stond om voetballer Kalou een Nederlands paspoort te geven ten einde hem in Oranje te laten spelen. „Ik doe het liever op de achtergrond. Ik heb alles gedaan om te integreren, ik sprak als achtjarige in een jaar Nederlands, ik sloot me aan bij een sportclub, ik voltooide opleidingen als het ROC van Amsterdam en het Johan Cruyff College met de hoogste cijfers.”

Akwasi won dit jaar de International Johan Cruyff Award, als beste student. Hij werd in 2003 nationaal jeugdkampioen op de 200 meter. Toen brak hij zijn enkel. Deze zomer werd hij door het ROC uitgeroepen tot Topper van 2007. Nu staat hij op de nominatie voor Amsterdammer van het Jaar. „Het leek of de IND een persoonlijke oorlog voerde. Deed ik dan niet mijn best?”

Vervolg Akwasi: pagina 11

‘Het voelt heerlijk om een rolmodel te zijn’

Tranen worden geplengd als Akwasi Frimpong zich in zijn kennissenkring vertoont, zoals op een feestje voor hem eerder deze maand in een Amsterdams café. Hij glundert van oor tot oor als hij wordt toegesproken. De directeuren van de scholen die hij de afgelopen dertien jaar in de Bijlmer bezocht, leraren en vrienden spreken bewonderend over het stevige Ghanese mannetje dat zo’n lange lijdensweg heeft doorstaan. De toespraak van zijn trainer en ‘tweede vader’, oud-sprintkampioen Sammy Monsels, wordt gesmoord in tranen. Emoties gieren door het etablissement als Akwasi het woord neemt. Maar Akwasi huilt niet, hij glundert – als bevrijd. Hij heeft eindelijk een verblijfsvergunning. Hoe is het mogelijk? Om zijn nek hangt een oranje sjaal, met de tekst Hup Holland.

Hij heeft alle mensen uitgenodigd die hem in de afgelopen dertien jaren van strijd hebben gesteund. Burgemeester Job Cohen van Amsterdam, Erica Terpstra van NOC*NSF, Johan Cruijff, de directie van het Johan Cruyff College en het ROC Amsterdam, leraren, fysiotherapeuten, juristen, journalisten, de atletiekunie, familie en vrienden, mensen uit zijn geboorteland Ghana, medescholieren. Alleen Rita Verdonk en de ambtenaren van de IND niet. De mensen die hem niet als Nederlander wilden accepteren, hoefden niet te komen. Akwasi en allen die zijn gevecht hebben gesteund, waren liever onder elkaar.

Glunderend vertelt hij nu dat hij kandidaat is voor ‘Amsterdammer van het Jaar’, met negen anderen uit alle geledingen van de stad. De wereld gaat nog van hem horen. Hij mag het eigenlijk niet vertellen, hij mag zelfs niet lobbyen. „Maar ik kan het niet laten. Als ik dát bereikt heb, is dat weer een stap in mijn leven. Voor wie gelooft is alles mogelijk. Er zijn mensen die denken dat ik minister van Sport word, in het Internationaal Olympisch Comité kom of in de politiek ga. Al gezien dat ik genomineerd ben voor de Sexiest Ghanaian Man van 2007? Samen met een Ghanese dj, een rapper Sexy B Clay, een dressman en een paar voetballers. Het wordt te gek: ik word zelfs fotomodel.”

Zijn moeder vertrok in 1989 uit Ghana naar Nederland. Ze liet de driejarige Akwasi en zijn broer achter bij hun oma. De jongens gingen naar een kostschool. Over zijn vader spreekt Akwasi niet: nooit gekend. Op de kostschool heerste orde en tucht. Hij werd er vaak geslagen. Als hij in het weekeinde thuiskwam bij zijn oma was er bijna niets, weinig eten, geen schone kleren, alleen vreugde om verlost te zijn van de kostschool én vooral liefde. „De kostschool werd betaald door mijn moeder in Nederland. Mijn oma had niets. Ik werd ziek, hevige koorts. De school stuurde me naar huis. Welke ziekte het was weet ik niet. Mijn ballen vielen er zowat af, zeg maar. Alles deed pijn. Oma probeerde me te genezen met kruiden en bladeren. Het hielp niet. Zes maanden was ik ziek, ik zou dood gaan. Zie je die striemen in mijn gezicht? Dat zijn de sporen. Mijn moeder greep in. Ze wilde dat mijn broer en ik naar Nederland kwamen.”

Via Duitsland kwamen Akwasi en zijn broer Nederland binnen. Een maand later mocht hij naar school, in de Bijlmer. „Ik weet nog dat ik ’s nachts om drie uur al klaarstond, zo graag wilde ik. Elke dag ging ik naar de bibliotheek, dan nam ik wel tien boeken mee. Daarna ben ik naar het vmbo gegaan. Ik moest en zou laten zien wat ik kon. Ik haalde voor Nederlands een 8 en voor wiskunde een 10. Een beetje positieve discriminatie, vond ik eigenlijk wel. Maar ik had er voor gewerkt als geen ander. Dat vond ik ook.”

Elke keer als hij probeerde een verblijfsvergunning te krijgen, werden er voor hem onbegrijpelijke redenen aangevoerd. „Het gezinsverband was verbroken. De geboorteakte klopte niet, ach, weet ik wat nog meer. Mijn moeder is er voor naar Ghana geweest, urenlang stond ze daar in in de rij. Maar altijd was er in Nederland een reden om mij dwars te zitten. Twee keer heb ik bij de rechter gewonnen, maar nog wilde Verdonk niets voor mij doen. En intussen vocht ik maar door, op school. Ik geef nooit op, dat had ik al in Ghana geleerd. Ik ben een vechtjas. Ik weet niet beter.”

Hij wilde studeren aan het ROC, maar de school kreeg geen bijdrage voor een leerling die geen verblijfsvergunning heeft. Hij wilde stage lopen, maar die ging niet door omdat hij geen verblijfsvergunning had. Creatieve boekhoudingen van de schoolleiding werden zijn redding. Voor zo’n ijverige jongen moesten ze toch iets doen. Spaarpotjes en vrienden werden aangewend. „Ik wilde mijn moeder en mijn stiefvader niet belasten. Zij hadden al genoeg aan hun hoofd, ik wilde ze beschermen tegen mijn leed. Maar of een gegeven moment was het voorbij voor mij. Ik wilde gewoon weg hier, ik voelde me als in een isoleercel. Ik creëerde zoveel kansen voor mezelf, maar ik mocht ze van de minister niet benutten. Ik wilde terug naar Ghana, weer de bush in, waar ik toch ook had overleefd, weg van deze afschuwelijke administratieve Nederlandse wereld. Als mijn broer en al die mensen hier in de Bijler er niet waren geweest, was ik weggelopen. Waarheen? Ja, waarheen?”

Sport was zijn uitlaatklep. Sammy Monsels had hem als hardloper ontdekt op een sportwedstrijd van de school in de Bijlmer. „‘Jongen, jij wordt een kampioen’, zei Sammy. Maar ik had andere dingen aan mijn hoofd. Ik kroop van eenzaamheid achter mijn schoolboeken, ik wilde me bewijzen, ik wilde wijzer worden, ik wilde als mens geaccepteerd worden. Ik kwijnde weg, ik was een zombie. Een jaar later zag ik Sammy terug, toen ben ik bij hem gaan trainen, bij zijn club Continental Sportszijn, op de baan bij Kraaiennest. Ik werd steeds sneller en sterker Sammy stimuleerde me. Ik kreeg zoveel kracht door hem. Ik werd werd jeugdkampioen van Nederland op de 200 meter. Ik maakte een vreugdesprong en brak daarbij mijn enkel. Sammy zag het gebeuren. Hij zei: ‘Je hebt je enkel gebroken, jongen.’ Maar ik liep gewoon door. Ik voelde geen pijn.”

Akwasi kon zich niet meer uitleven in zijn passie. Zijn talent, waarover Monsels zo hoog had opgegeven leek in de knop gebroken. „Een operatie zou 30.000 euro kosten. Maar ik was niet verzekerd, omdat ik geen verblijfsvergunning had. Mijn wereld stortte weer in, nog meer in. Ik herinner me nog dat jij hier was voor een verhaal over het sportproject van Sammy in de Bijlmer. Ik was Sammy’s rolmodel, maar ik was geblesseerd. Sammy wees naar me. Maar ik was somber en eenzaam, ik zat daar met een muts over mijn hoofd. Ik kon en wilde me niet laten zien. Ik kon niet geopereerd worden. Maar dankzij twee fysiotherapeuten kon ik toch langzaam herstellen. Ze vroegen maar één euro. Zij hebben me geholpen. Het herstel duurde langer, ruim twee jaar. Ik kon niet trainen, maar bij de sportclub kon ik wel laten zien wat ik nog meer kon. Ik ontwierp een website, ik werd de non-playing captain van het team. Maar ik mocht niet naar het buitenland. Ja, waarom denk je? Ik had geen verblijfsvergunning, laat staan een paspoort.”

Maar Akwasi vocht zich terug, op school en op de atletiekclub. „Ik heb het gered: ik kan nu weer sprinten. Ik kan weer winnen. In september werd ik Nederlands kampioen met de estafette.”

Het ROC van Amsterdam gaf hem tijdens het feestje als beloning voor zijn inzet en zijn prestaties op school een paar autorijlessen en een voorlopige baan als pr-medewerker. De studie communicatie en marketing die hij aan het Johan Cruyff College afrondde komt hem daarbij van pas. Want public relations is hem op het lijf geschreven. Hij wijst naar een foto waarop Johan Cruijff hem feliciteert en een Oranjeshirt met nummer 14 overhandigt. „Meneer Cruijff noemde me bij mijn voornaam, Akwasi. Mooi hé!”

En daar zit hij nu, op zijn kantoortje op het ROC in de Bijlmer, die kleine dappere man. Een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is hem al gegund. Nu nog een Nederlands paspoort. Hij wil zo graag. „De Olympische Spelen in Peking zullen voor mij als Nederlander niet meer lukken. Maar misschien kan ik nog voor Ghana uitkomen, ik behoor tot de vier snelste Ghanese sprinters. Dus misschien in de estafette. En als dat niet lukt, ga ik voor de Spelen van Londen in 2012, voor Nederland.”

Akwasi heeft ook al een aanbod om in Amerika te gaan studeren, businessadministration, en zijn sport te intensiveren. Trainen onder beste trainers. Maar eigenlijk wil hij liever in Nederland blijven, bij zijn vrienden en de mensen die hem niet in de steek hebben gelaten. „Toen ik nog in de problemen zat, was ik bij het sporten gestrest. Sammy zei steeds: ‘relax, jongen, relax’. Nu ik gehaald heb wat ik wilde halen ben ik sterk, overal, ik voel het. Mijn moeder is gospelzangeres. Dat is zo mooi, jongen, zoals ze zingt. Ik bid veel, heel veel. Maar ik laat het niet aan God over. Ik doe er ook zelf alles voor om iets te bereiken.”

Akwasi Frimpong is teleurgesteld in Nederland, in de bureaucratie, in de afweer en de xenofobie. Nederland heeft twee gezichten, Verdonk en Wilders, de rest er tegenover. „Nederland is nog niet van me af”, roept hij vastberaden in zijn kantoor in de Bijlmer. „Er lopen nog twee rechtszaken tegen de IND. Ik wil een paspoort. Ik wil Nederlander zijn om te laten zien dat ik er alles aan gedaan heb om me te integreren. Ik voel me nu verplicht iets te doen met mijn talenten. Ik word gezien als een rolmodel. Heerlijk voelt dat. Ik hoop dat ik veel jonge mensen de weg heb gewezen. Zoals ik het heb moeten doen, gun ik niemand. Maar je ziet, alles is mogelijk, als je maar wilt.”